+ Meer informatie

Generale synode van Amersfoort 1980

35 minuten leestijd

Voor de negende maal verschijnt het „Besluitenboekje” dat sinds 1956 de kerken informeert omtrent de besluiten die de laatst gehouden generale synode heeft genomen. Voor de zesde maal wordt een overdruk van dit boekje in ons blad opgenomen. Het gaat nu om de besluiten van de generale synode die enkele maanden geleden in Amersfoort werd gehouden.

Het is voor de goede functionering van het kerkelijk leven van grote betekenis dat synodale besluiten ten spoedigste ter kennis van de kerkeraden worden gebracht. Natuurlijk is het ook mogelijk dat te doen via de Acta van de synode die volgens traditie van meer dan vier eeuwen ook nu binnen afzienbare tijd zullen verschijnen, dank zij de inzet van de scribae synodi. En wie argumenten en achtergronden wil weten, kan die Acta zeker niet missen.

Maar tenzij de kerkeraad voor ieder lid een exemplaar bestelt - op zichzelf een zeer goede en nuttige zaak die alleszins aanbeveling verdient! -, in de praktijk blijkt het niet haalbaar dat ieder kerkeraadslid het enige exemplaar dat zonder meer aan elke kerkeraad wordt toegezonden, leest.

Het „laten circuleren” van een boekwerk als de Acta nu eenmaal zijn, heeft doorgaans geen zin. Ze bieden geen lectuur die even onder het koffiedrinken verwerkt kan worden. Het resultaat van „laten circuleren” is dan meestal dat de Acta voor het kerkeraadsarchief verloren gaan omdat ze „ergens” blijven „hangen”!

Wie wel eens oude Acta - vroeger ook „Handelingen” genoemd - bij de antiquarische boekhandel heeft gekocht, weet dat de aanduiding „kerkeraadsexemplaar” (of iets dergelijks) op het kaft, geen uitzondering is!

De uitgave van een „Besluitenboekje” dient niet alleen de „spoed” om de kerkeraden te informeren, maar „overdruk” ervan via Ambtelijk Contact dient tevens het ideaal dat àlle kerkeraadsleden kennis kunnen nemen van wat de synode besloot, zij het in beperkte omvang, zonder argumenten enz. Informatie omtrent de besluitvorming enz. is in het bestek van Besluitenboekje resp. een AC-nummer niet mogelijk. Daarvoor blijft men dus op de Acta aangewezen.

De redactie dankt de scribae synodi voor hun medewerking de lezers van Ambtelijk Contact op deze wijze met een overdruk van het Besluitenboekje te dienen.

A. Kerkorde

1. Artikel 4.

De synode besloot artikel 4 sub 3 A derde zin als volgt te lezen:

Nadat de classis afzonderlijk het door haar gevraagde testimonium van het college van hoogleraren van de Theologische Hogeschool met betrekking tot leer en leven van de examinandus, alsmede de getuigschriften van de kerkeraad(aden) onder wiens (wier) opzicht hij tijdens zijn studie stond (staat), en de door hem over te leggen beroepsbrief en verklaring van aanneming, alsmede het bewijs van de goede uitslag van het kandidaatsexamen en de verklaring van de beroepbaarstelling heeft onderzocht, houdt de kandidaat een korte preek over een tekst hem veertien dagen tevoren namens de classis opgegeven.

2. Artikel 6.

De synode besloot artikel 6 sub 1 b en c als volgt te lezen:

b. dat deze arbeid uitsluitend kan worden verricht in opdracht en onder verantwoordelijkheid van één of meer kerken, zulks te regelen in overleg met het deputaatschap waaronder deze arbeid ressorteert en na goedkeuring van de classis; in geval van beroeping tot de bijzondere arbeid van het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke scholen, zal deze beroeping niet plaatsvinden dan na overleg met en advies van deputaten voor kerk en onderwijs; in geval van beroeping tot de bijzondere arbeid van het pasto-raat in ziekenhuizen, verpleeghuizen, bejaardentehuizen en dergelijke zal deze beroeping plaatsvinden na overleg met en advies van deputaten voor de geestelijke verzorging van gehandicapten en behartiging van het ziekenhuispastoraat;

c. dat de dienaar des Woords verplicht is op geregelde tijden schriftelijk rapport uit te brengen van zijn werk waarvan de kerkeraad afschrift zendt aan betrokken deputaten.

3. Artikel 84.

De synode besloot aan artikel 84 de volgende bepalingen toe te voegen:

Een plaatselijke kerk kan in en buiten rechte vertegenwoordigd worden door twee of meer leden van de kerkeraad dan wel door twee of meer andere personen - in beide gevallen met schriftelijke machtiging van de volledige kerkeraad.

B. Algemeen kerkelijke zaken

1. Emeritaat.

De synode besloot:

a. het door de generale synode 1965/66 aanvaarde systeem om de uitkeringen uit de emeritikas te koppelen aan het door deputaten voor financiële zaken vast te stellen minimumtraktement van predikanten met tien dienstjaren, voor de jaren 1981, 1982 en 1983 te handhaven;

b. voor de berekeningen van de uitkeringen aan emeriti-predikanten en predikantsweduwen het AOW/AWW-bestanddeel te verlagen van 100 tot 80 procent ingaande 1 januari 1981;

c. met ingang van de onder b genoemde datum de uitkeringspercentages voor weduwen zonder kinderen en weduwen met één kind te verlagen van respectievelijk 70 en 80 tot achtereenvolgens 61 en 73 en de uitkeringspercentages voor emeriti-predikanten en weduwen met twee of meer kinderen te handhaven op 85;

d. omdat de onder c genoemde percentages van 61 en 73 voor de weduwe zonder kinderen respectievelijk met één kind tot lagere uitkeringen zouden leiden, wordt over de jaren 1981, 1982 en 1983 een toelage verstrekt van minimaal f. 660,-- per jaar;

e. vanaf 1 januari 1981 aan een emerituspredikant beneden de leeftijd van 65 jaar die al of niet een AAW-uitkering geniet, een zodanige uitkering uit de kas te verlenen dat deze te zamen met zijn eventuele AAW-uitkering gelijk is aan de som van 85 procent van het basistraktement plus 20 procent van de AOW-uitkering die de predikant zou hebben genoten als hij reeds 65 jaar zou zijn geweest;

f. het percentage voor de berekening van de minimumbijdrage vast te stellen op 21,5;

g. deputaten op te dragen de uitkeringsgrondslag opnieuw te bezien en daarbij in het bijzonder te betrekken de emolumenten welke dienstdoende predikanten over het algemeen genieten en over het resultaat van hun onderzoek aan de volgende synode te rapporteren;

h. bij overlijden van een emerituspredikant, een predikantsweduwe of een volle wees van een predikant de uitkeringen nog te betalen over de twee maanden volgende op de maand van overlijden.

