+ Meer informatie

HULPVERLENING BUITENLAND * OVERZICHT VAN HET ONTSTAAN VAN EEN DEPUTAATSCHAP EN HAAR TAAKSTELLING VAN SYNODE TOT SYNODE

9 minuten leestijd

1962 Generale Synode te Haarlem-Santpoort

Via een tweetal instructies wordt de aandacht gevraagd voor ”hulp aan onderontwikkelde gebieden”. De generale synode spreekt uit, dat het niet op de weg van de kerken ligt deze hulp ”los van de prediking des Woords” te verlenen; dat er gezien de praktijk geen behoefte bestaat aan de door de particuliere synode van het Oosten gevraagde uitspraak dat ook de Chr. Geref. Kerken ”een taak der barmhartigheid hebben in de nood van deze wereld”; en dat de deputaten voor bijzondere noden of voor de zending inzake aanvragen voor financiële of andere hulp door kerken in het buitenland dienen te adviseren.

1965-1966 Generale Synode te Zwolle-Apeldoorn

Een instructie stelt de wereldwijde hulpverlening opnieuw aan de orde: ”De particuliere synode van het Westen overwegende dat het diaconaat in de christelijke kerk wijder strekking heeft dan de plaatselijke gemeente (Rom. 15:26,27; 2 Cor. 8 e.a.),

kennis genomen hebbende

1. van de bespreking ter generale synode van Haarlem-Santpoort 1962 (Acta art. 114 -bijlage XLIV) met de conclusie dat het niet op de weg van de kerkenligt los van de prediking des Woords materiële hulp te verlenen aan volken in onderontwikkelde gebieden of die in bijzondere nood verkeren;

2. van de publikaties in ”Uw Koninkrijk Kome” en verslagen van de zendingsdeputaten waarin met nadruk gewezen wordt op de bijzondere nood in het Vendaland, voornamelijk op het terrein van de medische zending; vraagt aan de generale synode op welke wijze aan dit diaconaat over de grenzen gestalte kan worden gegeven op het gebied waar onze kerken zendingsarbeid verrichten, en geeft in overweging de mogelijkheid om deze diaconale taak vorm te geven in het Vendaland op het gebied van diaconale en maatschappelijke aangelegenheden”.

De synodecommissie die deze instructie behandelt, rapporteert, dat als gevolg van de uitspraak van 1962 waar het Woord over de grenzen gebracht wordt ”het diaconaat ook moet functioneren. Hieruit concludeert uw commissie dat op alle terreinen en in alle landen waar onze kerken het Evangelie brengen, ook het diaconaat gestalte moet krijgen. Dit geldt dus niet alleen voor onze huidige en toekomstige zendingsterreinen, maar bijv. ook voor Israël. De commissie wil dit ”diaconaat over de grenzen” overlaten aan de desbetreffende zendende kerken eventueel in overleg met de deputaten ADMA; voor ADMA zelf ligt hier volgens hun instructie geen directe taak. Tijdens de plenaire discussie wordt door prof. W. Kremer gesteld, dat in 1962 positie is gekozen tegen een soort ”oecumenisch werelddiaconaat”. Er is behalve aan eigen zendingswerk ook gedacht hulpverlening b.v. via de International Council of Christian Churches. Hiertegen wordt opgemerkt, dat de hulp die de kerken via dit kanaal geven, buiten elk deputaatschap omgaat. De generale synode besluit te blijven in de lijn van 1962 en de instructie van de synode van het Westen niet te aanvaarden.

1968-1969 Generale Synode te Hilversum

Op deze generale synode wordt de wereldwijde hulpverlening opnieuw aan de orde gesteld via de volgende instructie: ”De generale synode berade zich - gegeven de Schriftuurlijke roeping der kerken inzake het diaconaat buiten onze grenzen - op middelen en wegen, die tot doeltreffende functionering van het diaconaat buiten de landsgrenzen kunnen leiden.” Daarnaast rapporteert ADMA aan de generale synode, dat de internationale financiële hulp van de kerken ”steeds in relatie dient te staan tot één van de ambten. Het gaat hier om financiële hulp ter bevordering van een juiste bediening van de ambten.” Men wijst op de vele acties, die ter verbreiding van het koninkrijk van God de laatste tien jaar gehouden zijn. Men kan deze acties niet voldoende kenmerken met het woord zending, maar ook de term werelddiakonaat ziet men als te beperkt, omdat er ”behalve diakonale projecten ook projecten op het programma staan die op de bevordering van een goede bediening van de andere ambten betrekking hebben.” ADMA heeft zich voor haar rapportage mede georiënteerd bij het werelddiaconale werk van de Geref. Kerken. ADMA stelt, dat het besluit van 1962 om aanvragen om hulp te verwijzen naar deputaten zending of bijzondere noden ”niet meer past op de sindsdien voortgeschreden ontwikke-lingen” en menen dat een deputaatschap zich moet gaan specialiseren op de nieuwe vormen van hulpverlening; deze opdracht zou ook aan ADMA kunnen worden gegeven.

