+ Meer informatie

UIT DE PRAKTIJK

6 minuten leestijd

26

Wel mannen, wat komen jullie hier nu doen? Ik weet niets te vertellen, u kon ons maar beter overslaan.

Dat was niet erg bemoedigend om zo ontvangen te worden voor het doen van huisbezoek, en dan denk je weleens, mede gezien je eigen gesteldheid: hoe komen wij hier vanavond op een zakelijk gesprek.

Deze mensen hadden wij nog nooit bezocht omdat wij meest in een andere wijk ons werk hadden, en daar wij van deze vrouw eens een goed gerucht hadden gehoord, was onze verwachting dat we vanavond maar veel te beluisteren en weinig te zeggen zouden hebben. Doch dat viel niet mee, ’t ging al heel moeilijk om deze vrouw aan ’t praten te krijgen. Nu is de één wel spoediger tot spreken te bewegen dan de ander, maar hier troffen wij het wel heel moeilijk aan, hoewel wij vernomen hadden dat deze vrouw toestanden besprak welke ook door Gods volk ervaren worden. Toen wij er aanvankelijk niet in slaagden, hebben wij, om haar uit te lokken, voorgesteld hoe de Heere meestal werkt in het trekken en lokken van zondaren en hoe die mens gesteld is, die met God en zichzelf te doen krijgt. Toen wij, al verder pratende, de noodzakelijkheid van een Verlosser voorstelden, zei deze vrouw, die door sommigen als een „aardig mens” was bestempeld: „Ga maar nietverder man, want daar heb ik geen kennis aan”. Mijn ambtsbroeder keek mij van terzijde eens aan en ik zag de teleurstelling op zijn gezicht. Ik wist niet anders te doen dan om heel eenvoudig te vragen: wel vrouw, waar hebt u dan wel kennis aan? Daarop vertelde zij ons het volgende:

Zij was al jaren geleden hier komen wonen, en ging in haar vorige woonplaats wel naar de kerk, maar daar werd de waarheid zeer gemakkelijk voorgesteld.

Zij kwam hier, door middel van een buurvrouw, onder het gehoor van een getrouw leraar die dood en leven verkondigde, en reeds jaren is opgenomen in de triomferende kerk, wiens prediking veel indruk op haar maakte, en waar zij zich zeer getrouw onder begaf, en ook spoedig omgang kreeg met sommigen, waarvan wij mogen geloven, die door de Heere zijn aangezien en opgezocht. Onder de prediking en deze omgang bemerkte zij, dat het leven zoals zij zich bevond te zijn, niet goed en niet naar des Heeren Woord was, maar dat een mens tot God bekeerd moet worden zal het wel zijn, en daarom ging zij zeer getrouw de godsdienstplichten waarnemen en onder het volk verkeren. Op zichzelf is hier niets tegen maar gebiedende eis. In haar spreken haalde zij veel uitspraken van die leraar aan, als mede van sommige godvrezenden, maar het bleef aldoor: „Zo zal het moeten wezen”. Er kwam niets van het persoonlijke werk naar voren. Wij bemerkten een vasthouden en steunen op andermans woorden, zonder persoonlijke beleving daarvan. En daar dit al vele jaren geleden is, bleek er geen toename te zijn en lag alles nog zo als toen zij maar kort onder de prediking van die leraar opging. Na het gehoorde wezen wij op de noodzakelijkheid van zelfonderzoek. Dit kan een beslag zijn onder de waarheid, want heimelijk klampte deze vrouw zich vast aan dingen die geen vastigheid zijn. Een mens kan een overtuiging hebben die zwaar en moeilijk is, en een verandering in zijn leven teweeg brengt, hij kan van onverschillig een net kerkmens worden, en bekeerd worden van de kroeg naar de kerk, en met dat al inwendig dezelfde blijven. Vroom voortleven jaar in jaar uit, en een verandering aanzien als de vernieuwing des harten en menen op de goede weg te zijn, en dan soms ook nog door mensen die het beter kunnen weten worden gesteund, zodat men zo zijnde wel gebruik durft te maken van het Heilig Avondmaal, menende een Goddelijk recht daartoe te hebben, zonder enige kennis van die gezegende Heere Jezus, Die dit heeft ingesteld voor Zijn volk, hetwelk ons ook hier duidelijk bleek. Ook deze vrouw hield zich staande met uitspraken van de leraar door telkens te herhalen: „dit en dat heb ik eens horen zeggen”. Het viel niet mee om haar te overtuigen dat de woorden der godzaligen wel zeer nuttig kunnen zijn voor de medemens, maar de beleving blijft een persoonlijke zaak.

