+ Meer informatie

OVER HET AVONDMAAL

De Mérode en Van Lodensteyn

3 minuten leestijd

In schier elke letterkundige bloemlezing zullen van Willem de Mérode opgenomen worden de verzen, die betrekking hebben op het Avondmaal. Dirk Coster schrijft ervan in „Religieuze Poëzie": „Zijn „Avondmaal-verzen" in „Het Kostbaar Bloed" zullen wel voor altijd de kern van zijn werk blijven en één der kernen waarvan de protestantse poëzie in de komende tijd zal uitgaan. Zij zijn een mystisch drama in uiterste verkorting."

Bedoeld worden dan „Voorbereiding", „Heilig Avondmaal" en „Nabetrachting".

In „Voorbereiding" lezen we:

Hun harten voelden zij als boeken In Gods geduchte hand gelegd, En wisten, dat Hij al hun slecht Gedrag gerecht zou onderzoeken.

Zij lazen bang en hunkrend mee, En zagen wat zijn vingers wezen. Was er niets goeds? hun schaamte en vreezen Groeiden tot een verschroeiend wee.

God had de boeken dicht gedaan, En zou het grote vonnis spreken. Toen dorst hun stem de stilte breken: O Heere Jezus, neem ons aan!

En 't bonzend hart, dat ze in zich vonden, Was vlekkeloos en zonder zonden.

Het „Heilig Avondmaal" luidt:

Zij aten allen het gezegend brood, Dronken ontroerd den zwaarbedeesden beker. Hun oogen weenden en hun hart sloeg weeker En stroomde vol van 's Heeren bittren dood.

Zij zagen zijn gestrekten stillen nood En ieder voelde zich ontzet, maar zeker, Zijn moordenaar, en als een strenge wreker Zijn blind gezicht met de oogen glazig groot.

En bonzend vielen op de bangen borst De vuisten: Heer, 'k ben schuldig! ik belijd 't! Ik reet uw zijde op met mijn felle zonden.

Maar levend in hun midden stond hun Vorst. En hun verweende scheemrende oogen konden Den glans niet dragen van zijn heerlijkheid.

Om niet te veel plaatsruimte te nemen, zal ik het citeren van „Nabetrachting" achterwege laten, maar ter vergelijking een gedicht van Jodocus van Lodensteyn laten horen, dat ook over het Avondmaal gaat. Het werd geschreven 9 oktober 1659 en heeft als opschrift: Toetred tot des Heeren H. Sacrament. In onze spelling overgezet, luidt het aldus:

Ik dacht: zou 't hart, bezet met zoveel zonden, Opdringen tot dat heil, en daar gena Verwachten? Beid wat, niet zo stout; want dra Vond ik mijn ziel van 't heilig recht verslonden.

Dit peinzend, was des Heeren inspraak vaardig, Die vraagde t dubbend 1 ) hart: wat zoekt gij hier? 't Hart zei: de kracht der waarheid, die als vier Mij zuiver wandlen maak', en Uw dienst waardig.

Kom dan vrij, zei de Godsspraak, want het hert, Dat door mijn wet verstokter wierde, werd Nu door gena gezocht, en zo gevonden.

Zo grijp ik, zei de ziel, volmondig toe, En eigen die gena zo krachtig; doe Gij 't stenen hart maar smelten in Uw wonden.

INDEX.


l ) weifelend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.