+ Meer informatie

De beschrijving beschreven

Reis naar Bethlehem was in de eerste plaats vervulling van Gods belofte

12 minuten leestijd

Cyrenius. Hij was de man die in de tijd van Christus' geboorte keizerlijk legaat (stadhouder) over Syrië was. Hij was van nederige komaf en werd op grond van militaire successen consul. Een overwinning in Cilicië hielp hem aan een triomftocht. Ook was Cyrenius rector van de jonge, door Augustus aangenomen, Gaius Caesar. In het jaar 21 na Christus liet keizer Tiberius hem met staatseer begraven.

„En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de Duitser Hitler dat de gehele wereld zou beschreven worden. Deze eerste beschrijving geschiedde toen Seyss-Inquart over Nederland stadhouder was. En zij gingen allen om beschreven te worden, een ieder naar zijn eigen stad". Zo actualiseerde een predikant uit de gereformeerde gezindte in 1943 de inleidingswoorden van Lukas 2, de geschiedenis van Christus' geboorte op aarde.

Politiek in de preek, en dan met Kerst, komt meer voor. Ook iemand als dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge verwijst in zijn Schriftverklaring over Lukas 2 naar de politieke situatie van nu tweeduizend jaar geleden. „Het was toen juist als nu, nu de machtigsten der aarde in Parijs, Londen, Berlijn, Wenen of Constantinopel beslissen hoe alles gaan moet, en de wereld onder elkaar verdelen, terwijl een ieder van het zichtbare zoveel zoekt te verkrijgen als hij kan ".

Veel preken over Lukas 2 laten de concrete levensomstandigheden van Jozef en Maria overigens onbesproken of gaan er slechts summier op in. Zelfs in preken met veelzeggende thema's als "Tweeërlei beschrijving" en "De volheid des tijds" blijft het, voorzichtig genoeg, bij gemeenplaatsen. Maar, hierover is iedereen het zonder uitzondering eens, de beschrijving in Lukas 2 heeft iets te maken met het betalen van schatting. „Augustus beschrijft om te belasten", aldus een van hen.

De mening dat Jozef en Maria naar Bethlehem zijn gegaan om onverkort aan hun belastingplicht te voldoen, heeft echter niet de instemming van iedere theoloog. De joodse nieuwtestamenticus Pinchas Lapide bij voorbeeld. Hij denkt eerder aan belastingontduiking. Daarmee zet hij een dikke streep door de gereformeerde traditie, maar daarmee loopt hij ook het gevaar om het meest centrale gegeven in de geboortegeschiedenis uit het oog te verliezen.

_____________________________________________________________

Inschrijvingen van personen en hun bezit, zoals in Lukas 2, hadden vooral betrekking op de belasting. Dat gebeurde in het oude Egypte ook al. Het Romeinse rijk kende naast de inschrijving van de Romeinse burgers echter ook een inschrijving van de bewoners van de verschillende provincies. Dat gebeurde onder meer om het actieve verzet van de bevolking tegen te gaan. Zo is in 33 na Christus in Egypte een inschrijving bekend, waarbij iedere burger zich persoonlijk moest melden „in zijn eigen stad".

Inscripties

Sulpicius Quirinius (zijn naam kwam in de vergriekste vorm "Kyrenios" in de Bijbel) werd in het jaar 6 of 7 na Christus met de eerste procurator van Judea naar Syrië gestuurd om het privébezit van Archelaüs te liquideren. Dat in die tijd onder zijn leiding een inschrijving plaatsvond, staat vast op grond van inscripties. Een probleem is volgens verschillende bijbels-historische woordenboeken wel, dat Lukas „suggereert" dat de verschillende inschrijvingen ten tijde van Augustus samenvallen. De inschrijvingen van 7 vóór en 7 na Christus zouden door Lukas met elkaar zijn „verward".

De joodse nieuwtestamenticus prof. dr. Pinchas Lapide trekt het houden van dergelijke inschrijvingen geheel in twijfel. Het zijn „sprookjes", meent hij. Lukas zou er alleen melding van hebben gemaakt om de eer van zijn verhaal te redden. Lapide verklaart de reis van [ozef en Maria uit de weigering van de zeloten (joodse vrijheidsstrijders) om hun belasting te betalen. Dat wordt duidelijk uit zijn in 1981 uitgegeven "Ein Flüchtlingskind". Het boek is neerslag van zijn discussie over Lukas 2 met de Duitse dogmaticus Helmutt Gollwitzer.

