+ Meer informatie

Het lijden des Doods.

15 minuten leestijd

Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat hij van denzelvcn dood zou gehouden worden. ' Hand. 2:24.

V.

Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat hij van denzelvcn dood zou gehouden worden. ' Hand. 2:24.

Tegen het in ons vorig artikel ontvouwde komt nu echter een groote menigte der aloude en hedendaagsche kerkleeraars in verzet, en beproeft een geheel ander gevoelen staande te houden.

Deze zeggen namelijk, dat er sprake is van een nederdalen ter helle na Jezus' sterven; dat met zijn sterven zijn lijden ten einde was gebracht; en dat derhalve hier ieit, een gebeurtenis vermeld wordt, een die én na zijn sterven plaats greep én reeds behoort tot zijn zegepraal. Wel zijn er ook enkelen onder hen, wier gevoelen ten deele hier weer van afwijkt, maar zoo we, om de voorstelling niet te verwarren, deze min beduidende afwijking buiten spel laten, komt toch het hoofdgevoelen hierop neer: i". dat de eigenlijke nederdaling ter helle pas na den dood en de begrafenis plaatsgreep; en 2". dat ze behoorde tot Jezus' zegepraal en triomf.

Nu nog is dit dan ook in hoofdzaak de belijdenis der Roomsche en Luthersche kerken, die beide deze nederhaling ter helle als een feitelijk en plaatselijk zich begeven naar de diepte des verderfs verklaren, en beide aan deze plaatselijke nederdaling de strekking geven, dat het geen lijden voor den Middelaar was, maar een daad van glorie. Wel verscheelt dan nog de voorstelling, en geeft men achtereenvolgens als doel op: i". het prediken van het Evangelie aan hen, die onbekeerd gestorven zijn; 2". het verlossen van hen, die in den voorburg der hel gevangen zaten; en 3^. het triomfeeren over de machten van dood en verdoemenis; maar hoe onderscheiden men dit ook voorstelt, de hoofdzaak blijft altoos op hetzelfde neerkomen, en die hoofdzaak is, dat de nederdaling ter helle niet meer tot de vernedering, maar reeds tot é^verhooginghéxooxX., en dus niet onder het lijden doorliep, maar eerst na de begrafenis een aanvang nam. i)

En nu vermeten we ons in het minst niet te beweren, dat er geen heiliger drang achter geheel deze voorstelling werkte. Meer dan wij, oppervlakkige kinderen van een ondiepe eeuw, ons kunnen voorstellen, heeft men van oude tijden her zich met duizend vragen in het hart bij het graf geplaatst, en ook bij het graf van Jezus deze vragen als een stroom laten aanzwellen. Thans praat men in luchthartigheid over deze vragen heen; plaatst de zerk op de geopende groeve en keert huiswaarts, zonder zich over de mysteriën van het graf veel te bekreunen. Ons leven is zoo wereldsch geworden. De vragen van het leven vergen zoo éS. onze aandacht, dat er voor de vragen die het graf doet opkomen, bijna geen oor overblijft. Maar hiermee is de dieper zin van vroeger dagen nog niet geoordeeld, en als we de vorige geslachten zich altoos weer zien bezig houden met de vraag naar hetgeen er onder en achter het graf schuilt, dan vuegt het ons veeleer van hen te leeren, dan laatdunkend over hen het hoofd te schudden.

I) Dat sommigen onder de Lutherschen behalve deze triomfantelijke nederdaling, nog een nederdaling der vernedering belijden, doet ter zake niets af.

Het graf omsluit metterdaad een on-J doorgrondelijk mysterie, en vooral waar Inimanuël in het graf wordt nedergelegd, staan we voor een verborgenheid waar men met geen algemeene phrase af is.

Want of we nu al opmerken, dat Immanuël zijn geest stervend in de hand zijns Vaders beval; dat hij den moordenaar betuigde nog dien eigen sterfdag rpet hem in het Paradijs te zullen zijn; en dat zijn lichaam in den schoot der aarde rustte, — is dit metterdaad genoeg, om u een klaar en helder inzicht te geven in het ondoorgrondelijke dat hier plaats greep ?

