+ Meer informatie

VERKORTE WEERGAVE VAN HET REFERAAT „Diaconie en Maatschapplijk Werk”

20 minuten leestijd

(vervolg verslag Diakenenconferentie 1962)

Sprekende over „diaconie en maatschappelijk werk” zullen we allereerst ons moeten bezinnen omtrent „de diaconie”. Onder diaconie wil ik dan verstaan een belangrijk facet van het ambt in de kerk van Christus, met het dienstbetoon in de gemeente, dat gericht is op de opbouw van het lichaam van Christus, naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent en die de gemeente ontleent aan haar Hoofd, Christus om zichzelf op te bouwen in de liefde. Dit dienstbetoon, zoals het in Efeze 4 wordt gesteld wordt naar de regel van het geopenbaarde Woord van God, geactiveerd door zowel apostelen als profeten, zowel evangelisten als herders en leraars. We zouden het zó kunnen zeggen: deze activering is taak en opdracht van het ambt. Dit ambt mag echter geen doel in zichzelf zijn, het moet „slechts” intermediair, tussenschakel zijn om de gemeente tot dienst te prikkelen en toe te rusten! — De prediking moet erop gericht zijn, de gemeente besef en kennis van zake en schuld bij te brengen enerzijds, maar ook om het Heil in Christus als Verlosser en Vernieuwer van mens en wereld te verkondigen en op grond daarvan op te roepen tot een leven van dankbaarheid. — De ouderlingen spreken met de gemeenteleden over hun vernieuwde liefde-relatie tot God, waaruit de eis van wederliefde voortvloeit (1 Johannes 4) — En de diakenen moeten zijn voortrekkers en bevoorraders van een gemobiliseerde gemeente, in welke de gezindheid voor Jezus Christus gevonden wordt, die de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, die naast de mede-mens is gaan staan en die deze aanvaardt zoals hij is!

Een zó toegeruste gemeente is echter geen doel in zichzelf, maar wordt tot een doel geformeerd. Zij vindt haar oorsprong in de sprekende God, die de werelden schiep en de mens formeerde, maar die ook als het vleesgeworden Woord, de herschepping van mens en wereld in de volheid des tijds tot stand bracht en Zijn gemeente sindsdien vergadert om Zijn Koninkrijk te vestigen door de „andere” Trooster, n.l. Zijn Geest! In Christus is het Koninkrijk Gods nabij (midden onder u) gekomen als een nieuwe schepping, als een nieuwe orde, daarbij vooruitgrijpend op de orde van het komende eeuwige Koninkrijk. En zoals bij de schepping het Woord Gods tevens daad Gods was, zó was ook bij het vleesgeworden Woord, maar dan in de aanvang als teken, in beginsel weer de eenheid van Woord en daad. Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie! Zó, maar dan als (zwakke) voorafschaduwing van Zijn komende Koninkrijk, moet de gemeente van Christus, als Zijn Lichaam, dat Koninkrijk re-presenteren, d.w.z. opnieuw presenteren (tonen)! Een Koninkrijk met een nieuwe orde, waarin Woord en Geest van Christus regeren en dat heenwijst naar de eerste paradijselijke orde, waar het grote gebod der liefde in volheid weer wordt vervult! — Zó moet, naast de andere ambten, het diaconaat het Woord Gods begeleiden, als teken van het komende Koninkrijk.

Op deze basis en met dit uitgangspunt, moet het ambtelijk diaconaat zich primair (allereerst) richten op de persoonlijke dienstverlening van elke gelovige aan zijn medemens. De hele gemeente te activeren tot de dienst der liefde is taak en opdracht van het ambt

Deze taak en opdracht van het ambtelijk diaconaat mag echter nimmer tekort doen en wat door, wat wij aanduiden als het ambt aller gelovigen, wordt gedaan als dienst, hetzij individueel, hetzij georganiseerd in verschillende levensverbonden. Als in de samenleving maatschappelijke instituten zijn ontstaan die de christelijke dienst aan de naaste beoefenen of als de overheid de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods practisch toepast door sociale voorzieningen, dan erkenne en eerbiedige het ambtelijk diaconaat de door deze verschillende levensverbanden aanvaarde verantwoordelijkheid. Niet door het overnemen of het bevoogden, maar door het activeren en het stuwen van de chistelijke dienstverlening bevordert de diaconie de dienst der liefde van de gemeenteleden, hetzij zij zulk doen individueel, dan wel in institutair verband van maatschappelijke organisaties of andere levensverbanden.