„Joods verhaal"

Volgens Lapide is de geboortegeschiedenis vol met historische tegenstrijdigheden. Met zijn publikatie „strijkt" hij de geboortegeschiedenis tegen de Griekse haren in, „om de sentimentele zoetigheden er af te pellen, en terug te keren tot haar Hebreeuwse voedingsbodem". Want, zo schrijft hij, „uiteindelijk gaat het hier toch om een joods verhaal". Echt Grieks is volgens hem vooral de inleiding, die Lukas „naadloos in de loop van de wereldgeschiedenis wil invoegen, kennelijk om de verdenking te ontzenuwen dat het hier slechts zou gaan om een vrome legende, of zelfs om een heidense mythe".

Beschrijvingen hebben naar de mening van Lapide noch in 7 voor, noch in 7 na Christus plaatsgevonden. Ook naar zijn mening ondernamen Jozef en Maria de reis naar Bethlehem om belastingtechnische redenen. Dat gegeven zou Lukas echter „onterecht" in overeenstemming hebben willen brengen met het Romeinse recht, dat ieder die langer dan twaalf maanden in een bepaald gebied woonde, van dat gebied burger maakte. Lapide: „Jozef en Maria waren dus Nazareners; dat waren ze en dat zijn ze ook gebleven" (Lukas 2:32).

Een vluchtelingenkind

De reis van Jozef en Maria heeft volgens Lapide alle kenmerken van een vlucht. Bewijzen hiervoor noemt hij het feit dat de reis indruist tegen de Romeinse orde, tegen de zorg voor een hoogzwangere vrouw en tegen de gastvrijheid waarop Jozef als „grootgrondbezitter in goeden doen" in Bethlehem recht heeft. Hij brengt de reis liever in verband met Judas Galilaeus (Handelingen 5:37), die juist in die dagen „in de naam van God" opriep tot actief verzet tegen de Romeinse overheid.

Lapide: „Wie de vijf bedaarde regels leest die Lukas aan deze eerste belastingaanslag wijdt, zal niet zo gemakkelijk kunnen begrijpen, hoe een dergelijke volkomen normale belastingmaatregel in die tijd kon leiden tot de stichting van een Zeloten-beweging". Maar, zo schrijft hij even verder, ook Lukas weet van de nauwe samenhang tussen de belasting en de opwinding, die deze met geweld opgedrongen maatregelen van 4e bezettende mogendheid moesten oproepen onder het volk".

Messiaans vuur

Laconieke beknoptheid, noemt hij vervolgens de mededeling in Lukas 2:1 en 2. De „heiden" Lukas zou zijn Evangelie vijftig jaar na de dood van Jezus hebben geschreven aan de „zonzijde" van de het Romeinse rijk. Heel de „revolutionaire geschiedenis" van Jezus' geboorte moest hij zoveel mogelijk van zijn politieke betekenis ontdoen, om zo de argwanende Romeinse staat te bewegen tot het gedogen van de christelijke religie. Want, dat staat voor de joodse nieuwtestamenticus vast, de inzet van de geboortegeschiedenis is vol van „hebreeuwse bevrijdingstheologie".

Het verzet van Jozef voert Lapide terug op diens verbondenheid aan de wet. Zo was de tekst uit de Koningswet in Deuteronomium 17 („Zo zult gij ganselijk tot koning over u stellen, dien de HEERE, uw God verkiezen zal; uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen; gij zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broeder niet is".) algemeen bekend. Ook verwijst hij naar de „messiaanse namen" van Jezus' naaste familie en de „anti-Romeinse gevoelens" in de lofzang van Zacharias.

Vergissing uitgesloten

De Amsterdamse classicus prof. dr. A. Sizoo zwijgt over een dergelijk messianisme. Dat blijkt uit zijn destijds bij Kok uitgegeven "Uit de wereld van het Nieuwe Testament". Sizoo sluit vergissingen bij Lukas uit. Ieder kon in zijn tijd de juistheid van historische mededelingen toetsen, zo schrijft hij. Volgens hem staat vast dat Quirinius niet één, maar twee keer stadhouder over Syrië is geweest. Dat was in de jaren 6 tot 11 na Christus, maar ook in de tijd van Jezus' geboorte. „Daarover meldt de joodse geschiedschrijver Josephus Flavius weliswaar niets, maar het is toch niet zo, dat omdat de ene geschiedschrijver iets niet vermeldt, wat de ander wel meedeelt, de laatste zich noodzakelijkerwijs vergist", aldus Sizoo.