Vrijdagavond sluit hij stervend hét oog, en pas Zondagmorgen verrijst hij uit het geopend graf; wat nu is er in dien tusschentijd gebeurd? Had de Heere in dien tusschentijd geen bevi^ustzijn 1 en dan moet wel geantwoord ja, want hoe kon hij anders met den moordenaar in het Paradijs zijn ? Was er in die bange lange ure, dat hij in het graf lag, geen werkzaamheid 1 Welke band en betrekking bestond ertusschen de vaneengescheiden deelen van zijn wezen, zijn ziel en lichaam .'' Hoe bleef de bat\d werken tusschen den Zone Gods en die in het Paradijs opgenomen ziel, en wederom tusschen die ziel en dat in het graf besloten lichaam.? Welke bleef in die grafure de band tusschen Jezus en de zijnen 1 We zeggen niet tusschen hem als Zone Gods en de zijnen, maar tusschenj de zijnen en hem als Middelaar.? En zoo voortgaande, komt men dan vanzelf verder, en gaat ook vragen: Welke was in die grafperiode de betrekking tusschen den Heere en de vroeger ontslapenen ; tusschen den Heere en degenen die hun oordeel wachtten; tusschen den Heere en de macht van hel en dood ?

o, We weten wel, aan die weetzucht, aan dat vragen moet ten leste het zwijgen opgelegd. De hand moet op den mond. lin we hebben, zoo bij onze graven, als voornamelijk bij Jezus' graf, ons te wachten voor het indringen in verborgenheden die niet voor ons ontsloten zijn. Mits ge in deze vragen maar geen vragen van scholastieke geleerdheid ziet en er niet mee spot. Mits ge maar erkent en inziet, dat wie bij Jezus' graf als met zijn zielsoog door de diepte wil boren meer liefde voor; zijn Heiland verraadt, dan wie er gedachteloos bij staroogt. En mits ge maar toegeeft, dat er op al deze vragen een antwoord bestaat, alleen maar dat wij het niet te weten kwamen.

Vooral wij Gereformeerden, die aan deze voorstelling van een plaatselijke nederdaling ter helle geheel ontkomen zijn, hebben ons daarom te wachten, dat we, hoorende wat de Roomsche en Luthersche kerken dienaangaande, elk weer onderscheidenlijk, be^ lijden, niet met_ zeker leedvermaak op heur belijdenis neerzien als op een inbegrip van menschelijke dwaasheid.

Neen, al heur voorstellingen zijn geboren uit een zoekenden geest, die bij het gesloten graf van Jezus nagedacht, gepeinsd en gemijmerd heeft, en alleen deze fout beging dat hij verder zocht in te dringen dan hij vermocht.

We zullen ons dan ook met de afzonderlijke eerlegging van elk heurer voorstellingen iet bezig houden. Dit zo . ons geheel van e eigenlijke nederdaling ter helle afleien en overbrengen op heel ander terein. Te bewijzen toch dat de Heere ezus den verdoemden niet nogmaals het Evangelie verkondigd heeft, is een taak die thuis hoort bij de heilsleer, als wordt aangetoond, dat de boom, gelijk onze vaderen zeiden, blijft liggen gelijk hij valt. Aan te toonen, dat de Christus niet, tijdens zijn lichaam in het gtaf rustte, de gestorven vaderen uit den voorburg der hel uitleidde, hoort thuis bij de leer der laatste dingen. En te doen inzien, dat de overwinning op den Duivel, die het geweld des Doods had, op Golgotha en niet plaatselijk in de hel thuis hoorde, was onze taak, toen we gehandeld hebben van zijn lijden en zijn dood.

Dit alles laten we thans dus liggen, en het eenige wat bij deze Catechismusvraag ter sprake komt is de quaestie of de Heilige Schrift, metterdaad gelijk de Roomschen en Lutherschen beweren, hun gevoelen van een plaatselijke nederdaling ter helle bevestigt.

Hiertoe beperken we ons dan ook.

We hebben in ons' vorig artikel uiteengezet, hoe de nederdaling ter helle door de Gereformeerde kerk beleden wordt; we hebben in het bovenstaande aangeduid, aan welke mijmeringen en overpeinzingen de belijdenis van een plaatselijke hellevaart haar oorsprong dankt; en hebben thans dus nog alleen de Heilige Schrift te ondervragen, of zij metterdaad op eenigerlei wijze zulk gevoelen van een plaatselijke indaling in de hel ot haar voorburg steunt

En dan veroorloven we ons hierbij al aanstonds deze alles afHoende opmerking, dat de Middelaar al wat hij voor ons doet, doen moet als het Vleesch geworden Woord. Niet van den Zone Gods, niet van den Tweeden Persoon in de Drieëenheid is hier dus sprake. Wie toch zou ooit willen ontkennen, dat de Tweede Persoon in de Drieëenheid evenals de Eerste en de Derde, ö/i? ? «tegenwoordig was, zoodat geen plek of plaats zijn tegenwoordigheid kon uitsluiten.? Zoo ook, wie zou willen betwisten, dat de Tweede Persoon in de Drieëenheid eeuwiglijk over zonde, dood en duivel met zijn goddelijke almachtigheid zegepraalt en triomfeert.'' Denk ik mij dus in de hel, en als hebbende ook in die hel nog kennisse van den Zone Gods, zeker dan belijden we ook van den Tweeden Persoon hetgeen psalm 139 uitroept: „Bedde ik mij in de hel, zie Gij zijt daar", en zou ook daar door zijn goddelijken glans de nacht een licht om hem zijn.

