+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

40

Door de genade van Vorst Immanuël zijn de heren Verstand, Wil en Geweten uit de gevangenis verlost en rijkelijk beweldadigd teruggekeerd naar Mensziel. Het was een dag van grote vreugde tot verheerlijking van de Heere. Met kracht en klem heeft de heer Geweten als registreerder de pardonbrief van Gods genade gelezen. En dat niet alleen opdat gans Mensziel er kennis van zou hebben, maar ’t moest ook officiéél vastgelegd worden om ’t geheel aan de vergetelheid te ontrukken. Uit kracht van het bevel des Heeren, was het ook de wil van Mensziel zulks te doen. Als de heerlijkste gebeurtenis voor de stad moet dat vastgelegd worden om gedurig vanuit Gods grote daden opgewekt te worden tot het onderhouden van Zijn bevelen. Eveneens is het door Registreerder vastgelegd hoe schandelijk de stad was afgeweken door zich los te scheuren van de Heere. Al was dat kwaad vergeven door de Heere, Mensziel mocht het zichzelf nooit vergeven. Er altijd weer aan terugdenken om dat kwaad steeds inniger te bewenen in het smaken van Gods vergevende liefde. En wat door de heer Registreerder bij het licht van de Heilige Geest werd vastgelegd in het geheugen, heeft ook waarde en zelfs grote waarde voor de eeuwigheid, want het zijn de grote daden en heerlijke wegen des Heeren waarvan gezongen zal worden tot in eeuwigheid.

Nauwelijks had dan ook de registeerder de lezing van het pardon ten einde gebracht of Immanuël beval, dat al de trompetten in het leger zouden blazen en dat men de vaandels zou ontrollen, om de ene helft te doen waaien op de berg Genade en de andere op de berg Gerechtigheid. Hij gebood ook dat al de kapiteins zich geharnast zouden vertonen en dat de soldaten van vreugde juichen zouden. Kapitein Geloof, schoon hij in ’t kasteel was en zweeg, kon zich ook niet stilhouden op een dag als deze was. Hij toonde zich boven op de sterkte door het geluid der trompetten gelokt, zowel aan Mensziel als aan des Vorsten leger.

Tot roem van Gods genade is Mensziel verlost en weer geworden een stad des Heeren om Hem met woord en daad te prijzen voor de rechten van Zijn gerechtigheid. Het gaat om het doel des Heeren.” Dit volk heb Ik Mij geformeerd,” zegt de Heere, „zij zullen Mijn lof vertellen.” En het is de natuur van het nieuwe leven tot verheerlijking van de Heere te denken en te spreken, te leven en te sterven. Want nu is Mensziel de Goddelijke natuur deelachtig om met Hem en voor Hem te leven.

Een grote verantwoordelijkheid,die Mensziel op het hart gebonden wordt, opdat de stad zich des te inniger zou verbinden aan de Heere om in Zijn kracht voor Hem te leven en te strijden tegen zonde, satan en ongeloof.

Nu Immanuël gekomen is in de stad, commandeerde Hij Zijn kapiteins en soldaten, dat ze Mensziel enige krijgshandelingen tonen zouden, welk bevel zij ook terstond volbrachten. En o, met hoeveel vaardigheid, wakkerheid, snelheid en sierlijkheid toonden deze militaire personen hun kunst en wetenschap en krijgshandelingen aan die van de stad, die dit alles aanzagen. Zij marcheerden heen en weder, zij openden zich ter rechter- en ter linkerhand, zij verdubbelden, zij herstelden, zij sloten de gelederen en openden ze opnieuw. Verbeterden het front en de achterhoede met hun rechter- en linkervleugel en twintig dingen meer. Alles met recht en bekwaamheid, dat ze ’t hart dergenen die in Mensziel waren en dit aanzagen, als weg rukte. Voeg hierbij de vaardigheid van hun armen in ’t gebruik van het krijgsgeweer die ook zeer wonderlijk voorkwam aan Mensziel en aan mij. Mensziel moet de goede strijd des geloofs leren strijden. „En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.” Waartoe de Heilige Geest onderwijst in het Woord.

