+ Meer informatie

EEN PROEFSCHRIFT over kerk en industriearbeider

10 minuten leestijd

E. de Vries, De dienst van de kerk aan
de industrie-arbeider, Franeker 1962
205 blz. Prijs ing. f 8,90

Het boek, waarover u hierboven enkele gegevens vindt, is eind vorig jaar als proefschrift verdedigd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Deze dissertatie is tot stand gekomen onder supervisie van de hoogleraar in de ambtelijke vakken. Het gaat hierin dan ook over een onderwerp uit de ambtelijke vakken in de theologie. Voorzover mij bekend is deze studie een novum. Er is wel in theologische proefschriften aandacht gegeven aan de verhouding tussen kerk en maatschappij. Met name van Rooms Katholieke zijde heeft men op dit gebied onderzoekingen verricht. Ik denk aan enkele proefschriften over het Rooms Katholicisme in Friesland en in Tilburg. Maar de verhouding kerk en industrie was nog nergens in studie genomen. Dat dit nu wel gebeurd is, tekent de situatie. De kerk heeft meer aandacht gekregen voor haar roeping ten opzichte van de industriearbeid(er). Men kan ook denken aan het rapport, dat op onze synode van Haarlem gediend heeft en deze materie van een bepaalde zijde benaderde. Je zou kunnen zeggen: het zit in de lucht. Doch dat is niet helemaal juist uitgedrukt. Dan betekende het immers niet meer dan dat het een modeverschijnsel zou zijn. Men moet deze aandacht voor de industriearbeider meer zien als het zich bewust worden van de roeping der kerk tegenover hem. Ik dacht dat die bewustwording meer dan een modeverschijnsel dient te zijn.

De auteur heeft velerlei kontakten met het C.N.V. Op konferenties voor predikanten, door het convent van christelijke organisaties belegd, trof men hem als spreker en aan het rapport over de zondag(sarbeid) heeft hij meegewerkt. Daarom was hij wel de aangewezen man om déze materie ter hand te nemen. Het interessante van een dergelijke studie is altijd weer, dat men er in bijelkaar vindt wat zo al over deze zaak in de loop der laatste jaren geschreven is. Men komt hier in één boek tegen wat men elders in brochures, tijdschriftartikelen en boeken verspreid zou kunnen aantreffen. Daar komt nog bij, dat men wel eens met enkele aspekten van het onderwerp in aanraking geweest kan zijn, terwijl men in een dergelijke studie in eens van alle kanten de zaak belicht vindt. Over alles van dit onderwerp vindt men in het onderhavige boek wel enkele regels. Dat is op zichzelf een zeer verdienstelijke zaak. Maar laat ik eerst beginnen met een kort overzicht te geven van de inhoud om daar na mijn indruk samen te vatten.

1. De inhoud.

De funktie van de kerk

Het boek is verdeeld in drieën. De auteur begint met een verkenning van de funktie van de kerk in de samenleving. Deze funktie is een dienende. Uit allerlei teksten met name uit het Nieuwe Testament maakt hij duidelijk, dat de kerk heeft te dienen. Die dienst is Koninkrijksdienst, maar raakt tegelijk de mens en de samenleving. De Bijbel maakt duidelijk, dat deze dienst alleen verricht kan worden door het ontvangen van de Heilige Geest.

Deze dienst is wezenlijk voor het gemeente-zijn. Dan komen al de vragen in het zicht, die de laatste jaren besproken zijn rondom de apostolaatsgedachte in de Ned. Herv. Kerk. Het zou een blikverenging betekenen wanneer men deze dienst alleen op de broeders gericht dacht te zijn. We moeten, stelt de auteur met dr. H. Kraemer, minder kerk-centrische en meer wereld-centrisch denken. Daarom moeten we er oog voor hebben, dat ook de samenlevingsverbanden onder de heerschappij van Jezus Christus vallen. Deze dienst is niet maar een funktie, doch de wezenlijke funktie en daarmee het wezen van de kerk.

Kerk-zijn is dienst doen. De kerk is er terwille van het Rijk Gods en dus terwille van de wereld.

Deze dienst moet een getuigend karakter dragen en daarom niet alleen in woorden bestaan. De prediking blijft van wezenlijk belang ook in de postpersonale tijd. Maar er is meer: de dienst van de kerk moet zich ook voltrekken in de politieke, maatschappelijke en culturele werkelijkheid. Daar waar de woordverkondiging praktisch onmogelijk is geworden, moet er een demonstratie, een pantomime van het heil aan vooraf gaan.