2. Studiefonds.

De synode besloot:

a. uit te spreken dat de gelden die gegeven zijn voor het studiefonds van de Theologische Hogeschool voor dit doel bestemd dienen te blijven;

b. deputaten-financieel Theologische Hogeschool op te dragen deze gelden te beheren;

c. aan deputaten-financieel Theologische Hogeschool één of twee deputaten als adviseurs van deze deputaten toe te voegen voor die zaken die betrekking hebben op de toekenning van studietoelagen aan studenten;

d. als richtlijn voor de uitvoering van hun opdracht ten aanzien van toekenning studietoelagen het volgende reglement te aanvaarden:

Artikel 1.

Ter uitvoering van het bepaalde bij artikel 19 van de kerkorde onderhouden de Christelijke Gereformeerde Kerken een studiefonds waaruit aan studenten van de Theologische Hogeschool en leerlingen in de voorbereidende opleiding studietoelagen verstrekt kunnen worden.

Artikel 2.

Het beheer van dit studiefonds wordt opgedragen aan de deputaten voor het financieel beheer van de Theologische Hogeschool der Christelijke Gereformeerde Kerken, welke door de generale synode tot dit beheer worden gemachtigd en geinstrueerd en aan haar van al hun handelingen verantwoording schuldig zijn.

Artikel 3.

Het curatorium zal, indien het iemand tot de studie aan de Theologische Hogeschool of tot voorbereidende opleiding toelaat die niet in aanmerking komt voor het ontvangen van een rijkssubsidietoelage, hiervan mededeling doen aan de deputaten voor het financieel beheer van de Theologische Hogeschool. Deze deputaten attenderen dan degene die tot de studie werd toegelaten op de mogelijkheid om, indien nodig, een verzoek bij hen te doen om een toelage uit het studiefonds te mogen ontvangen.

Artikel 4.

Deputaten kunnen ten aanzien van hem die zulk een verzoek heeft ingediend, een attest vragen van een arts, echter niet zijn huisarts.

Artikel 5.

Deputaten zullen bij de ouders of voogden van hen die een studietoelage aanvragen - indien deze minderjarig zijn - en bij henzelf - indien zij meerderjarig zijn - een onderzoek instellen naar hun financiële draagkracht. Op grond van de resultaten van dit onderzoek zullen deputaten vaststellen of en in hoeverre aan de aanvraag voldaan moet worden.

Artikel 6.

Wanneer het proefjaar beëindigd is, laten deputaten degenen die een studietoelage ontvangen - of voor de tijd dat zij minderjarig zijn hun ouders of voogden - een verklaring tekenen waarbij de ondertekenaars zich verplichten alle door hen ontvangen of nog te ontvangen studietoelagen terug te betalen, indien de betrokken studenten of leerlingen zonder geldige redenen de Theologische Hogeschool of de voorbereidende opleiding verlaten of door het curatorium daarvan worden verwijderd, of later met het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken breken.

Artikel 7.

Ieder jaar zullen deputaten na een vernieuwde aanvrage van de student of leerling, gehoord het advies van het curatorium in verband met het verloop van zijn studie en met zijn levensgedrag, voor één jaar de toelage opnieuw vaststellen. Artikel 8.

Deputaten zullen op iedere generale synode een schriftelijk verslag uitbrengen van hun werkzaamheden, voor het studiefonds verricht.

e. deputaten op te dragen alles te doen wat nodig is voor de afwikkeling van de zaken van dit deputaatschap en het beheer van de gelden van het studiefonds over te dragen aan deputaten-financieel beheer van de Theologische Hogeschool.

3. Theologische Hogeschool.

De synode besloot:

a. goedkeuring te hechten aan de benoeming van dr. T. Brienen, drs. W. van Heest, drs. Joh. Kruis, drs. J.W. Maris en drs. R.W.J. Soeters tot wetenschappelijke medewerkers aan de Theologische Hogeschool;

b. bij de benoeming van wetenschappelijke medewerkers een wederzijdse opzegtermijn van drie maanden te bepalen;

c. het curatorium mandaat te geven om te werken in de richting van een lerarenopleiding in de vorm van een zgn. lerarenvariant: doctoraalstudie met een eigen hoofdvak, waarnaast als bijvak paedagogiek, didactiek en methodiek van het godsdienstonderwijs met practica binnen de diaconiologische theologie wordt gedaan;

(Voor de paedagogische en didactische studie èn praktische vorming worde ongeveer een duur van acht maanden uitgetrokken).

d. niet over te gaan tot het creëren van een stageperiode;

e. het curatorium of het college van hoogleraren op te dragen zich, nadat een beroepbaargestelde kandidaat een beroep heeft aangenomen, tot de desbetreffende classis te wenden met het verzoek een ervaren dienaar des Woords aan te wijzen met de opdracht zich beschikbaar te stellen zijn jonge collega gedurende een bepaalde periode te begeleiden zodat deze zijn praktisch handelen kan spiegelen aan de kennis en ervaring van zijn oudere broeder.

4. Evangelisatie.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen zich te bezinnen op de positie van de evangelist in de kerk en daarover te rapporteren op de volgende generale synode;

b. in verband met het evangelisatiewerk in België een synodale commissie te benoemen.

5. Buitenlandse zending.

De synode besloot:

a. goedkeuring te verlenen aan de keuze van het nieuwe zendingsterrein in Ndebele;

b. de machtiging van de synode van Hoogeveen inzake het blijven zoeken naar een nieuw zendingsterrein (Acta 1977, art. 72 sub 10) te verlengen; dit nieuwe terrein zou nu bij voorkeur buiten Zuid-Afrika te zoeken zijn;

c. opdracht te verlenen tot een onderzoek onder welke voorwaarden deputaten mogen en kunnen samenwerken met particuliere zendingsinstanties en mandaat te verlenen om in incidentele zeer bijzondere gevallen hulp te bieden, voor zover mogelijk en verantwoord;

d. de participatie in de „Stichting voor verbreiding van het Evangelie onder Moslims in Nederland” goed te keuren en te besluiten dat de verantwoordelijkheid voor dit werk geheel valt onder deputaten voor evangelisatie; tegelijk de kerken op te wekken daarvoor extra middelen beschikbaar te stellen aan dit deputaatschap;

e. deputaten op te dragen indien enigszins mogelijk voort te gaan met het deelproject van de bijbelactie.

6. Evangelieverkondiging onder Israël.

De synode besloot:

a. uit te spreken dat het afgeven van een doopbewijs uitsluitend een kerkelijk doel dient en derhalve alleen mag geschieden op verzoek van een kerkgemeenschap en niet om te fungeren als een soort „niet-jood-verklaring”, welk besluit ter kennis zal worden gebracht bij het Opperrabbinaat in Nederland bij wijze van solidariteitsverklaring met het volk Israël;

b. geen toestemming te geven tot het aantrekken van een vrijgestelde;

c. deputaten opdracht te geven een broederlijk contact met ds. P. den Butter te onderhouden en in hun uitzien naar een eventuele werker in Israël ook ds. Den Butter te betrekken zoals in 1977 is besloten, zie art. 127 ad I Acta G.S.

7. Algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen van verdere participatie in de stichting G.S.A. af te zien en deze beslissing met vermelding van de overwegingen aan de stichting G.S.A. kenbaar te maken;

b. deputaten op te dragen:

1. nu met des te meer inzet zich te bezinnen op de roeping die de kerk ten aanzien van de samenleving heeft;

2. de kerken van voorlichting en advies in dezen te dienen;

3. bij het vervullen van bovenstaande opdracht contact te zoeken c.q. te onderhouden met instanties die vanuit gereformeerd belijden op maatschappelijk en sociaal terrein werkzaam zijn;

4. zo mogelijk in samenwerking als onder 3 bedoeld te zoeken naar middelen en wegen om vanuit de gereformeerde levensovertuiging contact te leggen met de overheid of overheidsorganen;

c. deputaten te machtigen ten aanzien van het verzwaarde takenpakket in overleg met deputaten financiële zaken een goede regeling te treffen;

d. artikel 3 van de instructie als volgt te wijzigen:

het geven van voorlichting inzake de plaats van de kerk in de samenleving.

8. Kerk en bedrijfsleven.

De synode besloot tot het instellen van een nieuw deputaatschap voor kerk en bedrijfsleven. Voor dit nieuwe deputaatschap werd de volgende instructie vastgesteld:

Artikel 1.

In onze tijd met zijn toenemende industrialisatie en de daarmee gepaard gaande veranderingen in denk- en leefwijze behoort het tot de taak van de kerk haar leden ook met het oog hierop pastoraal en diaconaal te begeleiden.

Artikel 2.

Voor de bezinning op de vragen rond de industrialisatie en de industriële maatschappij en voor handreiking aan de kerken bij de uitvoering van hun pastorale en diaconale taak in dezen benoemt de generale synode minstens vijf deputaten, van wie één ook ADMA-deputaat is en één ook evangelisatie-deputaat.

Artikel 3.

Deputaten zijn bevoegd zich te laten bijstaan door adviseurs.

Artikel 4.

Deputaten hebben tot taak:

1. zich te bezinnen op de vragen en de consequenties van het kerk- en christen-zijn in een industriële samenleving;

2. de resultaten daarvan aan de kerken door te geven opdat binnen de kerken aandacht gegeven worde aan deze problematiek;

3. desgevraagd kerken te adviseren met betrekking tot de vragen rondom kerk en bedrijfsleven;

4. de kerken te vertegenwoordigen in kerkelijke en maatschappelijke organisaties welke zich bezighouden met de vragen van kerk en bedrijfsleven;

5. het onderhouden van contacten met andere deputaatschappen binnen onze kerken (met name ADMA-deputaten en evangelisatie-deputaten) betreffende die aspecten van het werk die ook die andere deputaatschappen raken;

6. het eventueel verlenen van financiële steun aan kerkeraden dan wel samenwerkende kerkeraden die een industriepredikant willen beroepen en daarvoor zelf niet over voldoende middelen beschikken;

7. kerkeraden eventueel te stimuleren tot het beroepen, en met raad en daad bij te staan inzake het beroepen en begeleiden van een industriepredikant;

8. het begeleiden en adviseren van de industriepredikanten;

9. van hun werkzaamheden verslag uit te brengen aan de generale synode.

Artikel 5.

Wanneer een plaatselijke kerk voornemens is met financiële steun van de deputaten kerk en bedrijfsleven een industriepredikant te beroepen, zal er tussen de desbetreffende kerkeraad en de deputaten een overeenkomst worden gesloten waarin in elk geval wordt bepaald:

a. dat de kerkeraad tot het beroepen van een predikant slechts zal overgaan na voorafgaand overleg met en verkregen instemming van deputaten en met inachtneming van de door deputaten gestelde voorwaarden en bepalingen;

b. dat de kerkeraad in overleg met en onder goedkeuring van deputaten de werkzaamheden van de industriepredikant per instructie zal vaststellen;

c. dat de kerkeraad aan deputaten het recht toekent zich desgewenst rechtstreeks tot de industriepredikant te wenden voor het verkrijgen van informaties betreffende zijn werk respectievelijk hem op hun vergaderingen uit te nodigen ter mondelinge bespreking daarvan, uiteraard met inachtneming van de bevoegdheden en eventueel getroffen regelingen van de kerkeraad;

d. dat de kerkeraad eens per half jaar aan deputaten zal rapporteren over alle zaken die het industriepastoraat betreffen, onder overlegging van de rapporten van de industriepredikant;

e. dat deputaten de kerkeraden financiële steun zullen verlenen naar een van tevoren gezamenlijk op te maken plan;

f. dat de kerkeraad aan deputaten op hun verzoek maar in ieder geval jaarlijks verantwoording zal doen van de financiën betreffende het industriepastoraat.

Wanneer een aantal genabuurde kerken te zamen een industriepredikant aanstelt, geldt datgene wat onder a-f bepaald is ten aanzien van de kerkeraad uiteraard op gelijke wijze voor deze samenwerkende kerkeraden.

Artikel 6.

De benodigde gelden worden verkregen uit de bijdragen van de kerken - door de generale synode vast te stellen - giften, schenkingen, erfstellingen en legaten.

Artikel 7.

Deputaten zijn krachtens artikel 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot:

1. het in ontvangst nemen van gelden waaronder legaten en erfstellingen;

2. het verrichten van betalingen.

Artikel 8.

Het beheer van de geldmiddelen is toevertrouwd aan de penningmeester van deputaten. Hij ontvangt zijn instructie van deputaten en doet alleen op hun last uitbetalingen.

9. Contact met de kerkjeugd.

De synode besloot:

a. een dringend beroep te doen op alle kerken en op allen die bij het jeugdwerk in onze kerken betrokken zijn in verootmoediging voor God elkaar te vinden, zo elkaar te aanvaarden en van hieruit, zonder aan de verscheidenheid geweld te doen, de onderlinge eendracht zoveel mogelijk samen te zoeken, te bewaren en te versterken en alles na te laten wat dit zou kunnen schaden;

b. de jeugdorganisatie met nadruk te wijzen op de verantwoordelijkheid die zij naar het Woord van God heeft, om in het leiding geven aan en in het organiseren van het jeugdwerk haar taak zodanig te vervullen dat noch aan het beginsel noch aan de eenheid van onze kerken schade wordt gedaan, maar dat deze op positieve wijze zullen worden gediend;

c. deputaten op te dragen naar hun opdracht en naar hun bevoegdheid (zie instructie art. 3a en 5a) al het mogelijke te doen dat het onder b genoemde in praktijk wordt gebracht;

d. alle kerken erop te wijzen het jeugdwerk in zijn breedste zin en in organisatorisch verband met liefde en zorg te omringen en het jeugdsteunfonds te blijven steunen;

e. deputaten op te dragen het onder a tot en met d genoemde aan de kerken en de jeugdorganisatie schriftelijk mee te delen met een korte weergave van het daarop betrekking hebbend rapport;

f. deputaten op te dragen in overleg met de C.G.J.O. een nader onderzoek in te stellen naar de leef- en denkwereld van de jongeren in onze kerken en mee daartoe regionale jeugdconferenties te beleggen en daarover de kerken voor te lichten.