Hierop kwamen de stedelingen als een enig man uit tot de Vorst, terwijl Hij in het leger was om Hem te danken en voor Zijn overvloedige gunst te hunnen opzichte te loven. Tegelijkertijd biddende dat Zijn genade believen mocht met de Zijnen in Mensziel te komen en daar voor eeuwig Zijn verblijf te nemen. En deden dit op de ootmoedigste wijze zich wel zeven maal voor Hem ter aarde nederbuigende.

Daarop zeide Hij tot hen: „Vrede zij ulieden,” en ze traden nader toe, pakten met hun hand de spits van Zijn gouden scepter en zeiden: „Ach dat Prins Immanuël met Zijn oversten en oorlogshelden in Mensziel wilden wonen tot in eeuwigheid en dat Zijn slingers en stormrammen in de stad mochten zijn ten dienste en ten gebruike van de Vorst en tot hulp en sterkte voor Mensziel! „Want,” ze vervolgden zij verder, „Wij hebben een plaats voor Uw mannen en plaats voor Uw oorlogswapenen. Ook ruimte genoeg om een magazijn voor Uw krijgsvoorraad op te richten. Doe het Immanuël! en Gij zult Koning en Kapitein in Mensziel zijn, eeuwig en altoos. Ja, Gij zult ons ook beheersen en regeren naar de begeerte van Uw ziel. Maak heersers en vorsten van Uw kapiteins en helden onder U. En wij zullen Uw dienaars zijn en Uw wetten onze besturing.”

In het besef dat de totale verlossing van het verderf der zonde nog niet verkregen was, waar het hart heilbegerig naar uitzag, bad Mensziel „in de kracht Gods bewaard te mogen worden door het geloof tot de zaligheid die bereid is geopenbaard te worden in de laatste tijd.”

Kwam de stad af te wijken van de Heere door toe te geven aan de begeerlijkheid van het vlees, dan zou zij alleen door Zijn kastijdende liefde geleid kunnen worden op het rechte spoor. Tegelijkertijd was het de bede van al de burgers niet gestraft te worden in de grimmigheid van Zijn grote toorn. En toch was ’t hart er van overtuigd dat geen slag te hard of weg te diep zou zijn zo ’t nodig was tot genezing en verbinding aan de Heere.

„Ja”, zeiden de burgers van Mensziel,” zo Gij gezegende Immanuël nu van ons zoudt willen scheiden, nu Gij zoveel goeds aan ons gedaan hebt en weldadigheden bewezen; het zal niet anders zijn dan alsof we deze vreugde niet gesmaakt hadden. En andermaal zullen onze vijanden op ons afkomen en dat met veel groter verwoedheid dan te voren. Dus bidden wij U, die de begeerte en de lust onzer ogen, de sterkte en het leven onzer arme stad zijt, laat hetgeen we U hebben voorgesteld aangenaam zijn in Uw ogen. Heere, kom en woon in ons midden en laat ons Uw volk zijn. Behalve dit Heere, zo weten we niet of er te dezer dage misschien nog niet veel Diabolisten in Mensziel verholen liggen en loeren hoe zij ons zullen verraden en weder in de hand van Diabolus brengen. Wie weet wat al complotten en beraadslagingen heden ten dage reeds gesmeed en gehouden zijn. En wij zijn vanwege onze verdorvenheid er niet tegen opgewassen. Laat het derhalve U behagen ons paleis tot Uw verblijfplaats te nemen en de huizen van de aanzienlijkste lieden van onze stad om Uw soldaten te ontvangen en Uw voorraad te bergen. Gij hebt gezegd: „Ik woon in de hoogte en in het heilige en bij dien die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederige en opdat Hij levend make het hart der verbrijzelden.” Amen.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.