+ Meer informatie

De leer van het Kerkelijk Ambt bij de Kerkreformatoren

10 minuten leestijd

Wie vandaag ovei het ambt wil lezen kan zich verdiepen m een stroom van litteratuur, waarin het exegetische, dogmatische en historische onderzoek zich rekenschap geeft van de resultaten van een vernieuwde studie over deze boeiende zaak. Geen wonder is dit, voor wie bedenkt, dat in de leer van het ambt al de lijnen van de theologie samenkomen. Iemand ambtsopvatting hangt samen met het geheel van zijn theologische inzichten. Daarom blijkt de leer van het ambt een knelpunt te zijn in het brede oecumenische gesprek van de kerken, en daarom raken de vragen rondom het ambt ook het bestaan van de gemeente. Duidelijk komt dit uit in de opvattingen, die over het ambt in omloop zijn in de kringen van de Pinkstergemeenten. Wie, zelf daarbij in het ambt staande, over het wezen ervan nadenkt zal reeds dikwijls gewaar zijn geworden, dat een getrouwe en blijmoedige ambtsvervulling alleen dán mogelijk kan zijn, wanneer er een waarachtig verstaan en beleven van het wezen van het ambt is. Daarom zal het de moeite lonen hier te wijzen op de gedachten, die de Reformatoren over het kerkelijke ambt hadden. Niet, omdat we van mening zijn dat we bij hen het einde van alle tegenspraak zullen vinden. Maar omdat we nooit mogen vergeten, dat God van hun dienst gebruik heeft willen maken om het ambt der kerk in ere te herstellen, door het te ontdoen van alle menselijke heerlijkheid en tegelijk door het de heerlijkheid te hergeven, die het in de hand van Christus heeft.

Bij Luther vinden we een opvatting van het ambt, die fundamenteel is geweest voor heel de Reformatie. Bij Calvijn treffen we dan een ontplooiing aan, die normgevend zou blijken te zijn voor de Gereformeerde Kerken. Calvijn was hiei een leerling van Luther, zoals in zo vele dingen Maar hij heeft de nuancering ontvangen van een andere Reformator: Martin Bucer van Straatsburg.

In de eerste artikelen wijzen we op de betekenis van Luther voor de Reforma tonsche opvatting van het Ambt der Kerk.

Het hart van de Reformatie is te vinden in het bekende artikel van de rechtvaar-diging door het geloof alleen. Wat Luther zelf als een geschenk van God ontving: het inzicht en het geloof in de wat de Schrift leert over de gerechtigheid van de zondaar in Christus, reeft een allesbeheersende plaats gekregen in heel zijn denken en m heel zijn arbeid.

Er is geen stuk uit het theologische denken van Luther, of het staat m verband met dit wonder, dat de zondaar voor God in het aangezicht van God rechtvaardig IS Deze leer was maar niet een artikel naast zo vele andere artikelen, maar het was voor hem de kern van alles Alles is daarom in zijn denken te herleiden tot dit sola gratia en sola fide.

Maar ook heel Luthers handelen wordt daardoor beheerst. Luther heeft iets verstaan en beleefd van de heerlijkheid van de vrijheid der kinderen Gods. Hij wist zich vrij tegenover allen. Daarom schreef Luther dan ook: Van dit artikel kan men niets wijken of toegeven, al moge de hemel en de aarde vallen … Op dit artikel staat alles wat we tegen de paus, de duivel en de wereld leren en leven.

En het is vanuit dit centrum van de rechtvaardiging door het geloof alleen, dat Luthers leer van het ambt opkomt. Het is immers Gods orde, om het geloof te werken door middel van het gepredikte Woord. In een preek over Joh. 1: 1–5 zegt Luther: Acht daarom het uiterlijke Woord niet gering. Wanneer ge het hoort, verlaat u er dan meer op, dan wanneer ge ’t leest Ook dát is weliswaar een kostelijk ding. Maar omdat het Gods welbehagen is, dat men het Wooid mondeling predikt, daarom moet gij het met verachten. Ge weet met, op welk ogenblik u daardoor het geloof wordt geschonken. Wanneer men predikt, staat de hemel open, zoals ze open stond boven Jacob. We horen God vanuit de hemel met ons spreken, wanneer Hij met ons spreekt in de doop, in het Avondmaal, en in zijn Woord, door de mond van hen, die het Woord verkondigen.