10. Kerk en onderwijs.

De synode besloot deputaten op te dragen:

a. voort te gaan met hun pogingen behalve ontmoetingsdagen ook regionale samenkomsten te organiseren en doen organiseren van hen die op enigerlei wijze bij het onderwijs zijn betrokken;

b. de kerken zo regelmatig mogelijk te informeren over de ontwikkelingen in het christelijk onderwijs.

11. Steun kerken polders.

De synode besloot voor deputaten de volgende Regeling vast te stellen:

Artikel 1.

Het deputaatschap bestaat uit zeven leden.

Artikel 2.

De generale synode benoemt de voorzitter, de secretaris en de penningmeester alsmede hun secundi; iedere particuliere synode benoemt één deputaat met een secundus.

Artikel 3.

Het werkterrein ligt in het gebied van de nieuwe polders rond het IJsselmeer.

Artikel 4.

De taak van deputaten is:

a. het doen opvangen van leden die zich in de nieuwe polders vestigen;

b. het stimuleren van en financiële steun geven aan gemeentevorming en kerk- en/of pastoriebouw;

c. ernaar te streven dat de nieuw gevormde gemeenten zo spoedig mogelijk financieel zelfstandig worden;

d. evangelisatiewerk te doen verrichten onder hen die aan het tot standkomen van de nieuwe polders arbeiden en hen die zich in de nieuwe polders vestigen.

Artikel 5.

Deputaten kunnen deze arbeid (doen) verrichten:

a. door middel van samenwerking met een plaatselijke kerk, met welke bedoelde arbeid geheel of gedeeltelijk kan worden verricht;

b. door middel van een overeenkomst met één of meer kerken waar een nauwere vorm van samenleven wordt gevonden, conform de regels genoemd in de kerkorde onder bijlage 9;

c. door gebruik te maken van de diensten van een werker c.q. van een predikant die in dat geval naar het beginsel van art. 6 K.O. aan een gemeente verbonden blijft.

Artikel 6.

Wanneer een plaatselijke kerk voornemens of bereid is met financiële steun van deputaten een predikant te beroepen met de bijzondere opdracht tot gemeentevorming en gemeenteopbouw in de nieuwe polders rond het I Jsselmeer, zal er met inachtneming van de instructie van deputaten tussen de betrokken kerkeraad en deputaten een overeenkomst worden gesloten waarin o.a. wordt bepaald:

a. dat de kerkeraad tot het beroepen van een predikant met deze bijzondere opdracht slechts zal overgaan na voorafgaand overleg en verkregen instemming van deputaten;

b. dat de kerkeraad in overleg met deputaten de beroepsbrief zal vaststellen;

c. dat de kerkeraad op gezette tijden aan deputaten zal rapporteren over de voortgang van het werk onder overlegging van de rapporten van de predikant;

d. dat de kerkeraad aan deputaten het recht toekent rechtstreeks met de predikant in contact te treden voor informatie over en bespreking van zijn werk, uiteraard met inachtneming van de bevoegdheden en eventueel getroffen regelingen van de kerkeraad;

e. dat het verlenen van financiële steun door deputaten zal geschieden volgens een van te voren gezamenlijk te treffen regeling;

f. dat de kerkeraad jaarlijks aan deputaten verantwoording zal doen van de financiën betreffende de hier bedoelde arbeid.

Artikel 7.

Een predikant die voor deze arbeid beroepen is, zal zich zo dicht mogelijk bij zijn werkterrein vestigen of binnen die gemeente met welke door deputaten wordt samengewerkt.

Artikel 8.

De kosten van de arbeid worden door deputaten gedragen; bij samenwerking als genoemd onder art. 5 a en b zullen de kosten naar rato verdeeld worden over deputaten en de medeparticiperende kerk (en).

Artikel 9.

Indien naar artikel 5 a en b wordt samengewerkt zullen alle beleidsbeslissingen ten opzichte van het werkterrein alleen in een gezamenlijke vergadering van deputaten en samenwerkende kerk(en) worden genomen. Hierbij zal gestreefd worden naar maximale voorkennis en instemming van de leden van de gemeente - in - wording.

Artikel 10.

Het moment van het volledig zelfstandig worden als bedoeld in artikel 4c van een uit deze arbeid voortkomende plaatselijke kerk betekent voor de aangestelde predikant de beëindiging van de dienst in samenwerking met deputaten. Indien deputaten dit nodig achten kan bedoelde predikant, zo hij dit wenst, ingezet worden op een ander werkterrein.

Artikel 11.

Die leden der kerken die zich vestigen op het werkterrein vormen een wijkgemeente van de kerk van waaruit de arbeid wordt verricht. Wanneer een dergelijke wijkgemeente als zelfstandige gemeente wordt geinstitueerd, zal zij ressorteren onder de geografisch dichtstbijzijnde classis.

Artikel 12.

De benodigde gelden worden verkregen uit de opbrengst van bijdragen van kerken, giften, schenkingen, erfstellingen en legaten.

Artikel 13.

Deputaten zijn krachtens artikel 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot:

a. het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen;

b. het verrichten van betalingen.

Artikel 14.

Deputaten brengen van hun algemeen en financieel beleid jaarlijks verslag uit aan de particuliere synoden en eenmaal in de drie jaar aan de generale synode.

12. Geestelijke verzorging varenden.

De synode besloot de twee deputaatschappen voor de ambtelijke bearbeiding van de schippers en de geestelijke verzorging van zeevarenden te fuseren en het nieuwe deputaatschap de naam te geven van „deputaten voor de geestelijke verzorging van va-renden”.

Voor dit nieuwe deputaatschap geldt de volgende instructie:

Artikel 1.

De generale synode benoemt deputaten voor de geestelijke verzorging van varenden.

Artikel 2.

Het getal van deputaten is minstens zes.

Artikel 3.

Deputaten kunnen aan hun college een drietal varenden, zo mogelijk ambtsdragers, als adviseurs toevoegen.

Artikel 4.

