+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

40.

Met verwondering denkt de Pelgrim terug aan zijn verblijf in het schone paleis, dat met zorg is gebouwd en in stand gehouden wordt voor de arme reizigers naar Sion. Tot op de dag van heden heeft de tand des tijds dat niet kunnen vernielen. En wij hebben vanuit het Woord een gegronde hoop, dat ’t door een aardbeving niet zal getroffen worden. Het zal door Hem, Die het heeft laten verrijzen, in stand gehouden worden tegen al de stormen van de tijd tot op de dag van Zijn komst. Maar, en dat hebben wij te betreuren, het wordt niet altijd door evenveel gasten bezocht. Wordt het getal van oprechte reizigers naar de stad des Heeren minder, dan wordt het paleis als vanzelf minder bezocht. Hoewel dit vorstelijk paleis nooit een puinhoop zal worden, want de gemeenschap der heiligen houdt de Heere in stand. De bron van milddadigheid blijft hier vloeien, nooit wordt vanuit het paleis iemand ledig weggezonden. Hier is het altijd een eten van des Konings tafel, die getuigt van Zijn grote milddadigheid. Met heerlijke vruchten vanuit het land des Heeren zijn de handen van de Pelgrim bij het afscheid gevuld. En in al die edele vruchten mocht hij nog een geruime tijd Gods goedertierenheid proeven en smaken.

Maar zijn dat dan zulke beste mensen in het paleis, daar zij zo ijverig zijn in goede werken en mild in het geven? Ik durf van deze mensen niet één goed woord te zeggen, want als ik dat zou doen dan weet ik zeker, dat zij er allen even scherp tegenop zouden komen. Nooit hoort u ze een goed woord van zichzelf zeggen en ze kunnen het ook niet verdragen dat anderen dan doen.

En toch zijn zij rijk in goede werken! Inderdaad, dat zijn zij. Maar daar willen zij niet in geprezen worden. Want, zeggen zij, dat is niet van ons. Daar hebben wij leren leven vanuit het Goddelijk geven, geven van hetgeen wij uit Zijn milde handen mochten ontvangen, en dagelijks ontvangen. Van de Heere zingen zij: „Gij zijt goed en goeddoende”. Niet één mens is vanuit zichzelf in staat goed te doen. Al het goede van de Heere ontvangen en in het paleis genoten, zal wel tot zijn recht komen in hetgeen de Pelgrim staat te wachten. Soms laat de Heere ons ter helle nederdalen om met meer klaarheid door Hem gesteld te worden in de genietingen van het hemelleven. Maar op een hemelvaart kan ook wel weer een hellevaart volgen, opdat wij in de strijd tegen het boze en de boze, steeds meer geoefend zouden worden. En zo wordt Christus ons in Zijn hellevaart en hemelvaart steeds weer en meer dierbaar.

Maar in de vallei der Vernedering had de Pelgrim het hard te verantwoorden. Hij had slechts een korte weg afgelegd, toen hij een geweldige vijand, een sterk gewapende ontmoette, Apollyon genaamd.

In Openb. 9 : 11 lezen we: „En zij hadden over zich tot een koning de engel des afgronds, zijn naam was in het hebreeuws Abaddon, en in de griekse taal had hij een naam Apollyon”. Oorspronkelijk was hij de engel des hemels om God te dienen en te verheerlijken. Maar doordat hij zijn beginsel niet bewaard heeft, is zijn naam Verderver en de afgrond zijn plaats. Wee de mens, die hem tot koning heeft in de dienst der zonde.

Het was door het luisteren naar de helse stem van de Verderver, dat wij geheel verdorven zijn in ons bestaan. Al het verderf dat opkomt uit ons verdorven bestaan heeft in die daad haar oorzaak.

Toen de Verderver recht op de Pelgrim afkwam, begon hij bevreesd te worden en bij zichzelf te overleggen of hij zou teruggaan of stand houden. Een gedachte die opkwam uit het besef, dat hij tegen de Verderver niet opgewassen was. Diens haat tegen het leven met de Heere en het reizen naar Sion is geweldig. Tegenover de liefde van de Vorst Immanuël staat de vijandschap van Apollyon. Maar nu overwoog de Pelgrim bij zichzelf, dat hij geen bedekking had voor de rug, en als hij nu de vijand de rug toekeerde, zou hij hem gemakkeüjk met zijn pijlen kunnen doorboren. Hij besloot dus moedig stand te houden, want zo dacht hij, al had ik geen andere drijfveer dan de begeerte gered te worden, dan zou ik niets beters kunnen doen. Hoe wijs toch van de Heere geen bedekking te geven voor de rug. De grote Koning wil niet dat wij op de vlucht slaan zo we op het rechte pad der gehoorzaamheid zijn. Want daarmee zouden wij het ingaan in de stad des Heeren kunnen verderven. En dat is het juist wat de Verderver beoogt in al zijn verschrikkingen.