Omdat God door middel van dat Woord wil werken, verstaan we niet, wat voor onbegrijpelijke schat we in dat Woord hebben. Door die prediking wil God ons maken tot zijn kinderen. De Heilige Geest wil ons zijn gerechtigheid er door schenken.

Bijzonder scherp keert Luther zich tegen de dwepers van zijn dagen, omdat ze uiteenrukken, wat God heeft verbonden. Ze verachten het uiterlijke Woord als genademiddel en ze weten alleen maar te spreken van de Geest. Ze menen, dat het uiterlijke woord zonder enig nut is … die heilloze lieden! Laat u daarom niet in de war brengen. Ai het begin van ons heil vangt aan met het mondeling getuigenis en het behoort tot de mond. Het getuigenis geschiedt door het Woord van de prediker. Dán komt de Heilige Geest in ’t hart … Daarom is deze spreuk tegen de dwepers en blijft de regel bestaan, dat de Heilige Geest niemand verlicht, tenzij dan dat tevoren in zijn oor het „lichamelijke” Woord weerklinkt. In deze zaken, die het mondelinge uiterlijke Woord betreffen, moet men er aan vast houden, dat God aan niemand zijn genade of Geest geeft tenzij dan door of met het voorafgaand uiterlijke Woord, opdat we ons bewaren van de enthousiasten, dat is van de geesten, die er zich op beroemen, zonder en vóór het Woord de Heilige Geest te hebben.

Volgens Luther is deze dweperij de oorsprong van alle ketterij. God wil niet met de mensen handelen, dan alleen door zijn uiterlijk Woord.

Zo wordt de verkondiging van het Woord noodzakelijk voor de realisering van Gods heil. Niemand kan geloven, dat is, niemand kan rechtvaardig zijn zonder deze uiterlijke prediking. Het ambt berust daarom ten diepste bij Luther op deze noodzakelijkheid van de bediening van het Woord Gods. Men heeft dit wel genoemd de innerlijke wortel van Luthers ambtsbegrip. Het is de noodzakelijke band aan de rechtvaardiging door het geloof alleen.

De uiterlijke wortel van deze ambtsopvatting ligt dan bij Luther in zijn tegenstelling tegenover de loomse ambtsopvatting.

Bij Rome vond Luther een ambtsbeschouwing die door drie kenmerken gekarakteriseerd kon worden In de eerste plaats is er te wijzen op het sacramenteel-satisfactonsch karakter. Bij Rome werd het ambt verstaan, niet vanuit de prediking van het Woord maar vanuit de sacramentele positie m het opdragen van de mis als zoenoffer. Het is bij Rome een ambt der verzoening, niet in die zin, dat er door het ambt een getuigenis plaats heeft van de volbrachte verzoening aan het kruis van Golgotha, maar dat er dagelijks geofferd moet worden voor de zonden, en dat dit door de priester geschiedt in de mis De roomse priesterwijding geeft niet een roeping om te prediken en het sacrament te bedienen maar om de mis op te dragen… „een pest voor de kerk.” Daarom beschouwt Luther het pauselijk priesterdom als duivelswerk, waardoor het ware priesterschap wordt verwoest. Op die manier worden de priesters tégen Christus gewijd. Zo worden ze meer ontwijd, dan gewijd.

Daarbij ziet Luther bij Rome m de tweede plaats een wettische ontwrichting van het ambt Bij Rome is de ambtsdrager een dienaar van de wet, méér dan van het Evangehe Op die manier worden ze bestrijders van het evangelie, en ver-hinderen ze de rechtvaardiging door het geloof Niet, dat Luther de betekenis van de wet voor de prediking zou miskennen Zonder prediking van de wet kan het inderdaad niet tot een prediking van het Evangelie komen Maar daarbij is de wet toch ondergeschikt aan het evangelie Het is Gods eigenlijke werk de prediking van de boodschap der genade De verkondiging van de wet daar-entegen behoort tot Gods oneigenlijke werk. Het ambt van het Nieuwe Testa¬ment wordt gedragen door het Evangelie. Heel duidelijk wordt de ontwrichting van het ambt bij Rome naar deze zijde duidelijk in de opvatting van de sleutel¬macht. Voor Rome gaat het op — vrijwel althans in het opleggen van boete¬doening en in het verlenen van dispensatie. Alles loopt hier uit op een wettische eis. Het ambt is hier niet meer een sleutel waarin het Evangelie bediend wordt, maar het is een middel geworden waardoor de kerk haar canonieke recht uit¬oefent. Tekenend voor Luthers verstaan van het Evangelie én van het roomse kerkrecht is de uitspraak: Het is dus onmogelijk, dat het Evangelie regeert tegelijk met het canonieke recht. Daarom was de daad van Luther op 10 decem¬ber 1520. toen hij buiten de Elsterpoort te Wittenberg het boek van het heersende roomse recht verbrandde symbolisch voor een hervinden van de evangelische ambtopvatting tegenover de weticistische ontwrichting.

