+ Meer informatie

Uit de Praktijk

4 minuten leestijd

14.

Wanneer men mensen zal gaan bezoeken, die jaar en dag getrouw de meest zuivere leer nawandelen, die geen godsdienstoefening missen, wier plaats in het kerkgebouw nooit ledig is, en die daarbij een net burgerlijk leven leiden, dan zou men enige verwachting koesteren, en denken: Met deze mensen zouden wij wel eens een gesprek kunnen hebben over het wezenlijke in de godsdienst. Maar hoe komt men soms teleurgesteld uit; welk een onkunde openbaart zich op dit terrein. Wij herinneren ons een bezoek, waarvan wij na afloop tot elkander zeiden: Hoe is het toch mogelijk, dat deze mensen, die hun gehele leven onder deze waarheid hebben verkeerd, zulke opvattingen hebben, terwijl zij geheel anders onderwezen zijn, en het gedurig anders horen voorstellen? Welnu, na een paar aanloopjes gelukte het ons het gesprek om te wenden en voor te stellen hetgeen voor een ieder noodzakelijk is op weg naar de eeuwigheid. Aan de houding der mensen kunt ge soms gewaar worden als men het niet met u eens is. Zo ook hier. Wij werden een gereserveerdheid gewaar, en om dat te doorbreken, valt altijd niet mee. Men kwam niet rechtuit, men omzeilde eigenlijk de zaken waar het juist op aan komt. Toen een weinig op de noodzakelijkheid der bekering werd aangedrongen, werd dit voorname stuk niet zo nauw genomen, want bedektelijk werd hun uitwendig godsdienstige naar voren geschoven, en scheen men wel enige verdienste te vinden in getrouwe plichtsbetrachting.

Op ons vragen of men hiermede maar rustig voort kon leven, en of nooit eens in hun gedachten opkomt: Gaat dat zo wel goed, en is dit de weg wel, die de Heere in Zijn Woord aanwijst? werd geantwoord, dat zij daar zo geen bekommering over kenden. Wel hoorden wij: Wij zullen maar hopen, dat het einde goed mag zijn. In deze gesprekken werd ook de waardij van de Heilige Doop betrokken en de beleving daarvan. Na vele dingen gehoord te hebben, lag het zeker wel op onze weg om op sommige zaken een beetje dieper in te gaan. Wel vriend, als de Heere een mens bekeert, is dat altijd, wat de zaak aangaat, krachtdadig. Wordt iemand gegrepen uit de openbare wereld, hij wordt een verloren schepsel onder God, vloek- en doemwaardig, en moet rechtvaardig verloren gaan. Zulk één krijgt met een rechtvaardig God te doen. Daar ontmoet God zo één als een vijand, en deze vijandschap wordt in het Woord vergeleken bij het geweld van de grote roofdieren, zoals tijgers en wolven, die hun prooi onstuimig aanvallen. Arresteert de Heere een mens in de kerkbank, dan gebruikt de Heere dezelfde almachtige kracht als bij een brute wereldling, maar hier ontmoet de Heere een verklaarde vijand in zijn listigheid, daarom worden zulken vergeleken in het Woord bij slangen, adders, draken en jonge struizen. Leest maar Jesaja 43. Als u het eerste soort ontmoet, verneemt u meestal van hun bruut leven van voorheen. Zij zochten alles wat werelds was om zich uit te leven, bruut tegen alles in; zij ontliepen met opzet de middelen, ook wel tegen overtuigingen in. Maar als God zegt: Tot hiertoe en niet verder, dan liggen zij verslagen, dan kunnen zij niet verder door, dan heeft er een kennelijke of krachtdadige omzetting in hun leven plaats, en dan zegt een ieder: Daar is wat gebeurd met hem of haar, dat wordt al spoedig opgemerkt in leven en gedrag. Als de Heere een mens bekeert in de kerkbank, is de zaak hetzelfde, hoewel de omstandigheden anders liggen. Hier heeft de Heere te doen met een even diep gezonken schepsel, vloek- en doemwaardig. Deze verkeert onder het Woord en is verstandelijk onderwezen, en weet soms zo net te vertellen hoe het toegaat als God een mens bekeert. Maar als de Heere zo één in zijn Godsgemis komt te leiden, dan ziet en bevindt hij, dat hij even diep verzonken ligt als de bruutste wereldling. Dan komt de Heere het verstand van deze verstandige soms wel teniet te doen, zodat zij wel moeten getuigen: Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand. En als dan de Heere wat verder gaat leiden, wat moet zo één dan afleren om de Heere de weg voor teschrijven. Van deze zegt de Heere in Zijn Woord: Gij hebt mij arbeid gemaakt met uw zonden. Zulke zielen zeggen wel eens: Heere, U hebt veel meer werk aan mij als aan de grootste losbol, die U uit de wereld trekt. En wat ondervinden dezen veel last van hun redenerend verstand.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.