+ Meer informatie

WAT WILT U ONDER ZEGEN EIGENLIJK PRECIES VERSTAAN?

8 minuten leestijd

Al lange tijd waren moeder en zoon niet meer in de kerk gezien. Geen kerkverlating, nee dat niet. Ze kerkten ergens elders, eenvoudig omdat zij zich door de prediking in de eigen kerk niet meer zo aangesproken voelden. Ook de liturgische vernieuwingen, waarvan in de loop der jaren sprake was geweest, spraken een woordje mee, maar de prediking was toch wel de belangrijkste oorzaak dat men zich elders was gaan oriënteren. Het goede gerucht van een nieuwe predikant uit een andere kerkgemeenschap in de onmiddellijke omgeving, had hen aanvankelijk met één been op het andere kerkpad gezet. Het andere been was al gauw bijgetrokken. De consequentie van kerkelijke overgang wilde men (nog) niet trekken maar men claimde wel de vrijheid om daar te tafelen waar het geestelijke voedsel het meest aan eigen smaak beantwoordde. De wijkouderling, voor de zoveelste maal op bezoek om te pogen schaap en lam weer binnen de omheining van de eigen kooi te lokken, vroeg nog weer eens met nadruk waaruit dan toch wel het tekort van de prediking in eigen huis bestond en hoe het meerdere in de prediking elders aan te duiden was. Dat was niet zo gemakkelijk aan te geven. De vraag werd met een wedervraag beantwoord: Hoe komt het dat we onder de prediking in eigen kerk zonder en onder de prediking die we nu horen, mèt een zegen er vandaan gaan?

Zo’n reactie dwingt tot nadenken over het woord ”zegen”. Het woord wordt in de kerk te pas en te onpas gebruikt. Men wenst elkaar een gezegende zondag en een gezegende kerkgang. Ná het gebed van de dienstdoende ouderling, rolt in menige kerkeraadskamer met een zeker automatisme het woordje ”zegen” uit de mond van de aanwezige kerkeraadsleden. Hoewel onnodig, spreekt de ouderling, die de predikant opleidt, het nog een keer zachtjes uit bij de handdruk vóór de kansel. Bij het stil gebed vóór de aanvang van de dienst, bidt elke kerkganger om een zegen voor dienaar en gemeente. Voor zich persoonlijk en voor de gemeente als geheel. Voor de dienaar van het Woord, opdat ook hij moge delen in de vreugde van wat hij anderen voorhoudt.

Bevestiging van eigen visie en gevoelen

Wat heet nu zegen op de prediking? Voor veel kerkmensen - en misschien behoren wij ook tot hen - is alleen dàn sprake van zegen op de prediking als de verkondiging hen bevestigt in hun eigen opvattingen, standpunten, ervaringen en gevoelens in zaken van geloof en leven. Zegen van boven en een gevoel van voldoening over het gehoorde, omdat het correspondeerde met het geestelijke denkklimaat dat ik mij eigen heb gemaakt en waarin ik mij wel bevind, vallen bij niet weinig kerkmensen samen. Zegen is voor velen identiek met de gescherpte aandacht en de toenemende gespannenheid waarmee en waaronder geluisterd wordt naar prediking, die boeiend wordt gebracht. Maar is zegen, zoals wij er in betrekking tot de prediking over spreken, niet veel méér dan een voldaan gevoel, méér dan een aangename gesteldheid omdat de ”aankleding” en de ”inkleding” van de preek onze aandacht op meer dan gewone wijze prikkelen? Er wordt veel voor zegen gehouden wat het in werkelijkheid niet is. Het gaat hier om een heel belangrijk punt, dat met name op huisbezoeken door de ambtsdragers in het gesprek over de prediking en over het nut dat deze in het leven van de gemeente afwerpt, op heilzame manier kan worden ingebracht. Hoe dikwijls wordt men niet geconfronteerd met mensen die zeggen ”er weinig aan te vinden”, ”eruit te komen zoals men naar binnen ging”, ”altijd hetzelfde te moeten horen”, ”weinig geraakt te worden”, ”zelden iets echt nieuws te horen” of ”geen zegen te ontvangen”?

Op mijn tafel ligt een nog te beantwoorden brief van een zuster ergens uit het land, die mij schreef naar aanleiding van een artikel over langdurige (caravan-)vakanties buiten de eigen kerkelijke gemeente. Zonder ook maar enig bezwaar tegen de persoon van haar eigen predikant te noemen, schreef ze het met haar man en kinderen als een ”geschenk” (om van zegen maar niet te spreken) te beschouwen dat men in de zomer en op mooie najaarszondagen elders kon kerken omdat men dan weer eens echt kon luisteren. Op de ”thuiszondagen” kon daarvan geen sprake meer zijn. Zij vroeg zich in ernst af of de presbyteriale kerkvorm met de daaraan verbonden inrichting van de zondagse erediensten eigenlijk wel zo’n goede is..…

Wat is zegen tijdens de kerkdienst en onder de prediking dan wel?

