+ Meer informatie

Bescherming oude rassen praktische zaak

Stichting zeldzame huisdierrassen

6 minuten leestijd

Een stadsbewoner kijkt vreemd op, als een boer een varken of een koe een huisdier (landbouwhuisdier) noemt. De niet-agrariër noemt alleen katten, honden, kanaries enz. „huisdieren". De moderne bioloog noemt ze echter „gezelligheidsdieren". Maar dat koeien, varkens, paarden, runderen enz. werkelijk huisdieren waren blijkt uit de oude boerderijvormen. Denk maar aan het Saksische „los hoes"; mens en dier onder een rieten kap, in één ruimte. Want de warmte die de grote huisdieren afgaven kon de mens indertijd best gebruiken.

Rundersoorten

In Nederland lopen in hoofdzaak drie soorten runderen: zwartbonte (bijna driekwart), roodbonte (rond 20 procent) en blaarkoppen (2 procent). In de laatste jaren zijn ook wat buitenlandse rassen ingevoerd, zoals Jerseys, Limousins, Charolais enz., maar hun aantal is niet groot. Toch zijn er nog enkele oude rassen, die men niet elke dag ziet: Friese roodbonte, vale koeien, lakenvelders en witrikken (ook wel ruggelds of aalstrepen genoemd).

Op enkele plaatsen in ons land lopen nog lakenvelders: in De Bilt (U.), Scherpenzeel (G.), Wassenaar en Groningen. Maar het zijn er in 't geheel nauwelijks nog 50 of 60. Het ras staat op uitsterven! Van de vale koeien zijn er misschien nog 10 of 20 over: dit ras is al bijna uitgestorven. De witrikken zijn veel talrijker maar dat komt alleen doordat hun kleuren en aftekeningen dominant zijn. Dat wil zeggen dat ze bij kruising met een ander ras gaan overheersen. Een lakenvelder is een zwarte koe met een brede witte strook in het midden, het zgn. laken. Vroeger waren er ook rode lakenvelders.

Wij nemen even een kijkje bij andere huisdieren. Ook daarbij zijn oude rassen, die in de verdrukking komen: het fraaie, gitzwarte Friese paard, de Veluwse melkgeit met haar mooie horens en lange witte haren, het Zeeuwse en Friese melkschaap, het Drentse heideschaap (met horens), het Veluwse en het Kempische heideschaap. Bij het pluimvee denkt men aan de Hollandse kuifhoenders, de Noordhollandse blauwe, de Welsumer, de Barnevelder, de Zilverpel, het Twentse hoen enz.

Uitsterven

Oude rassen dreigen uit te sterven. Maar ruim een jaar geleden kwam een aantal liefhebbers-deskundigen bij elkaar en samen richtten zij de Stichting zeldzame huisdierrassen op, die nogal gesteund wordt vanuit het Biologisch-Archeologisch Instituut van de Groninger rijksuniversiteit en door het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord" te Zeist. Ook de pluimveevakschool uit Barneveld doet mee in de persoon van de heer De Geus.

Waarom? Omdat die oude rassen feitelijk monumenten zijn, die beschermd moeten worden? Wij hebben al zoveel monumenten! Eerbied voor wat er vroeger was is prima, maar het moet allemaal betaald worden. De genoemde stichting heeft al om subsidie gevraagd. Het gaat echt niet alleen om iets in stand te houden uit de tijd van bet-overgrootvader en zeker niet om „dierenantiek". Er zit ook een praktische kant aan de zaak.

Al die oude huisdierrassen bezitten erfelijke eigenschappen. Sterft zo'n ras uit, dan gaan die eigenschapppen verloren, hoewel wij die in de toekomst best weer eens nodig kunnen hebben. Denk maar aan de mooie eikleur bij de Barnevelder kip, het melkgevend vermogen van het melkschaap en de bijzonder goede gebruikseigenschappen van het Friese, paard. Op de tweede plaats willen wij bepaalde natuurgebieden graag in stand houden, zonder daarbij in overdrijving of natuuraanbidding te vervallen. In die natuurgebieden moeten geen moderne Texelse schapen weiden, maar oude heideschapen. Verder zijn er oudheidkundigen, die graag willen nagaan hoe de invloed van zo'n oud ras is op de begroeiing. Daarmee kan men het verleden reconstrueren. Zo zijn er nog wel meer praktische redenen waarom men die oude rassen wil behouden.