De Psalmdichter zingt:„ Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord”. Die man had God nodig en kon spreken vaneenGodsontmoetingenwaar het een oprecht werk is, daar is het om God te doen, dan heeft dat volk geen rust met al de uitspraken van anderen, hoe goed ook bedoeld, maar dan worden zij uitgedreven naar het verborgene en komen op de rechte plaats als een zondaar, die de minste weldaad verbeurd heeft, en als een onwaardige, die zich verfoeit voor het hoogste Wezen. Dat is zo’n kostelijke plaats, waar niemand van nature zin in heeft.

Deze woorden werden wel aangehoord, maar wij konden zo merken dat dit klanken waren die zij wel meer gehoord had, maar waaraan zij geen kennis had. We hebben haar voorgesteld, dat hetgeen zij ons verteld had, toch geen grond kan wezen waarop wij bouwen kunnen, want hoeveel mensen zijn er, die in hun leven een omkering hebben gehad en uitwendig anders zijn gaan leven, maar inwendig dezelfde zijn gebleven, en daarbij heimelijk menen dat het nu wel goed met hen staat, want hoewel een zeker beslag van de waarheid op u gekomen is, wat is er verder gebeurd? Uit hetgeen u ons vertelde kunnen we toch niet opmaken dat deze dingen geleid hebben tot een verbreking en bukken onder God als een verloren zondares. Daar zal toch wat van gekend moeten worden, en dat is toch de gang waardoor de mens krijgt uit te zien naar de Verlosser, en als deze dingen niet gekend worden, waar bouwt u dan uw hoop op?

Ja man, uit mijn eigen heb ik nooit naar zo’n zware waarheid gezocht, dus dat moet toch van God zijn, dat ik daaronder terechtkwam, dat is Gods werk.

Vrouw, merk nu goed op, er zijn mensen die de zuivere waarheid nalopen, en niet graag één keer overslaan, die algemeen overtuigd zijn, dat het hun plicht is zich getrouw onder Gods Woord te begeven, en ernstig zijn in hun levenswandel, en nochtans niet weten van bijzondere bemoeienissen van God, en zo voortleven en sterven zonder dat er iets van het bijzondere genadewerk is geopenbaard.

Er is een onderscheid tussen algemeen en bijzonder werk. Daarom vrouw, is het zo nodig, dat we het eens onderzoeken of deze dingen door Gods Geest gewerkt zijn op deze wijze, dat God rechtvaardig is en wij doemschuldige oschepselen zijn, want wij kunnen al zo gauw het goede van onszelf denken, en menen dat het goed met ons staat, of een hoop koesteren zonder grond, en dan bedriegen wij onszelf, en daarom is zelfonderzoek zo nodig.

Daar bad ook de dichter ominPs. 139 en dat was toch een man die door God geleerd en bekeerd was.

Na dit bezoek, op weg naar huis, zei onze ambtsbroeder: „Wat is mij dat vanavond tegengevallen; dat had ik, gelet op hetgeen men mij van deze vrouw verteld heeft, niet verwacht. Dat nu onze woorden onder Gods zegen haar nuttig mogen zijn”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.