Doch hiervan, en dit dient stipt in het oog gehouden, hiervan is bij de nederdaling ter helle geen oogenblik sprake. Sprake is hier uitsluitend en eeniglijk van hetgeen deze Zone Gods als Middelaar, als Immanuël, in zijn vleeschwording heeft gedaan.

Gelijk nu na zijn hemelvaart niet de Zone Gods in zijn Godheid, maar de Middelaar in de glorie zijner kruisverdienste het heiligdom daarboven bedient, maar juist daarom dan ook als mensch voor ons bidt, en naar ziel en lichaam in den hemel schittert, zoo ook moet dus bij de nederdaling ter helle gevraagd worden, hoe ^e Immanuël hierbij verkeerde. Niet de Zone Gods, die als God zich niet van plaats naar plaats kan begeven, omdat hij altoos en overal tegenwoordig is, maar die Zone Gods, om onzentwil vleesch geworden, staande in onze plaats, onze menschelijke natuur dragende.

Het is dus ook niet genoeg dat men zich den Zone Gods hierbij denkt als met zijn menschelijke ziel vereenigd; want ziel en lichaam hooren saam; en eerst dan zou alzoo een plaatselijk nederdalen ter helle tot zijn recht kunnen komen, zoo ware aan te toonen, dat de Zone Gods, als Middelaar, in onze natuur, naar ziel en lichaam beide in de diepte der helle ware ingedaald. i) Dit echter snijdt de Heilige Schrift ten eenenmale af; daar ze uitdrukkelijk leert, dat er scheiding tusschen ziel en lichaam bij Immanuël intrad door den dood. Hij zou in het Paradijs zijn; natuurlijk niet als Tweede Persoon in de Drieëenheid, maar als degeen die onze natuur droeg, en uiteraard kan dit niet anders dan op het leven zijner ziel slaan. En ook zijn lichaam is van het kruis afgenomen, in lijnwaad gewikkeld en in het graf nedergelegd, en heeft daar gerust tot aan den derden morgen.

Ook zonder verder onderzoek heeft men > dus volle recht, om alle soortgelijke voorstelling van een plaatselijke hellevaart, als onschriftuurlijk te verwerpen, op grond hiervan : 1". dat zulk een hellevaart een daad niet van den Zone Gods als God, maar als Middelaar zon moeten zijn; 2". dat zijn daden als Middelaar in onze menschelijke natuur moeten worden volbracht, naar ziel en lichaam; en 3". dat de ziel des Heeren in het Paradijs was, en zijn lichaam, van die ziel gescheiden, rustte in het hart der aarde, tot straks de Paaschmorgen aanlichtte over het graf.

Toch laten we het hier niet bij.

Men beroept zich toch van de overzijde op zeer bepaalde Schriftuitspraken, die metterdaad een zeer sterken schijn voor zich hebben, en alleszins geschikt zijn, om ons, bij gemis aan het noodige nadenken, voor de gevoelens, althans der Luthersche kerken, te winnen. Het zijn voornamelijk Efeze 4 : 8, 9, i Petr. 3 : 19 en i Petr. 4 : 6, die hierbij in aanmerking komen, en waar, zij het ook met minder gewicht, Matth. 12 : 40 over het Jona-teeken, en Hand. 2 : 24 en 27 aan worden toegevoegd: n Efeze 4 lezen we namelijk dit: aarom zegt Hij': ls hij' opgevaren is in de hoogte, heeft hij' de gevangenis gevangengenomen, en heej-t den menseken gaven gegeven. Nu dit: ij is opgevaren; wat is het, dan dat hij oek eerst is nedergedaald in de nederste deeleit der aarde? Die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zou. En metterdaad moet erkend, dat wie deze woorden zoo leest en buiten hun verband.^, op den klank at hoort, licht verleid zou worden, om er waarlijk iets over de nederdaling ter helle in te vinden. Leest men daarentegen ook deze zinsnede in heur onderling verband, dan springt het terstond in het oog, dat dit niets dan schijn was, en dat van een hellevaart hier geen sprake zelfs zijn kan. Een overtuiging die door

1) De Roqmschen spreken van een nederdaling met het «wezen zijner ziel." aandachtiger overweging der woorden dan ook ten volle wordt bevestigd.