Jezus Christus heeft tot deze dienst het grote voorbeeld gegeven. Hij heeft zich zelf verloochend, zich met de zijnen geidentificeerd en de totaliteit en de eenheid van de mens op het oog gehad.

Het voorwerp van deze dienst is de zondaar, die als verlorene gezocht wordt, op het oog moeten hebben.

Deze dienst moet antwoorden op de vragen, die vanuit de wereld tot de kerk komen. De kerk zal in haar dienst een overtuigende demonstratie moeten geven van Christus’ solidariteit met de wereld. Daarom is deze dienst een teken van het Koninkrijk Gods en van de helende kracht van het Koninkrijk. De kerk moet solidair zijn en in de nood gaan staan en het bestaan leefbaar maken en tot waarachtige gemeenschap komen. Daarom heeft de dienst ook altijd twee gezichtspunten, die van de prediking en die van de gemeenschapsvorming en -beleving.

De dienstverlening kan nooit alleen vanuit het instituut verricht worden. Dan zou de kerk op één lijn staan met andere sociale instellingen. Het instituut kerk is noodzakelijk om de kerk haar dienst te doen verrichten aan de Here, het Koninkrijk en de naaste. Van deze dienst der kerk zijn de gewone gemeenteleden evenzeer het onderwerp als de ambtsdragers. Er mag geen onderscheid tussen leken en geestelijken zijn. Het bijzondere ambt is er alleen om de gelovigen te helpen hun dienst aan de wereld te vervullen.

Het doel van de dienst is getuigenis te geven van Christus’ liefde, en dat in woord en daad. En deze liefde moet gestalte aannemen in de samenlevingsverbanden, zodat er een demonstratie gegeven wordt van Christus’ solidariteit met de wereld. Gevolg daarvan zal zijn de hulp aan de medemens, zijn bekering en de kerstening van het leven.

De arbeider en zijn groep.

Het tweede hoofdstuk is gewijd aan een onderzoek van de arbeider en zijn groep. De auteur geeft van de industrie-arbeider enkele karakteristieke trekken: In de arbeidersgroep heerst een sterk solidariteitsgevoel. Dat heeft voordelen. De vakbeweging heeft getracht de gunstige kanten hiervan te benutten. Er zijn ook nadelen aan verbonden. Men wordt spoedig een machtsgroep. Dit zou betekenen een demonisering van de solidariteit. Dan zou de eenzaamheid ondanks de groepsverbondenheid steeds groter worden en de geestelijke nood toenemen.

Verder is kenmerkend het afhankelijkheidsgevoel, dat te verklaren is uit de ontwikkeling van de grootindustrie. Verder is er de behoefte om gewaardeerd te worden. Men wil geaccepteerd worden om wat men is en wat men doet, en niet om zijn funktie. Verder schrijft dr. de Vries uitvoerig over de invloed van het bedrijf op de werknemer, zijn kijk op de arbeid en de betekenis van het gezin voor zijn houding tegenover het werk. Ook in al deze zaken heeft de kerk voor verbetering van omstandigheden en instellingen te strijden, opdat de leefbaarheid van het bestaan bevorderd worde.

Juist hierin moet de kerk erkennen, dat ze gefaald heeft. Ze is er niet op afgestemd geweest. Zij heeft de arbeider niet opgevangen, mede doordat de prediking te eenzijdig geweest is. Er is geen gemeenschap gevormd, waaraan juist de industrie-arbeider zo grote behoefte heeft. Er is in zijn pantsering tegenover het evangelie wel een opening, maar de kerk heeft die door een individualistische en rationalistische prediking niet weten te vinden.

Dienst van de kerk.

We komen nu tot de konkrete voorstellen van de auteur. De dienst van de kerk moet door de gelovigen zelf worden verricht. Het instituut is hierbij niet onbelangrijk, maar wel ondergeschikt aan de grote opdracht. Het ambt aller gelovigen heeft zich niet onbetuigd gelaten, zoals blijkt uit de christelijke organisaties. Met name de christelijke arbeidersbeweging heeft hier goed werk gedaan, maar het materiële is naar voren gekomen, terwijl het geestelijke op de achtergrond is geraakt. Maar overigens is dit ambt te kort geschoten, omdat de kerk haar leden niet tot de dienst-verlening heeft toegerust. Dat moet weer geschieden.