De taak van deputaten is:

a. de kerkeraden te stimuleren de geestelijke verzorging van de varende leden en hun gezinnen getrouw waar te nemen;

b. de kerkeraden op te wekken huisbezoek te doen bij de varenden in de binnenvaart; en van dit ambtelijk bezoek aantekening te doen op de schippersattestatie van het desbetreffende gezin en kennis te geven aan de kerkeraad van de gemeente waaronder het betrokken gezin ressorteert;

c. de kerkeraden te verzoeken namen en adressen van varende leden door te geven opdat deputaten een kaartsysteem kunnen bijhouden waarin deze namen en adressen zijn opgenomen;

d. de kerken alle nodige steun te bieden bij het zenden van geschikte lectuur aan varende leden;

e. kerkeraden die een predikant beroepen voor de ambtelijke bearbeiding van varenden in dezen van advies te dienen, zo nodig met hen samen te werken en hen financieel te steunen volgens een daartoe gemaakte overeenkomst;

f. contact te onderhouden met en zo nodig samen te werken met andere kerken of instanties die op één of andere wijze de geestelijke verzorging van varenden ter hand hebben genomen.

Artikel 5.

De met het oog op het bepaalde in artikel 4 sub e benodigde gelden worden verkregen uit giften, schenkingen, erflatingen, collecten e.d. Indien nodig mogen deputaten aan de kerken een collecte vragen.

Artikel 6.

Deputaten zijn naar artikel 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot:

a. het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen;

b. het verrichten van betalingen.

Artikel 7.

Deputaten zijn van al hun handelingen verantwoording schuldig aan de generale synode.

13. Geestelijke verzorging militairen.

De synode besloot contact aan te gaan met de Nederlandse Protestantse Gemeente te Zeven/Seedorf, en dit contact te laten onderhouden door de deputaten voorde geestelijke verzorging van de militairen.

14. Geestelijke verzorging gehandicapten en ziekenhuispastoraat.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen zich te bezinnen op de theologisch-ethisch-medische vragen die zich op het terrein van de gehandicapten- en ziekenzorg voordoen en daarover een volgende synode te rapporteren;

b. de naam van het deputaatschap te wijzigen in: deputaten voor geestelijke verzorging van gehandicapten en behartiging van het ziekenhuispastoraat.

15. Kerk en recreatie.

De synode besloot deputaten op te dragen:

a. voort te gaan met de bezinning inzake de problematiek van kerk en recreatie en over de resultaten daarvan de kerken tijdig in te lichten;

b. mogelijkheden aan te wijzen ten dienste van de pastorale begeleiding van recreanten vanuit de thuisgemeente en de ontvangende gemeente.

16. Raad voor contact en overleg betreffende de bijbel (R.C.O.B.).

De synode besloot niet meer te participeren in deze raad.

17. Radio-kerkdienstuitzendingen.

De synode besloot deputaten te verzoeken zich nader te bezinnen op de mogelijkheden van voortgaande nazorg ten aanzien van hen die reageren op radio- en t.v.-uitzendingen, en daarover de kerken die het verzoek ontvangen deze diensten te verzorgen, voor te lichten.

18. Kerk en samenleving.

De synode besloot:

a. aan te bevelen dat ambtsdragers en leden van onze kerken aandacht geven aan de publikatie „Christelijke verantwoordelijkheid in de samenleving”;

b. dit deputaatschap op te heffen.

C. Liturgica

1. Het kerklied.

De synode besloot:

a. vast te stellen dat onder „berijmd Schriftgedeelte” zoals bedoeld in artikel 69 K.O. dient te worden verstaan: een bewerking in liedvorm van een aaneengesloten passage uit de Heilige Schrift waarin de oorspronkelijke tekst trouw wordt gevolgd;

b. aan deputaten op te dragen verder te werken, zo mogelijk in samenwerking met andere gereformeerde kerken en groeperingen, aan het verzamelen van liederen die voldoen aan de gegeven definitie van „berijmd Schriftgedeelte” en deze aan de generale synode voor te leggen, opdat zij kunnen worden toegevoegd aan de berijmde Schriftgedeelten genoemd in artikel 69 K.O.; hierbij kunnen deputaten ook denken aan goed zingbare onberijmde Schriftgedeelten en doxologieën;

c. te benadrukken de noodzaak van het zoeken naar talentvolle dichters die in trouw aan de Schrift en aan de confessie gedeelten uit de bijbel die daarvoor in aanmerking komen, op eigentijdse wijze in liederen kunnen verwoorden;

d. uit te spreken:

1. dat de Heilige Schrift het zingen van liederen die niet rechtstreeks berijmde Schriftgedeelten zijn, niet verbiedt;

2. dat in het licht van de uitspraken van de kerk naar eis van de Schrift zeer grote voorzichtigheid betracht dient te worden;

3. dat op grond van bovenstaande in de eredienst een aantal schriftuurlijke liederen kan worden aanvaard waarbij aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

a. deze liederen worden door de generale synode vastgesteld;

b. in artikel 69 K.O. wordt vastgelegd dat de plaats van deze liederen in de eredienst ondergeschikt is aan die van de psalmen en andere berijmde Schriftgedeelten;

c. het aantal van deze liederen zal dat van de psalmen en andere berijmde Schriftgedeelten in ieder geval niet overtreffen;

d. deze liederen zullen in de vorm van een eigen liedbundel aan de kerken worden aangeboden.

e. het rapport van deputaten voor het kerkelijk lied verkort en in handzame vorm verkrijgbaar te stellen, waarbij de voorstellen van deputaten vervangen worden door de besluiten van deze synode;

f. de kerken op te wekken van dit rapport goed kennis te nemen en door het inzenden van reacties bij deputaten in deze zaak mee te denken en mee te werken;

g. aan deputaten op te dragen een definitieve beslissing ten aanzien van het gebruik van Schriftgetrouwe liederen voor te bereiden en voorstellen te doen aan de synode van 1983; de inhoud van de voorstellen die deputaten zullen doen aan de komende synode, zullen afhankelijk zijn van:

1. de reacties uit de kerken;

2. de realiseerbaarheid van het onder d ad 3 a-d genoemde;

3. de eenheid van de kerken;

h. uit te spreken dat intussen artikel 69 K.O. in de huidige redactie gehandhaafd blijft.

2. Liederenbundel.

De synode besloot deputaten voor het onderzoek naar het kerkelijk lied op te dragen:

a. zich te bezinnen op de mogelijkheden om met name ten dienste van kerk, gezin en school te komen tot het samenstellen en uitgeven van een bundel liederen waarvan de inhoud duidelijk met de Heilige Schrift en de gereformeerde belijdenis in overeenstemming is;

b. naar middelen en wegen te zoeken om samen met andere kerken en kerkelijke groeperingen die de gereformeerde belijdenis van harte onderschrijven, het onder a genoemde te realiseren;

c. van de resultaten van hun arbeid te rapporteren aan de volgende generale synode.