Met het antwoord op die vraag ligt het niet zo eenvoudig. Beter is misschien te spreken over de zegen van de kerkdienst en van de prediking. Voor het antwoord moet ervan worden uitgegaan, dat het de Here God zelf is die aan de verkondiging van zijn Woord zijn zegen verbindt. Zijn Woord bevat daaromtrent een duidelijke belofte. God is in het midden waar twee of drie, tientallen en honderden in zijn Naam bijeen zijn. ”God is in ons midden, laat ons diep in ’t stof aanbidden”. Aan dat besef zijn we in de protestantse erediensten maar al te zeer ontzonken. Wie op het oog de devotie en de verwachting waarmee naar de zondagse samenkomsten van Christus’ gemeente wordt uitgezien, zijn vaak sterk afhankelijk, respectievelijk worden maar al te veel bepaald door de vraag of de naam van de verkondiger een aangenaam verblijf in het Huis Gods waarborgt. Het verlangen om in de kerkelijke ”gehoorzaal” geestelijk te worden ”geamuseerd” is in veel reformatorische kerken altijd nog zeer groot. Het zou al een zegen op zichzelf zijn als door degenen, die het al of niet gezegend zijn of worden in de kerk, alleen in relatie tot de prediking zien, zou worden ingezien dat er tussen de prediking en de andere onderdelen van de eredienst samenhang bestaat. Voor iedere kerkganger begint de zegen namelijk al op het moment waarop wordt beseft dat men in de tegenwoordigheid van God verkeert, die op elke plaats is waar zijn Woord geopend en ontvouwd wordt. Zijn Woord, dat Hij dóór mensen vóór mensen te boek liet stellen en dat Hij door de eeuwen heen door mensen aan mensen liet en laat verkondigen. Door mensen met hun verscheidenheid in gaven, aanleg, inzicht en ervaring; niet slechts door mensen met grote gaven van welsprekendheid maar ook door mensen met op dit punt bescheiden toerusting; niet alleen door mensen op leeftijd, met gerijpte ervaring, maar ook door jongeren, die het nog niet zo eenvoudig vinden om, zonder napraten, op verantwoorde wijze met de verklaring van de bepreekte tekst naar de praktijk van het geestelijk leven van de gemeente toe een toepasselijk woord te spreken.

Intense beleving van het totale gebeuren

Wie op een gezegende kerkdienst hoopt, moet niet alles alleen op de preek toespitsen. Zegen moet en mag vrucht zijn van een intense beleving van het totale gebeuren tussen votum en zegen. Voor niet weinigen is de preek alles en de rest van de dienst slechts ”garnering”. Zou het daardoor kunnen komen dat voor sommigen en misschien wel voor velen de kerkdiensten saai, kleur- en glansloos zijn?

Het is waar, de preek vormt het belangrijkste onderdeel van onze erediensten. Met name door de verkondiging wordt de gemeente in vermaning en bemoediging meegegeven wat nodig is om het leven van elke dag te leven, zoals God het blijkens zijn Woord verlangt. En de verantwoordelijkheid van degenen die verkondiger mogen zijn, weegt zwaar. De vraag of in de verkondiging aan de volle boodschap van het Evangelie recht wordt gedaan, moet de dienaar van het Woord voortdurend voor ogen staan. Maar zij die ernaar luisteren, moeten en mogen niet te gauw zeggen dat zij onder de prediking hier structureel ongezegend en onder de prediking dáár steevast gezegend vandaan komen. Nogmaals gezegd: zegen is niet per definitie dat gevoel van warme voldoening en hartelijke instemming bij het verlaten van de kerk, een zegen die soms een geduchte deuk oploopt als van een medekerkganger wordt vernomen, dat hij of zij er juist niets aan vond. Echte zegen manifesteert zich doorgaans op langere termijn. Van die zegen is sprake als de aanwijzingen, die vanuit het Woord in de verkondiging doorklonken, in de praktijk van het dagelijkse leven ook werkelijk invloed blijken te hebben en toepassing mogen vinden. Van die zegen is ook sprake als mij de genade ten deel valt om een vingerwijzing in mijn richting, die ik onder de preek misschien stil grommend aanhoorde, achteraf alsnog als terecht te erkennen. Echte zegen is ook als we de moeite nemen op door-de-weekse dagen de op zondag gehoorde preek op de meest essentiële gedachten, persoonlijk of samen met anderen, nog eens nader te overwegen. Om dan misschien ontdekkingen te doen, die mij in mijn kerkbank ontgingen. Met andere woorden en nogmaals gezegd: verbind zegen in de kerk niet onmiddellijk met dat opwellende gevoel van voldoening en instemming bij het aanhoren van de preek en concludeer niet al te snel tot de afwezigheid van die zegen als dat gevoel niet opwelt. Beter is, in de dagen die op de zondag volgen, na te gaan of het gehoorde in de dagelijkse praktijk van het leven door genade bezig is vervolg te krijgen. Want elke preek, hoe incompleet die voor ons gevoel ook was, bevat altijd wel een gedachte of opmerking die aanleiding kan zijn om ons leven te toetsen op de vraag of wij werkelijk in het geloof zijn. En met die vraag ernstig bezig zijn is de grootste zegen die denkbaar is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.