Hoe was het vroeger?

Kortheidshalve bepalen wij ons nu maar tot één diersoort, de koe. Een moderne stamboekfokker zal wat meewarig neerzien op die oude rassen. Maar is dat terecht? Er zijn veehouders die beweren, dat de witte streep van de witrik samengaat met de aanleg voor een zeer grote melkgift. Is dat waar of niet waar? Dat zal terdege uitgezocht moeten worden en dat kan alleen als men een aantal van deze dieren bijeenbrengt op een goed bedrijf en ermee gaat fokken.

Overigens zijn rassen als witrik en blaarkop al oud. De lakenvelder is vermoedelijk in de 18e eeuw uit zwart- en roodbont gefokt voor bezitters van buitenplaatsen en kastelen die graag een „apart" soort rund hadden. Maar dat het werkelijk om oude rassen gaat blijkt uit oude berichten.

Hoe ons vee er vroeger uitzag kunnen wij niet leren van oude schilderijen, want dat zijn geen foto's maar fantasieprodukten. Maar wij beschikken over heel oude, geschreven berichten over kleuren en aftekeningen bij ons vee. Dat zit zo. De kloosterbroeders uit de Middeleeuwen deden aan alle vormen van land- en tuinbouw. Maar soms waren ze daar zo druk mee bezig, dat ze hun geestelijke bezigheden verwaarloosden. Dan moest het maar eens uit zijn met die veefokkerij! Zo werd in 1344 op last van graaf Willem IV de veestapel van het klooster Markerhoofd bij Monnickendam verkocht. Dat was geen kleinigheid want de broeders hadden 140 stuks aangefokt in de loop der jaren. Van niet minder dan 125 dieren zijn de kleuren en aftekeningen opgeschreven door een kloosterbroeder die de hele boedelbeschrijving verzorgde. Hier volgt de opgave, die meteen het oudste, geschreven bericht is uit ons land:

35 zwarte, 12 zwartblaard, 9 zwarte witrikken, 1 zwarte met kol (dus 67 zwarte of zwartbonte dieren incl. witrikken); 28 rode, 7 roodblaarde, 1 roodbonte, 3 roodgevlekte, 2 rode witrikken, 1 rood gekraagde (dus 42 rode of roodbonte); verder: 1 vale, 1 vaalblaarde, 2 grijze, 3 witte, 3 witgevlekte, 3 wit gekraagde dieren, 1 witte witrik (dat is een dier dat wel witrik is maar teveel wit vertoont) en 2 bruine dieren.

Zulke boedelbeschrijvingen zijn er ook uit de volgende eeuwen. Daaruit blijkt dat alle kleuren van nu er toen al waren, zij het in andere getalsverhoudingen. Dat overigens een erkend ras best in moeilijkheden kan komen zien wij niet alleen bij de trekpaarden of het Friese paard. De blaarkopkoeien in ons land vormen nog slechts 2 procent van de veestapel. Is het aantal nog groot genoeg om werkelijk goede stieren voor de fokkerij te kunnen vinden? Sommige deskundigen betwijfelen het. Zij zeggen dat weldra ook de zwarte en rode blaarkop bij de „zeldzame rassen" ingedeeld kan worden.

Pluimvee

Bij het pluimvee zijn er vele tientallen „sportrassen". Vele daarvan komen in gevaar doordat te weinig jonge mensen liefhebberij voor de sportfokkerij hebben. Zodra een bepaald ras in gevaar komt wil de Stichting Zeldzame Huisdierrassen de helpende hand bieden. Een eenmaal uitgestorven ras terugroepen gaat niet.

Laten wij zeggen dat de mensen die dit werk doen bezig zijn met de schepping van God, ook al betreft het „huisdieren". Wij geloven niet dat de mens zedelijk verplicht is al die fokprodukten in stand te houden. Maar daarom kan het nog wel een goede zaak zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.