Als Jozef op de vlucht slaat en zijn kleed achter laat, staat de zaak geheel anders. Laat ons vluchten tot de Heere om de greep der ongerechtigheid te ontvluchten gelijk Jozef deed. Maar hier zocht de helsevijandeenkind des Heeren met machteloosheid te slaan, opdat hij zou komen tot een overgave aan hem, zo dat de reis naar Sion niet volbracht zou kunnen worden. Van de gelegenheid op de vlucht te slaan heeft de Pelgrim, Gode zij dank, geen gebruik gemaakt. Hij blijft staan als man tegenover man, doch niet in eigen kracht. Er is in zijn hart een vast vertrouwen op de Man van Gods raad.

Nu kwam Apollyon op hem af. Het monster was vreselijk om aan te zien. Zijn gehele lichaam was met schubben bedekt als een vis, en daarop was hij trots; hij had vleugels als een draak, voeten als berenklauwen, en uit zijn buik kwam vuur en rook. Zijn mond was gelijk aan de muil van de leeuw. In de nabijheid van de Pelgrim gekomen, wierp hij deze een blik vol minachting toe en begon hem te ondervragen: Waar komt gij vandaan? Wat is het doel van uw reis?

In deze twee vragen gaat satan regelrecht op zijn doel af. Als Verderver wil hij de Pelgrim in het verderf hebben. En daarom is Apollyon hem een tegenstander op de weg naar Sion. Kort en zakelijk antwoordt de Pelgrim: „Ik kom van de stad Verderf, die vol is van allerlei ongerechtigheid, en ik begeef mij naar de berg Sion”.

„Daaraan bemerk ik”, zo sprak Apollyon, „dat gij ééh van mijn onderdanen zijt, want die gehele streek behoort mij toe en ik ben er de heer en gebieder. Waarom zijt gij aan uw wettige heer ontlopen? Indien ik de verwachting niet koesterde, dat gij mij betere diensten zoudt kunnen bewijzen, ik zou u met één slag ter aarde vellen”.

Hier gaat het in de eerste plaats om het recht van Apollyon op de burgers van de stad Vederi. En zij hebben zich, en ’t is waar, vrij- en moedwillig overgegeven aan de heerschappij van de vorst der duisternis. Maar daartoe is de mens door hem verleid en bedrogen. Geheel anders staat de zaak bij de gevallen engelen. Daar is er niet één verleid, noch bedrogen. Niet van buiten af, doch van binnen uit heeft de gehele hellemacht zich losgescheurd van God. En zo was het met del mens niet.

Maar dat wordt door de Pelgrim niet gezegd of verstaan tot verontschuldiging van de mens. De boze wordt door zijn hels bedrog veroordeeld in zijn vermeende rechtsgeldigheid op het bezit van de Pelgrim.

Wederrechtelijk, met krenking van Gods Woord en recht zijn wij van nature in del slavernij van satan. De Heere heeft recht op ons. Hij heeft ons voor Zijn dienst geschapen en niet de vorst der duisternis.

„Ik ben”, zei de Pelgrim „,’t is waar, in uw rijk geboren, maar uw dienst is een harde dienst en uw loon zo, dat iemand niet kan leven - want de bezoldiging der zonde is de dood. Toen ik dus tot het inzicht daarvan kwam, heb ik gehandeld zoals ieder verstandig mens doet; ik heb gezien of het mogelijk was mijn toestand te verbeteren”.

Door het licht der Schrift is de Pelgrim tot het inzicht gekomen, dat de dienst van zonde en satan dood en verderf tot loon heeft. Toen de verloren zoon tot zichzelf was gekomen begon hij anders te denken en te leven. Hij is opgestaan, tot zijn Vader gegaan om zijnl zonden te beleiden en bewenen. En zo heeft de Pelgrim eveneens de dienst van zonde en satan verlaten. De Heere heeft recht op ons.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.