Het gaat in de taak en opdracht van het ambtelijk diaconaat om het verwerkelijken van het grote gebod der liefde, zowel in de kerk als in de samenleving. We zouden daarom de taak van het ambtelijk diaconaat (de diaconie) kunnen onderscheiden in drie sectoren, t.w. :

a. in en voor de kerkelijke gemeente, als gemeenschap der heiligen;

b. voor en in de samenleving, krachtens de cultuurtaak der kerk;

c. in de gehele wereld, krachtens de missionnaire taak der kerk.

Het is duidelijk, dat het ambt der diakenen zich allereerst richt op de gemeente. De diaken is ambtsdrager van Christus, maar ook dienaar der gemeente. Hij moet in samenwerking met de andere ambten de noden der gemeente lenigen en krachtens de aard der gemeente als gemeenschap der heiligen, in die gemeente de verdelende gerechtigheid toepassen, door de zich voordoende noden, waar mogelijk op te heffen.

Daarnaast moet die gemeente haar dienst der liefde verrichten in de samenleving. De diaconie moet de gemeente daartoe aanzetten en stuwen, opdat de kerk van Christus een licht op de kandelaar kan zijn. Dit laatste kan zij worden, als zij de samenleving concreet voorleeft naar het grote gebod der liefde. Daarmee kan de kerk een stempel drukken op de cultuur van onze tijd en als zodanig heeft de kerk van Christus een cultuurtaak, waarbij het ambtelijk diaconaat een activerende en stimulerende taak kan hebben.

Voorts heeft de kerk van Christus als wereldkerk een taak, wijder dan de eigen gemeente en wijder dan de eigen samenleving. De naaste van vandaag is niet meer in dezelfde staat of stad of land. Radio, pers en televisie hebben de naaste van Hongkong en Pakistan in onze huiskamers gebracht. En wij kunnen niet meer zeggen, dat die nood ons niet aangaat. Hier liggen mogelijkheden voor de kerk om zich Kerk van Christus voor de wereld te betonen. Het werelddiaconaat is een begrip van onze tijd geworden, waarin het diaconaat naast de zending een zendingstaak, een missionnaire taak der kerk kan vervullen.

Ten aanzien van de wijze waarop een levend diaconaat der kerk haar opdracht moet verrichten, moeten we bedenken, dat deze gebonden is aan de tijden waarin en omstandigheden waaronder de kerk fungeert en optreedt in de samenleving. De dienst der liefde, de diaconia, van voor 50 jaar in de Nederlandse samenleving was heel anders dan ze nu behoort te zijn. Tot voor enkele jaren was de belangrijkste taak van een diaconie, het voorzien in financiële noden. Nu echter in de structueel zo totaal veranderde samenleving de overheid deze financiële taak voor het grootste deel heeft overgenomen en de hulpverlening zich vooral in de na-oorlogse jaren verdiept heeft door bezinning op de achtergronden van de materiële noden en veel meer dan vroeger een open oog heeft getoond voor andere dan materiële noden, nu heeft ook de dienst der kerk daarmede te rekenen. De dienst der kerk, haar diaconaat, zal die nieuwe eigentijdse middelen en methoden, die haar verschaft zijn door de nog jonge wetenschappen van psychologie en sociologie, gebruiken op zo’n wijze, dat deze dienst het meest doelmatig is voor de opheffing of leniging van de velerlei noden die zich met name in onze tijd voordoen.

In de dynamische ontwikkeling van onze tijd is op het terrein van de hulpverlening van mens tot mens dan ontstaan het maatschappelijk werk. Wij menen te mogen stellen dat het maatschappelijk werk als een bruikbaar middel moet worden aangemerkt in de dienstverlening aan de medemens. Het maatschappelijk werk beoogt door het leggen van een relatie tussen de helper en diegene die geholpen moet worden, de te helpen medemens zo te benaderen, dat hij met de door de helper aan te wijzen of te verstrekken middelen, weer in staat gesteld wordt zich uit de nood te werken. Kort gezegd zouden we kunnen stellen: het maatschappelijk werk helpt de medemens om zichzelf te helpen. De hulpbehoevende medemens moet weer zover kunnen komen, dat hij eigen verantwoordelijkheid aanvaardt en kan dragen. — Daarvoor zijn bepaalde benaderingsmethoden nodig, die slechts gehanteerd kunnen worden door speciale opgeleide beroepskrachten.