3. Tekst van de belijdenisgeschriften.

De synode besloot:

a. uit te spreken dat de tekst van de belijdenisgeschriften zoals deze in 1971 aan de kerken is aangeboden, kan worden beschouwd als een betrouwbare weergave van wat wij als kerken belijden en als geschikt voor kerkelijk gebruik, en wel:

1. nadat daarin wijzigingen zijn aangebracht die deze generale synode heeft aangenomen of die zijn voorgesteld en aanvaardbaar geacht;

2. nadat het hernieuwde contact met de gereformeerde deputaten heeft plaatsgevonden;

b. aan deputaten op te dragen om na overleg met andere kerken die waarde hechten aan de vertaling 1971, te zorgen voor een uitgave van deze tekst waarin de noodzakelijke wijzigingen zijn aangebracht;

c. deputaten te verzoeken de mogelijkheid te overwegen om naast de herziene tekst van de belijdenisgeschriften die in de Schriftcitaten zich houdt aan de lezing van de Nieuwe Vertaling, ook een herziene tekst van de belijdenisgeschriften gereed te maken die in de Schriftcitaten zich houdt aan de lezing van de Statenvertaling;

d. aan deputaten te verzoeken bij de uitgave van de tekst van de belijdenisgeschriften de citaten uit de Heilige Schrift duidelijk te onderscheiden van de overige tekst b.v. door het gebruik van een andere letter.

D. Verhouding tot andere kerken

1. Algemeen.

De synode besloot voor deputaten eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland en de correspondentie met buitenlandse kerken de volgende instructie vastte stellen:

Artikel 1.

De generale synode benoemt deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland en de correspondentie met buitenlandse kerken.

Artikel 2.

Het getal van de deputaten is bepaald op elf.

Artikel 3.

De taak van de deputaten is:

a. naar de eis van het Woord van God en in overeenstemming met de gereformeerde confessie wegen te zoeken die kunnen leiden tot de eenheid van de kerken van gereformeerde belijdenis in Nederland en alles te doen wat bevorderlijk is voor een toenadering die op kerkelijke eenheid gericht is;

b. volgens artikel 51 van de kerkorde de correspondentie en de contacten met kerken in het buitenland te onderhouden en na te gaan of bestaande relaties uitgebreid en nieuwe contacten gelegd kunnen worden;

c. voor zover het met hun opdracht samenhangt de kerken te vertegenwoordigen, onder meer door afgevaardigden of waarnemers aan te wijzen.

Artikel 4.

Deputaten hebben het recht de generale synode voorstellen te doen met betrekking tot de zaken die in hun rapport aan de orde worden gesteld.

Artikel 5.

Deputaten kunnen zowel aan kerkeraden, classes en particuliere synoden als aan andere deputaatschappen advies geven inzake kerkelijke en oecumenische verhoudingen waarmee zij te maken hebben.

Artikel 6.

Deputaten kunnen zich tot kerkeraden, classes en particuliere synoden wenden om te informeren naar ontwikkelingen in de kerkelijke verhoudingen die met het oog op het zoeken van de eenheid van belang zijn.

Artikel 7.

Deputaten leggen aan de generale synode een begroting voor drie jaren voor.

Artikel 8.

Deputaten zullen hun archiefstukken overeenkomstig de aanwijzingen van de generale synode doen opnemen in het archief van de synode.

Artikel 9.

Deputaten brengen van al hun werkzaamheden verslag uit aan de generale synode.

2. Nederlands Gereformeerde Kerken.

De synode besloot:

a. uit te spreken dat de kerken in gebed, prediking, ambtelijke arbeid en publikaties, gelovend in de kracht van Christus’ gebed om eenheid, aandacht dienen te besteden aan Christus’ gebod tot eenheid opdat het besef van en het verlangen naar deze eenheid verlevendigd wordt;

b. deputaten op te dragen:

1. zich nader te bezinnen op de oorzaken waarom op vele plaatsen geen contacten zijn of waarom zij soms verbroken werden;

2. in eventueel overleg met de commissie van de Ned. Geref. Kerken alles te doen wat mogelijk is om de sub 1 genoemde oorzaken weg te nemen opdat de contacten zullen worden gelegd of hersteld;

3. met de commissie van de Ned. Geref. Kerken door te blijven spreken over de zaken die het gestalte geven aan eenheid bevorderen c.q. in de weg staan;

4. de brief van de Landelijke Vergadering te Wezep te beantwoorden.

3. Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).

De synode besloot:

a. een antwoordschrijven te richten aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) naar aanleiding van de brief van de generale synode van Groningen-Zuid 1978;

b. deputaten te machtigen met de gereformeerde deputaten te spreken over al datgene wat de eenheid tussen onze en deze kerken in de weg staat, waarbij dit gesprek geen zaak is van vrijblijvendheid maar behoort tot het betreden van de weg die onder de zegen des Heren kan leiden tot de door de Gereformeerde Kerken en onze kerken begeerde kerkelijke eenheid.

4. Contactorgaan van de gereformeerde gezindte (C.O.G.G.).

De synode besloot deputaten op te dragen te blijven medewerken aan een voortzetting en intensivering van de ontmoetingen binnen het C.O.G.G. van allen die de gereformeerde belijdenis van harte onderschrijven.

5. Buitenlandse kerken.

De synode besloot:

a. gelet op het overleg dat er geweest is met de synode van de Free Reformed Church en het bericht dat ontvangen werd van de Christian Reformed Church nu te besluiten de door de Christian Reformed Church in North America aangeboden vorm van kerkelijke relatie („ecclesiastical fellowship”) te aanvaarden waarbij deze relatie voor onze kerken inhoudt:

a. het zenden van afgevaardigden naar eikaars synoden;

b. het aan elkaar toezenden van de Acta van de synoden;

c. het openstellen van de kansels voor bezoekende predikanten wanneer deze tijdens een verblijf in Nederland slechts wensen voor te gaan in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland;

d. het voor elkaar openstellen van de avondmaalstafel;

e. gemeenschappelijke activiteiten in gebieden waarvoor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid geldt;

f. overleg op meer importante punten van gemeenschappelijk belang;

g. het elkaar bemoedigen en vermanen met het oog op het bewaren en verbreiden van het geloof eenmaal de heiligen overgeleverd;

b. in contact te treden volgens artikel 51 sub B K.O. met de Reformed Presbyterian Church of Ireland;

c. in contact te treden volgens artikel 51 sub B K.O. met de Eglises Réformées Evangéliques Indépendantes de France.