In 1764 werd in Tivoli bij Rome bovendien een inscriptie met een tekst over een Romeinse regeringsambtenaar gevonden. De steen is zo geschonden, dat juist de ndam is weggevallen. Sizoo: „Wanneer men echter de gegevens nagaat, die men wel kan lezen, dan blijken ze alle te kloppen met wat omtrent Quirinius. bekend is en dat ze nagenoeg zeker ook alléén op hem kunnen slaan.". Ook noemt hij het merkwaardig, dat duidelijk vermeld staat dat deze ambtenaar onder de regering van keizer Augustus twee maal legaat van Syrië is geweest. Bovendien is in Pisidië een inscriptie gevonden waaruit eveneens blijkt dat Quirinius reeds eerder stadhouder was.

Precieze beschrijving

De beschrijving in Lukas 2 is volgens Sizoo een van de eerdere beschrijvingen per provincie geweest. Niet-bijbelse bronnen lichten wel in over een beschrijving van Judea in 6 na Christus. Die maatregel was nodig doordat het vorstendom waarover Archelaüs had geregeerd, veranderde in een keizerlijke provincie, zo weet hij. Dat Lukas zich in het tijdstip van deze beschrijving heeft vergist, wordt door Sizoo ontkend. „Hij die zo precies de titulatuur van proconsuls en procuratoren uit elkaar wist te houden, wist ook heus het onderscheid tussen een beschrijving van één enkele provincie en een beschrijving die het gehele rijk betrof". Naar zijn mening is de beschrijving in Lukas 2, een eerdere beschrijving per provincie.

Niet belastingontduiking, maar juist de wil om aan de belastingplicht te voldoen, is volgens Sizoo het voornaamste motief achter de reis van Jozef en Maria geweest. De mededeling over de beschrijving in Handelingen 5:37 heeft niet op de beschrijving in 7 na Christus, maar op een eerdere betrekking. „Het is dé beschrijving, waarvan de herinnering nog voortleefde, en die blijkbaar op de bevolking zo'n indruk heeft gemaakt, dat Gamaliël haar hier gebruikt om een bepaalde tijd aan te duiden. Die indruk is begrijpelijk: evenmin als Jozef zullen andere joden vergeten hebben hoe ze destijds aan hun plicht hebben voldaan".

De Geneefse reformator Johannes Calvijn gaat in zijn preek over Lukas 2:1-8 (in de serie "Het gepredikte Woord") aan deze hele problematiek voorbij. Wel merkt hij op dat de „eerste beschrijving" waarover Lukas spreekt, niet bedoelt te zeggen dat deze ook dadelijk is uitgevoerd. Wel wil Lukas, aldus Calvijn, meedelen dat er toen „onbestreden onderwerping" was. „Want wij weten, dat Cyrenius in dat land stadhouder is geweest lange tijd na de geboorte van onze Heere Jezus Christus".

Verder zegt hij: „En zeker wist de evangelist wel, hoe alles zich toedroeg; en zelfs kon toen Cyrenius weinig tevoren uit de provincie zijn vertrokken. Maar, daar wij weten dat die landen eerst sedert kort veroverd waren, was het onmogelijk, dat het gebod uitkwam zonder tegenspraak, zoals wanneer men een land al sedert lang tot wingewest had gemaakt. Het stond dus zo met de Romeinen: Zij beginnen de joden en al hun buren te doen beschrijven, maar zij komen niet dadelijk aan het eind, zodat er geen murmurering ontstond. Dat heeft de evangelist bedoeld".

In zijn commentaar op Lukas 2 is Calvijn uitvoeriger. Diepgaand gaat hij in op het bevel van Augustus om ook in Judea een volkstelling te houden, „opdat men voortaan hem de jaarlijkse schatting betale, die men tot nu toe alleen aan God placht op te brengen. (...) Zo eigent zich deze onheilige man datgene onwettig toe, wat God tot hiertoe voor Zichzelf van Zijn volk had gevraagd. (...) Maar zonder dat men zulks weet, is de landvoogd (of wie dan ook in dezen des keizers zaakgelastigde geweest zij), terwijl hij zijn last volbrengt, de heraut van God, Die Maria naar de van God verordende plaats roept".