De synodale commissie stelt dat, gezien de besprekingen op voorafgaande synodes, de Chr. Geref. Kerken ”t.a.v. de nood, die op tal van plaatsen in deze wereld zich voordoet, in meerdere of mindere mate zich negatief hebben opgesteld.” Zij stelt voor een nieuw deputaatschap onder de naam ”deputaten bijzondere ambtelijke hulpverlening omdat het hier gaat om hulpverlening van kerken met het oog op bijzondere situaties.” Men wil bewust de naam ”werelddiakonaat” vermijden, omdat deze naam aanleiding kan geven tot misverstanden.

De synode van Hilversum besluit tenslotte - de uitspraken van de synode te Zwolle-Apeldoorn als ”negatief” afwijzend - het al langer bestaande deputaatschap voor bijzondere noden om te vormen tot ”deputaten voor hulpverlening in binnen- en buitenland”; haar taak is:

”a. voort te gaan met de leniging van bijzondere noden binnen eigen land;

b. zich te bezinnen op de Schriftuurlijke roeping van de kerken tot hulpverlening buiten onze grenzen en hiervan op de volgende generale synode rapport uit te brengen;

c. intussen reeds middelen en wegen te zoeken tot hulpverlening buiten onze grenzen, voorzover deze hulpverlening op de weg van de kerken ligt;

d. op de volgende generale synode een concept-instructie in te dienen.”

Voor hun taak sub c ontvangen deputaten machtiging om collecten te doen houden in de kerken, zo mogelijk voor een concreet doel.

1971-1972 Generale Synode te Rotterdam

Deputaten ADMA zijn blijkens hun rapport van oordeel, dat ”de diaconale hulpverlening in binnen- en buitenland vanuit de plaatselijke gemeente een diaconale aangelegenheid is” en dat er daarom samenwerking tussen deputaten hulpverlening en ADMA nodig is en meer gedaan moet worden aan ”voorlichting aan de kerken inzake diaconale hulpverlening aan kerken in binnen- en buitenland als integrerend bestanddeel van een goed functionerend (gemeente) - diaconaat.”

Deputaten hulpverlening brengen op deze synode hun eerste rapport uit. De eerste projecten zijn gekozen, waaronder een landbouwproject in het zendingsgebied Mamasa. In hun rapport brengen zij ook verslag uit van hun ”Bezinning op de Schriftuurlijke roeping van de Kerken tot hulpverlening buiten onze grenzen.” Deputaten zijn van mening, dat hier voor de kerken ”een duidelijke roeping ligt” op grond van gegevens uit de Schrift. Deze roeping is om:

”a. andere Kerken, die men erkent als gemeenschap van ”heiligen” en ”broeders”, waar ook ter wereld, dus binnen eigen kerkverband in eigen land, maar ook tot ver over de eigen grenzen, te helpen in de leniging van bijzondere nood, opdat hun kerkelijk leven niet belemmerd wordt in de groei en opbouw;

b. middels de bijzondere ambten, resp. kerkelijke vergaderingen, voor deze hulpverlening richtlijnen, wegen en middelen te verschaffen, opdat deze acties een zo doeltreffend mogelijk resultaat mogen hebben.”