Waarvan spreekt Paulus in]ï!ez£5 4.? Van de gaven, die Christus uitdeelt, en wel van zulke gaven die hij uitdeelt aan de zijnen, terwijl ze nos; op aarde verkeeren. Vlak toch aan de uitgeschreven zinsneden gaat vooraf: sAan elk een van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus, " en er volgt op deze zinsnede in VS. II, > dat hij daarna gegeven heeft sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten, en dat alles tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, en tot opbouwing des lichaams van Christus, "

Hierover kan dus geen verschil van meening bestaan: r wordt gehandeld van de gaven, waarmee Jezus zijn kerk verrijkt, en wel zijn kerk op aarde. En tusschen de twee uitspraken, die in vs. 7 en vs. ii van deze aan zijn kerk op aarde meegedeelde gaven handelen; daar staat nu vs. 8, 9 en 10 tusschen in, en melden ons: Daarom zegt Hij (d. i. de Heilige Geest in Psalm 6%:19): ls hij opgevaren is in de hoogte heeft hij de g^evangenis gevangengenomen en heeft den menschen gaven gegeven." Wat herhalve geen anderen zin toelaat dan dezen: ezus moest ten hemel varen, om aan zijn kerk op aarde deze gaven te kunnen toebedeelen. Zoo is het dan ook uitgekomen. Opgevaren ten hemel heeft hij zijn kerk verrijkt. En dit stemt ook overeen met hetgeen de Heilige Geest reeds in Psalm 68 : 19 voorzegd had, dat hij „opgevaren zijnde in de hoogte, den menschen gaven zou geven."

Wat er nu tusschen in staat: Heeft hij de gevangenis gevangengenomen, " ziet in Psalm 68 : 19 zeer zeker op den triomf van Christus over zijn vijanden. Zijn uitverkorenen waren gebonden in banden van zonde en Satan. Dit was hun gevangenis waarin ze bekneld zaten.

En eerst nadat hij deze gevangenis, deze banden te niet heeft gedaan, konden de gaven aan hen worden uitgedeeld.

Wel terdege wordt hier dus een triomf van Jezus over zijn vijanden geleerd, en wel zulk een triomf die vooraf moet gaan aan de verrijking van zijn kerk met gaven; maar, en dit doet alles af, deze triomf en deze uitdeeling van gaven wordt in verband gebracht niet met een plaatselijke nederdaling ter helle, maar integendeel met zijn hemelvaart. Opgevaren in de hoogte heeft hij de gevangenis gevangengenomen en gaven uitgedeeld aan de menschen.

Doch zegt men, ja, dat staat zeer zeker in VS. 8, maar er volgt toch in vs. 9 op : „Dit nu: ij is opgevaren, wat is het, dan dat hij ook eerst is neergedaald in de nederste deelen der aarde; die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zou". Vergelijkt men hiermee echter wat de Psalmist in Psalm 139:15 schrijft, dan vervalt deze bedenking geheel. Daar toch lezen we: Mijn gebeente was was voor U niet verholen, als ik in het verborgen gemaakt ben en als een borduursel gewrocht ben in de nederste deelen der aarde." Hier staat het immers vast, dat „de nederste deelen der aarde" beteekenen den moederschoot. Passen we dit nu ook op Ef. 4:9 toe, dan vlot en vloeit geheel het redebeleid zonder eenige stoornis. Dat

Christus ten hemel moest varen kwam daar vandaan, dat hij eerst uit dien hemel door de Vleeschwording naar dit aardsche bestaan was nedergedaald. Om de gevangenis te kunnen gevangennemen, d. i. om de banden van Satan en de werken van den Duivel te kunnen verbreken, moest hij eerst uit den hemel nederdalen naar de aarde; en wel niet gelijk een engel, door zich op aarde te vertoonen, maar door vleesch te worden en dus dat vleesch uit den moederschoot van Maria aan te nemen. Maar nu hij dan ook de gevangenis gevangengenomen had, nu moest hij evenzoo weer van die aarde naar den hemel opklimmen en ten hemel varen, omdat hij zoo eerst alle dingen vervullen kon, en eerst van uit den hemel gaven aan de menschen kon uitdeelen.

Zoo komt elk woord, komt elke uitdrukking tot haar recht.

Het nederdalen en het opvaren strekt hier evenver. Hij daalt neer uit den hemel naar de aar de ^ en hij klimt even zoo van die aarde weer naar den hemel op.

Vleeschwording en Hemelvaart worden tegenover elkander gesteld, de ééne als het oogenblik waarop de aanval op de gevangenis begon, de andere als het moment waarop de uitdeeling van den buit een aanvang nam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.