Calvijn twijfelt er niet aan dat de volkstelling in alle wingewesten tegelijkertijd is gehouden „om haar zo meer verdraaglijk en minder gehaat te maken". Zijdelings gaat hij in op de taalverschillen tussen het vergriekste Cyrenius en het oorspronkelijke Quirinius of Quirinus. Dat komt volgens hem meer voor. Belangrijker vindt hij het probleem van de datering. Josephus Flavius heeft zich volgens hem „misrekend, zoals hij zulks bij vele andere gelegenheden heeft gedaan".

Wennen aan juk

Volgens Calvijn „dulden" de woorden van Lukas het zeer goed, dat ze als volgt gelezen worden: „Ongeveer tegen de tijd van Christus' geboorte werd er geen gebod gegeven tot een volkstelling. De opschrijving kon echter eerst werkelijk uitgevoerd worden toen de toestand van het rijk veranderd, en Judea bij een ander wingewest was ingelijfd. In dat geval zou hetgeen volgt er als een terechtwijzing bijgevoegd zijn: Deze eerste opschrijving had plaats toen Cyrenius landvoogd was, dat is, toen is zij werkelijk volbracht".

Het hiermee opgeworpen nieuwe probleem van een volkstelling zonder directe verplichtingen, wijst Calvijn van de hand. „Mijn antwoord is, dat het niet vreemd zou geweest zijn, als Augustus de joden reeds onder de regering van Herodes had willen doen tellen, met het doel hen op die manier aan het juk te gewennen, daar zij toch buitendien reeds voor een onbuigzaam volk bekend stonden". Ook sluit hij niet uit dat de joden reeds in die tijd, naar hoofdelijke omslag, een bepaald bedrag aan belasting moesten betalen.

Matthew Henry

De pastorale verklaring van Matthew Henry zoekt duidelijk aansluiting bij voorgaande verklaringen. „Men veronderstelt", schrijft Henry, „dat de Romeinse burgers zich als onderdanen van het rijk erkenden, hetzij door een bijzondere formule van woorden, of tenminste door de betaling van een kleine schatting, een penning wellicht, ten teken van onderworpenheid en trouw. Aldus zijn zij geregistreerd als vazallen en dit hebben zij aan zichzelf te danken".

Henry vermoedt dat de joden „die zeer nauwkeurig waren in de onderscheiding van hun stammen en gewoonten" maatregelen hebben genomen, dat zeer bijzondere zorg zou worden gedragen om de gedachtenis ervan te bewaren. „Zo'n dwaze ijver betonen zij om de schaduw in wezen te houden, nu zij de zaak zelve hebben verloren". Ook acht hij het mogelijk („omdat het moeilijk aan te nemen is dat alle joden op weg gingen") dat alleen het huis van David naar zijn stad terugkeerde.

Kohlbrugge

Hermann Friedrich Kohlbrugge merkt in zijn Schriftverklaringen op dat „zulk een drukkende belasting er nog nooit was geweest, want die opschrijving of beschrijving was de eerste, zoals zij in het tweede vers van ons kersthoofdstuk wordt genoemd. En dat alles had de Heere alleen laten geschieden, opdat Maria, ten tijde van 's Heeren geboorte, niet te Nazareth, maar te Bethlehem zou zijn. De plannen van keizer Augustus zijn echter toen nog niet verwezenlijkt, eerst vele jaren later werd die nieuwe belasting ingevoerd".

De gehele geboortegeschiedenis staat voor Kohlbrugge, evenals bij Calvijn, in het kader van de vervulling van Gods belofte. „Om dit ene kind van Bethlehem te laten geboren worden, moesten alle volken der aarde door elkaar worden geworpen, en dat wel opdat zij, die van nature kinderen des toorns zijn, in genade zouden worden aangenomen. (...) Zonder deze wonderbare beschikking van Augustus zou het Maria, ofschoon zij wist Wie zij onder 't hart droeg, nooit zijn ingevallen naar Bethlehem te gaan. (...) Geen mensenkind, ook Jozef-niet, dacht eraan dat deze gehele schatting geen ander doel had, dan de Heiland in Bethlehem te doen geboren worden".

Micha 5:1, dat is volgens Kohlbrugge de sleutel voor alle opgeloste en onopgeloste problemen in Lukas 2. En dat is, daarop doorgedacht, ook het antwoord aan Pinchas Lapide. De Messias is immers gekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.