+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

Met zorg is het hart van de kapiteins vervuld omtrent de nood waarin Mensziel verkeert. De legers die daarin werkzaam waren dragen ook leed over de verharding van de stad. Het is zo groot en Gode verheerhjkend wanneer zondaren tot bekering komen en daarop had men aanvankelijk enige hoop.

In de eerste plaats wordt nu door de kapiteins over het beleid dat omtrent de stad gevoerd zal worden tot haar behoud, ernstig gesproken. Om zielen te vangen moet men met wijs beleid te werk gaan, werd opgemerkt, vanuit dit woord. „Wie zielen vangt is wijs.’

Van alle kanten werden de plannen die geopperd werden getoetst aan de regels van de waren krijgsmankunde om zo te komen tot het juiste pian in deze bepaalde situatie van de stad.

Eindelijk, want de zaak werd grondig besproken, slond de edele kapitein Overtuigmg op in de stad spelen en haar in een gedurig alarm moesten we eerst gedurig met onze slingers en zeide. „Mijn broeders, naar mijn opinie houden, door de burgers nacht en dag te kwellen. Om zo de groei van de bandeloosheid te stuiten. Men kan, zo ge weet, een leeuw wei temmen als men hem maar gedurig lastig valt. Zolang wij de losbandigheid ongestoord laten doorgaan zijn ogen, oren en hart vol van de dingen der wereld. En dan is er geen aandacnt voor de liefelijkste verkondiging van het Evangelie en men luistert zells met eens naar de ernstige roepstemmen van het gericht dat aanstaande is met des Heeren komst op de wolken.

Maar eer de vergadering tot de uitvoering van het plan dat eenparig werd aangenomen over zou gaan, moest dienaangaande een verzoekschrilt aan de Korung El-Schaddai overhandigd worden. En wel met de smeekbede dat Hij het ons vergeve dat onze arbeid niet meer vrucht droeg, En daarbij ernstig bij Zijne Majesteit aanhouden om Zijn hulp en dat het Hem believe meer macht te zenden onder een braal en beroemd overste, ten emde Zijne Majesteit de voordelen van deze Zijn goede beginselen niet verlieze, maar Zijn overwinnmg op de stad Mensziel moge voltrekken.

Op deze redevoering van de edele kapitein Overtuiging bewilligden allen als een enig man en besloten dat men op het spoedigst een request zou opstellen en dat door een bekwaam man aan El-Schaddai afzenden. Het request luidde als volgt: „Allergenadigste en heerlijke Koning, Heere van de beste wereld en Bouwheer van de stad Mensziel! Wij hebben, geduchte souverein, op Uw bevel ons leven in de waagschaal gesteld en de oorlog aangevangen tegen de vermaarde stad Mensziel. Toen we tegen haar optrokken hebben we naar Uw bevel eerst voorslagen van vrede aangeboden, maar de inwoners, grote Koning, hebben onze raad licht geacht en onze bestratfing niet gewild. Zij sloten de poorten en hielden ons buiten de stad. Zij stelden hun stukken en zijn op ons aangevallen, ons alle schade en verlies die zij maar konden toebrengende. Doch wij hebben ze benauwd met alarm op alarm, hen met zodanige vergelding en ontrustende als nodig waren. Ook hebben wij wel iets op de stad uitgericht. Diabolus, Ongeloof en Wil zijn de voornaamste die wij tegen hebben, terwijl wij in onze winterkwartieren zijn, echter zo dat wij hen nochtans met een hoge hand drukken en de stad benauwen. En, (zo wij denken) hadden we maar één ware vriend in de stad, één die het geluid van onze opeising zo zou steunen als betaamde, opdat het volk zich mocht overgeven. Dus, schoon wij alles deden wat wij konden, is Mensziel echter gebleven in de staat van rebellie voor U. „Nu, Koning der koningen, vergeef Uw knechten zo zij Uw bevelen niet stipt hebben opgevolgd en dat we niet voorspoedig zijn geweest in een zo wensehjk werk als de overwinning op Mensziel is. Zend nu, Heere, zo verzoeken we, meer machten op Mensziel af en een man om de stad te besturen dat ze ondeidanig gemaakt worde en U lieve en vreze. Wij spreken dus miet omdat wij genegen zijn ons van de oorlog te ontslaan. Want wij willen onze beenderen voor die plaats laten, maar opdat de stad voor Uw Majesteit gewonnen moge worden. We bidden ook Uwe Majesteit om een aanstelling in deze gelegenheid, dat we na de overmeestering van deze stad, weder de vryheid moge hebben om omtrent andere U genadige voornemens en ontwerpen gebruikt te worden. Amen.”

Dit verzoekschrift werd zeer spoedig naar de Koning gezonden door de hand van de goede heer Liefde en Mensziel. En tot wie zou men zich aan ’t paleis des Konings beter wenden dan tot des Konings Zoon? Die nam de petitie dan ook aan en las ze. En dewijl de inhoud Hem zeer beviel, zo verbeterde Hij ze hier en daar en voegde er nog iets bij. Nadat Hij ze zo met eigen hand had verbeterd, bracht Hij ze tot de Koning. En ze met gehoorzaamheid overgeleverd hebbende, vertoonde Hij Zijn autoriteit en sprak alzo.

Dit verzoekschrift ziende, was de Koning zeer blijde. En dit te meer, nu het Hem door Zijn eigen Zoon werd gebracht, ’t Behaagde Hem ook bijzonder dat de kapiteins, die zich om Mensziel gelegerd hadden, zo hartelijk en welmenend in hun werk waren. En tevens zo gezet in hun besluit en voornemens, alsook dat zij reeds zoveel gewonnen hadden.

Opmerkelijk is het dat Liefde de opdracht ontving met het verzoekschrift tot de Koning te gaan. ’t Was dan ook uit liefde tot het behoud van de afkerige stad Mensziel voortgekomen. En die liefde leefde in het hart van de kapiteins daar de Heere Zijn ontfermende liefde in hen kwam te verheerlijken. Een liefde die ons geopenbaard is in het Evangelie en behoort tot de natuur van het geloof dat door de liefde werkt. En daar deze liefde de zonde haat, zoekt zij met al haar kracht de waarachtige bekering, tot afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. Door haar op deze wijze met productief te maken wordt zij verlaten. Alleen door beleving kan zij vermeerderd worden, zodat de drang werkzaam te mogen zijn tot uitbreiding van Gods Koninkrijk er door versterkt wordt. Dus riep Hij Immanuël Zijn Zoon, Die tot Hem komende, zeide: „Zie hier ben Ik, Mijn Vader.’ Gij kent, zeide de Koning, zowel als Ik, de gelegenheid van Mensziel en wat Wij besloten en voorgenomen hebben en wat Gij reeds hebt gedaan om het te verlossen. Kom dan. Mijn Zoon, en bereid U tot de strijd, want Gij zult naar Mijn leger voor Mensziel gaan. Gij zult ook voorspoedig zijn, de overhand behouden en de stad overwinnen.” Toen zei des Konings Zoon: „Uw wet is m Mijn ingewand, Ik heb lust Uw welbehagen te doen. Dit is de dag waarnaar Ik verlangd heb. Mijn hart heeft dikwijls smart gehad m Mij om de ellendige stad Mensziel. Maar dit verheugt Mij, daar Mijn vermakmgen zijn met de mensenkinderen.”

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.