Dan moeten er bedrijfskernen gevormd worden, waarin de medemenselijkheid beleefd kan worden. Daarbij heeft de kerk als instituut zich zoveel mogelijk te onthouden. Zij moet haar leden tot deze dienst „instrumenteren” en stimuleren. De industriepredikant heeft zich hiermee eigenlijk niet te bemoeien. Hij moet hoogstens de stimulator op de achtergrond zijn. Hetzelfde geldt van de industrie-ouderling. Deze moet samen met de predikant een studieverband vormen.

De prediking moet vrucht zijn van teamwork, d.w.z. ze moet voorbereid worden door een gesprek met gemeenteleden over het probleem van de tekst. De opleiding van predikanten moet in deze richting worden omgebogen en bij het catachetisch onderwijs moeten de jongelui worden voorbereid op hun latere taak. Verder moeten de ouderlingen geinstrueerd worden, zodat ze komen tot een bepaalde beleidslijn voor het huisbezoek. De vrouwen van de ploegenarbeiders moeten bezocht worden en verschillende leden uit een bedrijf moeten met elkaar in kontakt gebracht worden.

De leden van de bedrijfskernen moeten telkens met hun vrouwen bij elkaar komen. Dan moet er gesproken worden over de bedrijfsproblemen.

Intermezzo.

Men kan zich afvragen wat het nut is van deze vrij brede weergave van het voornaamste uit het proefschrift van dr. de Vries. Waarom nemen we zoveel van de ruimte van ons blad in beslag? Zijn er geen belangrijker zaken?

Nu wil ik direkt toegeven, dat dit probleem niet in alle gemeenten en dus voor alle ambtsdragers even urgent is. Er vindt wel een verstedelijking van het platteland plaats, maar daarom heeft men nog niet overal met de grootindustrie te maken.

Anderzijds gaat dit onderwerp steeds groter rol spelen en zal het ook de aandacht van onze kerkeraden vragen. Nu er dan van gereformeerde zijde een proefschrift over verscheen, leek het me nuttig daaraan meer aandacht te besteden dan in een gewone recensie geschiedt.

Daar heb ik nog een andere reden voor. We komen namelijk in dit boek een bepaalde tendens tegen, die ik zeer beslist wil afwijzen. Er wordt hier gesproken over de kerk en haar wezen op een wijze, die me bezijden het getuigenis van het N.T. lijkt te zijn. We moeten dat signaleren. Vanuit deze kerkbeschouwing wordt een stuk praktisch werk opgezet Als men de principiële grondslagen afwijst, is het de vraag of men met de rest van het betoog mee kan gaan. Alszodanig is het in dit boek geponeerde een teken van de verschuiving, die in de gereformeerde theologie bezig is zich te voltrekken. Mede daarom is het goed, dat we er aandacht aan geven.

2. Kritische bezinning.

Het kerkbegrip.

Het eerste bezwaar, dat we tegen dit boek hebben geldt het kerkbegrip. Dr. de Vries heeft overal vandaan de citaten bij elkaar gehaald en ons de schotel van de moderne apostolaatstheologie voorgezet. Uitgerekend aan de Vrije Unieversiteit wordt dit proefschrift verdedigd, waar mee de denkbeelden van dr. H. Kraemer, dr. J. C. Hoekendijk en anderen de veste van de gereformeerde theologie worden binnengehaald.

We kunnen die visie beslist niet delen. Het is ten enen male met het N.T. in strijd, dat het wezen van de kerk zou bestaan in de opdracht tot dienst. Het wezen van de Kerk is, dat zij het nieuwe volk Gods is, het lichaam van Christus. En pas van daaruit komt de opdracht van de kerk in het gezichtsveld. Men kan dit standpunt niet alleen verdedigd vinden in het door de auteur meermalen aangehaalde werk van dr. Herman Ridderbos, De komst van het Koninkrijk. Waarom uit dat boek wel andere dingen geciteerd, maar dit zo wezenlijke punt onaangeroerd gelaten? Maar bovendien wordt op dit standpunt ook kritiek geoefend door niemand minder dan de Leidse hoogleraar dr. G. Sevenster in zijn artikel in de feestbundel voor Miskotte Woord en Wereld. Wegens plaatsgebrek, vervolg in het april-nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.