In de derde plaats keert Luther zich tegen de hiërarchische verwording van het ambt. In plaats van een dienend ambt is het bij Rome een heersend ambt ge¬worden. In plaats van de nederigheid, die de dienaren van Christus past is gekomen de heerlijkheid, waarmee de ambtsdragers zich verheffen boven de leken. In een van zijn eerste kleine reformatorische geschriften heeft Luther zich al dadelijk tegen deze ontwikkeling verzet. In het volk van God is geen onder¬scheid te maken tussen geestelijken en leken. Maar er zijn slechts christenen, waar¬bij ieder dient naar de gaven, die God verleend heeft.

Luther gaat daarbij uit van twee eenvoudige en fundamentele stellingen:

Een Christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan;

Een Christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Door zó de zaak te stellen, komt er ruimte voor de Christenen, die alles in Christus hebben, en vervalt het onderscheid tussen leken en geestelijken. Zo worden de Christenen priesters en koningen. „Misschien zult ge vragen: Is er dan nog wel onderscheid tussen priester en leken in de christenheid, als ze allen priester zijn?

Antwoord: men heeft de woordjes „priester”, „pastoor”, „geestelijke” en dergelijke geweld aangedaan, toen men ze in het algemeen alleen maar ging gebruiken voor het kleine kringetje, dat men tegenwoordig geestelijke stand noemt. De Heilige Schrift kent geen ander onderscheid, dan dat ze de daartoe opgeleide en gewijde personen, wier taak het is aan hun medemensen het Evangelie van Christus, het geloof en de christelijke vrijheid te prediken, ministri. servi. oeco-nomi noemt, welke woorden dienaren, knechten, beheerders betekenen … Maar nu is uit dat beheerder-zijn zulk een werelds, uiterlijk, prachtlievend en heerszuchtig machtsvertoon en tyrannie geworden, dat zelfs de wereldlijke machtshebbers erbij in de schaduw gesteld worden. Alsof leken wat anders zijn dan Christenen! Daarmee is alle begrip van christelijke genade, vrijheid, geloof en van alles wat we aan Christus te danken hebben, ja van Christus zelf verdwenen. In plaats daarvan zijn ons allerlei wetten en werken van mensen opgelegd en zijn we volkomen onderworpen aan de meest onnutte lui. die er op aarde bestaan.””

Positief opkomend vanuit de rechtvaardiging door het geloof alleen en negatief zich werend tegenover een drievoudige roomse ambtsontwrichting, heeft de opvatting van Luther een machtige betekenis gekregen in heel zijn werk.

Zelf heeft Luther altijd uit deze gedachte geleefd.

Zijn ambtsbeschouwing was niet een theoretisch gegeven. Neen, ze gaf een geweldige kracht aan heel zijn optreden.

Terecht is er op gewezen, dat Luther’s opvatting in het conflict met Rome vooral tot klaarheid is gekomen. Bij Bucer en Calvijn vinden we veel meer een nuancering, die tot stand kwam in het conflict met de dopersen. Luther heeft zich tegen hen verzet, maar men kan niet zeggen, dat de polemische situatie tegenover de laatsten een zelfde betekenis voor Luthers ambtsopvatting kreeg, als die tegenover Rome.

Luther was de prediker der verzoening, de prediker van het Evangelie, die leefde vanuit het priesterschap van alle gelovigen, en die van daaruit zijn ambtopvatting heeft ontwikkeld In welk een sterke mate dit alles doorwerkte in nadere uiteenzettingen, willen we D. V. een volgende maal zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.