6. Gereformeerd Oecumenische Synode (G.O.S.).

De synode besloot:

a. de kerken mede te delen dat er materiaal beschikbaar is betreffende de rassenvraagstukken in Zuid-Afrika, zowel vanuit de eigen contacten met Die Gereformeerde Kerk in Suid-Afrika als vanuit de arbeid van de Gereformeerde Oecumenische Synode waarmee de kerken en belangstellende gemeenteleden bijzonder gediend kunnen zijn, en, (desgevraagd) dit materiaal beschikbaar te stellen;

b. 1. aan de studiecommissie van de Gereformeerde Oecumenische Synode omtrent „De G.O.S. en oecumenische betrekkingen” vóór 1 januari 1981 op te geven wat onze kerken door de commissie overwogen willen zien alsmede zo spoedig mogelijk antwoord te geven op het tweede rapport van de Gereformeerde Kerken in Nederland over aansluiting bij de Wereldraad van Kerken;

2. die rapporten en verzoeken - om rapporten die andere deputaatschappen regarderen - aan die deputaatschappen ter behandeling door te zenden;

c. de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Oecumenische Synode nauwlettend te volgen en daarover te rapporteren aan de volgende generale synode met het oog op eventuele voorstellen voor de G.O.S. 1984;

d. na te gaan hoe de relaties met de kerken waarmee onze kerken in correspondentie staan respectievelijk contact onderhouden alsmede de relaties met andere kerken die lid zijn van de Gereformeerde Oecumenische Synode geïntensiveerd kunnen worden, mede met het oog op onze bijdrage aan de G.O.S.

E. Financiële zaken

1. Afdracht aan kerkelijke kassen.

De synode besloot de kerkeraden respectievelijk de diaconieën met nadruk erop te wijzen dat hun medeverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de op ordelijke kerkelijke manier gezamenlijk aanvaarde taken niet ophoudt tengevolge van het achterhouden van hun financieringsaandeel als gevolg van kritiek op een aantal van die taken.

2. Vaststelling minimumbijdragen.

De synode besloot voor de diverse kerkelijke kassen voor de jaren 1981, 1982 en 1983 de volgende minimumbijdragen per lid/dooplid vast te stellen:

F. Benoemingen

De synode benoemde tot leden

A. van de deputaatschappen waarin tevens gedeputeerden benoemd door de particuliere synoden zitting hebben:

1. het beheer van de algemene kas tot steun aan de kerken ten behoeve van de verzorging van emeriti-predikanten, predikantsweduwen en -wezen naar artikel 13 K.O.:

P. Zuidema, Utrecht, 1e penningmeester;

D. Lokhorst, Nunspeet, 2e penningmeester.

2. de Theologische Hogeschool:

a. het curatorium:

ds. B. Bijleveld, Heerde, primus-secretaris;

ds. J. Brons, Urk, secundus-secretaris;

b. het financieel beheer:

primi:

drs. H. Schuurhuis, R.A., Leidschendam;

J.D. Wisman, Groningen;

mr. P. van Zwieten, Utrecht;

secundi:

drs. G. van Westrienen, Amsterdam;

H. Bos, Sliedrecht;

not. J. Herweijer, Kampen;

als contactpersoon voormalig studiefonds: drs. W.J. Quist, Apeldoorn.

3. de evangelieverkondiging onder Israël:

ds. J. de Jong, Veenendaal, 1e secretaris;

ds. M. Drayer, Hilversum, 2e secretaris;

ds. D. Biesma, Hillegom, 1e penningmeester;

D.J. Doolaard, Hoofddorp, 2e penningmeester;

prof. dr. B.J. Oosterhoff, Apeldoorn, adviseur.

4. de buitenlandse zending:

ds. K.J. Velema, Groningen, voorzitter;

ds. M. Drayer, Hilversum, secretaris;

W. Duindam, Koudekerk a/d Rijn, penningmeester;

D. Peeters, Hilversum, 2e penningmeester (tijdelijk);

P. Vree, ‘s-Gravenhage, secundus-penningmeester.

5. de evangelisatie:

P. de Korte, Capelle a/d IJssel, penningmeester;

ds. H. van Mulligen, Utrecht;

ds. J. Vogel, Eindhoven;

secundi:

drs. J.W. Maris, Hilversum;

drs. W. Steenbergen, Groningen.

6. de steunverlening aan de kerken in de nieuwe polders rond het IJsselmeer:

A. Mol, Zwijndrecht, voorzitter;

ds. J. Dol, Dronten, secretaris;

J. Hartog Bzn., Bunschoten, penningmeester;

secundi:

ds. J. van Mulligen, Veenendaal;

ds. B. de Romph, Vlaardingen.

7. de onderlinge bijstand:

D. Koole, ‘s-Gravenhage, voorzitter;

A. de Geus, Harlingen, 2e voorzitter;

N. Haazebroek, ‘s-Gravenhage, penningmeester;

secundi:

T. van Dieren, Middelharnis;

J.C. de Jong, Limmen (NH);

J. Zuidema, Groningen.

8. de kerkbouwaangelegenheden:

ir. G. de Boer, Amersfoort;

C. van Drieënhuizen, Zeist;

A. de Geus, Harlingen;

W.R. Groenendijk, Vleuten;

G. Ploeg, Dordrecht.

B. van de generale deputaatschappen voor:

9. de radio-kerkdienstuitzendingen:

prof. dr. J.P. Versteeg, Apeldoorn, voorzitter;

ds. H.W. Eerland, Doesburg, secretaris;

ds. D. Biesma, Hillegom;

drs. W.J. Quist, Apeldoorn;

secundus:

ds. H. de Graaf, ‘s-Gravenzande.

10. de geestelijke verzorging van de varenden:

ds. Th. Rutters, Amsterdam, voorzitter;

H. Huygen, Baarn, penningmeester;

ds. C.J. van den Boogert, ‘s-Gravendeel;

ds. W. de Joode, Rijnsburg;

ds. J. Manni, Rotterdam;

ds. M. Vlietstra, Bunschoten.

11. de geestelijke verzorging van de militairen:

ds. H.W. Eerland, Doesburg, voorzitter;

A.C. Floor, It.kol.b.d., Leusden, secretaris (en vertegenwoordiger in het C.I.O.M.);

ds. G. Bijkerk, Enschede;

D. van Galiën, serg. I K.Lu., Hardegarijp (Fr.);

ds. A. Hilbers, Hilversum;

W.H. van Schaik, Ltz. II b.d.. Den Helder;

ds. H. Toorman, ‘s-Gravenhage.

12. het contact met de kerkjeugd:

ds. K. Boersma, Hoogeveen, voorzitter;

ds. G. Bijkerk, Enschede, secretaris;

W.M. Bouterse sr., Amersfoort, penningmeester;

ds. A. Baars, Urk;

ds. R. van Beek, Baarn;

ds. J.A. Compagner, Rotterdam;

M.C. de Valk, Gouda;

ds. A.K. Wallet, Ouderkerk a/d Amstel.

13. kerken recreatie:

ds. J. Westerink, Urk, voorzitter;

ds. P. Roos, Harderwijk, secretaris;

H.W. van den Brink, Noordscharwoude;

ds. B. Oosterbroek, Haamstede;

secundus:

F. de Ronde, Burgh.

14. kerk en onderwijs:

prof. dr. W.H. Velema, Apeldoorn, voorzitter;

ds. D. Quant, Haarlem, secretaris;

mevr. M.H. Bikker-van Neuren, Bosch en Duin;

J. Vuyk, Ede;

P. Wardekker, Leusden.

15. de geestelijke verzorging van gehandicapten en ziekenhuispastoraat:

ds. C. Langbroek, Veenendaal, voorzitter;

A. van der Kruk, Rijswijk (ZH), secretaris;

mr. W. Bijleveld, Haarlem;

mevr. C.C. Hakkenberg-van Kooten Niekerk, Zeist;

mevr. M.C. Nieuwland, Voorburg

ds. A. van der Veer, Zwolle;

mevr. N. Ribbens-Evers, Amersfoort.