Ook zijn de deputaten van mening, dat het Schriftuurlijk is, ”dat in deze hulpverlening van de Kerken niet mag worden volstaan met het alleen geven van materiële hulp, los van de prediking van het Woord en de volle bediening van de bijzondere ambten.” Er is sprake van een bijbelse eenheid van Woord en daad. Deze eenheid blijkt ook vanuit de inhoud van het diaconaat, want stellen zij, ”dat het diakonaat wezenlijk ook een getuigenis van Jezus Christus moet zijn. Waar deze relatie tot de gehele dienst der Kerk ontbreekt, kan niet meer van diakonaat worden gesproken, doch versmalt het tot sociale zorg. (…) Het diakonaat kan alleen daar in de voluit bijbelse zin functioneren waar het in permanente samenhang en in samenhang met de andere ambten werkzaam is. Bij iedere vorm van hulpverlening door de Kerken, moet in de prediking van het Woord ook de diepste nood worden opgevangen.” Zij buigen de uitspraak van synode 1962 positief om: ”Het is de roeping der Kerken om bij alle vormen van hulpverlening aan andere Kerken, die in bijzondere nood verkeren, de nauwe verbondenheid en correlatie van al de ambten tot uitdrukking te laten komen.” De synode keurt de handelingen van deputaten goed. Zij spreekt ook uit, dat via de Internationale Christelijke Handreiking projecten bij deputaten gemeld kunnen worden; zij bezien of deze projecten passen in hun opdracht en planning. Goedgekeurd wordt, dat één van de deputaten als waarnemer optreedt in de sectie Werelddiaconaat van de deputaten A.D.A. van de Geref. Kerken; de instructie voor deputaten hulpverlening wordt definitief vastgesteld met als taakomschrijving:

”Deputaten hebben als taak:

a. hulp te verlenen aan kerken in binnen- en buitenland, die door bijzondere omstandigheden belemmerd worden in hun kerk-zijn;

b. de kerkeraden zoveel mogelijk van voorlichting te dienen ten aanzien van de hulpverlening der kerken;

c. bij plotseling optredende calamiteiten de kerkleden op te wekken hun persoonlijke roeping te vervullen tegenover hun naaste in nood.”

Om hun taak uit te kunnen voeren ontvangen deputaten machtiging elk jaar een collecte in de kerken te houden en ”zo nodig op de diaconieën een beroep te doen.”

1986 Generale Synode te ’s-Gravenhage

Op deze synode komt het tot een wijziging in taakstelling van deputaten hulpverlening. In hun rapport maken deputaten melding van hun bezinning. Zij menen, dat het steunen van neutrale organisaties ”principieel niet tot hun taak behoort. Ook wordt als regel niet ingegaan op steunaanvragen van particuliere personen, tenzij een kerk of christelijke organisatie zich gemotiveerd achter de aanvrager stelt.” Deputaten zijn gekomen tot de volgende omschrijving van het hulpverleningswee.: ”Vanuit de gemeenschap met Christus en in onderlinge gemeenschap zich in bewogenheid en verantwoordelijkheid op de juiste wijze betrokken weten bij de nood van de naaste, teneinde elkaar wederkerig te dienen in liefde, barmhartigheid en gerechtigheid.” Uit de gegroeide praktijk en in de bezinning bleek deputaten een tekort in hun instructie; ze doen daarom voorstellen tot wijziging om niet alleen aan kerken maar ook aan christelijke instellingen in binnen- en buitenland hulp te kunnen verlenen; bovendien vraagt men behalve de taak van voorlichting naar de kerkeraad en de diaconieën ook die van toerusting. De synode besluit ”deputaten op te dragen de hulpverlening, waar dat mogelijk is, te doen plaats vinden in samenwerking met organisaties die zich baseren op Schrift en belijdenis.”

De instructie art. 4 met betrekking tot de taak van deputaten wordt als volgt gewijzigd:

”Deputaten hebben tot taak:

a. hulp te verlenen aan kerken en christelijke instellingen in binnen- en buitenland in noden van onderscheiden aard vanuit de gemeenschap met Christus en de daaruit voortvloeiende roeping;

b. de kerkeraden en in het bijzonder de diaconieën voor te lichten en toe te rusten ten aanzien van de hulpverlening der kerken en de diakenen te stimuleren om de nood van de naaste aan de gemeente voor te houden en op te wekken tot barmhartigheid en gerechtigheid;

c. bij calamiteiten de kerkleden op te wekken hun persoonlijke roeping te vervullen tegenover hun naaste in nood.”

*) Dit artikel wordt geplaatst in verband met het nog te verschijnen handboek voor de diakenen ”Zichtbare liefde van Christus”: zie het woord vooraf bij het vorige artikel van ds. de Jonge in Ambtelijk Contact van febr jl. (blz. 569).

Redaktie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.