16. de algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden:

ds. T. Harder, Amersfoort, voorzitter;

W. Huizer, Dordrecht, secretaris;

P.M. Kalkman, Delft, penningmeester;

ds. K.T. de Jonge, Almere;

mevr. M.A. Karsemeijer, Utrecht;

mevr. drs. W.A. van der Klis, Veenendaal;

ds. J. Manni, Rotterdam;

G. van Oord, Zwijndrecht;

mevr. drs. C.L. Overweel, ‘s-Gravenhage;

K. van Smeden, Groningen;

W.C van der Stel, Middelburg;

secundi:

ds. B. Oosterbroek, Haamstede;

A. Vrij, Utrecht.

17. kerk en bedrijfsleven:

prof. dr. ir. A.K. van der Vegt, Delft, voorzitter;

mevr. drs. T. Drenth, Veldhoven, secretaris;

T. van Dieren, Middelharnis, penningmeester;

ds. T. Harder, Amersfoort;

ds. J. Vogel, Eindhoven;

secundi:

drs. R. Hol, Hoogeveen;

N.F. Kruyff, Huizen;

drs. H.J. Plantinga, Veenendaal.

18. de hulpverlening in binnen- en buitenland:

drs. W.C. Moerdijk, Rozenburg, voorzitter;

ir. P. PelIikaan, Reeuwijk, secretaris-penningmeester;

mevr. J. Brandsma-de Jager, Drachten;

J. Hoefnagel, Urk;

ds. J. Manni, Rotterdam;

H. Medema, Bilthoven;

drs. A. van der Vegt, Utrecht;

ds. K.J. Velema, Groningen;

J.M. van Delft, Veenendaal, adviseur.

19. de redactie van „De Wekker”:

prof. dr. W. van ‘t Spijker, Apeldoorn, hoofdredacteur;

ds. J.H. Velema, Munspeet, secretaris en waarnemend hoofdredacteur;

P.Th. Versteeg, Hoofddorp, penningmeester;

D. Koole, ‘s-Gravenhage;

ds. P.N. Ribbers, Aalsmeer.

20. de redactie van het jaarboek:

ds. J.H. Velema, Nunspeet, voorzitter;

ds. H. van der Schaaf, Dordrecht, secretaris;

ds. M. Drayer, Hilversum.

21. de uitgave van de kerkorde:

prof. dr. W. van ‘t Spijker, Apeldoorn, voorzitter;

ds. M. Drayer, Hilversum, secretaris;

drs. J.C.L. Starreveld, Delft.

22. de correspondentie met de Hoge Overheid:

prof. dr. B.J. Oosterhoff, Apeldoorn, voorzitter;

mr. dr. C.J. Verplanke, Ridderkerk, secretaris (en lid CIO);

ds. D. Biesma, Hillegom, (secundus lid CIO);

C.N. van Dis, ‘s-Gravenhage;

prof.dr. W. van ‘t Spijker, Apeldoorn;

secundus:

ds. I. de Bruyne, Apeldoorn.

23. de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland en de correspondentie met buitenlandse kerken:

ds. B. van Smeden, ‘s-Gravenhage, voorzitter;

drs. J.C.L. Starreveld, Delft, algemeen secretaris en secretaris binnenland;

ds. G. Bilkes, Bennekom, secretaris buitenland;

ds. K. Boersma, Hoogeveen;

Th. van Dolderen, Nootdorp;

A. van Hattem, Elburg;

ds. D. Slagboom, Katwijk;

drs. W. Steenbergen, Groningen;

prof. dr. W.H. Velema, Apeldoorn;

prof. dr. J.P. Versteeg, Apeldoorn;

ds. J. Westerink, Urk.

24. de vertegenwoordiging der kerken:

ds. J.H. Velema, Nunspeet, voorzitter;

ds. H. van der Schaaf, Dordrecht, secretaris;

ds. J. Brons, Urk;

ds. M.C. Tanis, Sliedrecht.

25. de financiële zaken:

J. Bijleveld, Heemstede, voorzitter;

C.P. Groeneveld, Vlaardingen, secretaris;

J.H. Braber, Soest;

D.C van de Kreeke, Aerdenhout;

H. Steegstra, St. Michielsgestel;

secundus:

A.H.J. Schwartz, R.A., Rijswijk (ZH).

26. het kerkelijk-administratief bureau:

A. de Geus, Harlingen, voorzitter;

C. Groeneveld, Ridderkerk, secretaris;

C. Luiten, Bosch en Duin, penningmeester;

H. Vreeman, Amsterdam;

J.W. van Westrienen, R.A. Leiden;

secundus:

G.L. Bouman, Bennekom.

27. het quaestoraat van de generale synode:

G.G. van Wijngaarden, Naarden, primus;

D. Lokhorst, Nunspeet, secretaris.

28. het archief van de generale synode:

Z. Zwiep, Alphen a/d Rijn, 1e archivaris;

F. van der Hart, Krimpen a/d IJssel, 2e archivaris.

29. de controle van het synodaal archief:

prof. dr. W. van ‘t Spijker, Apeldoorn, voorzitter;

ds. M. Drayer, Hilversum, secretaris;

P. Sluimer, Hilversum.

30. het onderzoek naar het kerkelijk lied:

drs. W. Steenbergen, Groningen, voorzitter;

ds. J. van Amstel, Ede, secretaris;

ds. J. Brons, Urk;

ds. A.W. Drechsler, Haarlem;

drs. A.C. de Geus, Leusden;

ds. B. de Graaf, Zierikzee;

prof. dr. L. Strengholt, Heiloo.

31. de officiële tekst van de belijdenisgeschriften:

prof. dr. J. van Genderen, Apeldoorn, voorzitter;

drs. W.J. Quist, Apeldoorn, secretaris;

prof. dr. W. van ‘t Spijker, Apeldoorn;

ds. J.H. Velema, Nunspeet.

C. diversen:

a. contactpersoon met uitgeverij D.J. van Brummen B.V. te Dordrecht van de uitgave van de Liturgische Formulieren:

dr. T. Brienen, Kampen.

b. synodale commissie inzake evangelisatiewerk België:

ds. K. Boersma, Hoogeveen, samenroeper;

ds. J. Plantinga, Leeuwarden, secretaris;

A. Bergsma, Rotterdam;

ds. M. Vlietstra, Bunschoten;

G.G. van Wijngaarden, Naarden.

Voor de generale synode van 1983 werd als roepende kerk aangewezen:

de kerk van Rotterdam-C.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.