Dit laatste brengt uiteraard mede, dat deze specialistische deskundigheid, die voortvloeit uit de beroepsmatige scholing, met gebruikmaking van de resultaten van de wetenschap, een zekere zelfstandigheid, wil men, een zekere eigenstandigheid geeft aan deze arbeid. Algemeen wordt deze arbeid zo langzamerhand aanvaard en erkend als een eigenstandig instituut. — Hoewel dit erkennend, menen wij niettemin, dat deze arbeid zozeer het werkterrein der kerk raakt, zowel pastoraal en diaconaal, dat de kerk mede-verantwoordelijkheid draagt voor deze arbeid in haar totaliteit.

Het gaat in het maatschappelijk werk om de verantwoordelijkheid van de menselijke gemeenschappen voor de enkele medemens of het enkele gezin. Maar ook die enkele mens of dat bepaalde gezin weer met een eigen verantwoordelijkheid moet worden ingeschakeld in de gemeenschap met zijn medemensen, dat weer functionneren, rouleren in de samenleving is nooit een zaak alleen tussen de mens en zijn medemens.

De levenseenheid van een christelijke samenleving is een zaak van de relatie: God, mens en medemens, in een verhouding van liefde. De door de zondeval verbroken relaties, zowel tussen God en de mens (door de verlating Gods), als tussen de mens en zijn medemens (verhouding van haat), is in Christus weer hersteld. In het Christelijk maatschappelijk werk moet worden uitgegaan van die herstelde relatie in Christus. Daarom is het Christelijk maatschappelijk werk anders dan dat van het Humanisme. Maar daarom ook kan de kerk in het christelijk maatschappelijk werk haar verantwoordelijkheid voor en in de samenleving verwerkelijken. Het gaat er dus om dat in een ontluisterende samenleving weer christelijke verantwoordelijkheid kan groeien. Het is een zaak van de kerk dat dit kan plaats hebben. Daarom ligt hier naar ons gevoelen een diaconale taak, omdat het gaat om een wijze van christelijke omgang met de medemens in nood.

Het is daarbij niet voldoende, dat de enkele gelovige aan deze opdracht voldoet. De kerk in haar totaliteit heeft hier naar wij menen een taak. De zendingsopdracht van Markus 16 : 15 geldt niet alleen de prediking. De verkondiging van het evangelie moet begeleid worden als teken van het Koninkrijk van God, door de daad der liefde. Woordprediking en daadprediking mogen niet worden gescheiden. En als het in de hulpverlening aan de medemens gaat om de verwerkelijking van de dienst der liefde van Christus, dan geldt dat voor de gehele kerk, d.w.z. voor alle die van Christus zijn.

Dat leidt tot de roeping dat wij als Christenen op dit terrein tot samenwerking moeten komen. Wij moeten als christenen in deze tijd meer dan ooit de eenheid in de dienst der liefde betrachten waar dit maar mogelijk is. Deze samenwerking is niet alleen van belang, hoewel daar wel allereerst, op het plaatselijk vlak in de practische uitvoering van het maatschappelijk werk, maar evenzeer op provinciaal en landelijk niveau ten aanzien van het beleid.

Op het terrein van het maatschappelijk werk zijn er de z.g. samenwerkingsorganen op provinciaal en landelijk niveau, die bedoeld zijn om inzake de bezinning en het beleid, het uitvoerend werk van dienst te zijn en om dit te activeren, te stimuleren en voor te lichten. Het mag als duidelijk verondersteld worden, dat het christelijk maatschappelijk werk een eigen inhoud meent te moeten geven aan de middelen en methoden die worden toegepast bij deze moderne vormen van hulpverlening. Welnu dan is het van groot belang, dat tegenover of naast de hulpverlening door de R.K. kerk en door het Humanistisch verbond, een ge’integreerd beleid gevoerd kan worden door of namens de kerken der Reformatie.

Het is daarbij van belang, dat de Gereformeerde kerken in verschillende kerkelijke formaties zich gaan bundelen in het samenwerkingsorgaan dat voor deze groeperingen is ingesteld, n.l de Raad voor Gereformeerde Sociale Arbeid, dat bedoelt een samenwerkingsorgaan te zijn op interkerkelijke basis en waarvan Prof. van Dijk u nader de organisatievorm en werkwijze heeft uiteengezet. Dit orgaan ware tevens dienstig te stellen om, met volledige handhaving van de eigenheid en zelfstandigheid der afzonderlijke kerkelijke groeperingen, een samenwerking tot stand te brengen in één Protestants Christelijk Samenwerkingsorgaan. Van daaruit ware dan het christelijk dienstbetoon in en voor de eigen kerkelijke gemeente, voor en in de bredere samenleving, ja aan de wereld te stuwen, als diaconia der kerk van Christus.

Zo kunnen de kerken der Reformatie hun diaconaat weer doen functionneren als teken van het komende Koninkrijk.

De navolgende vragen werden aan de referent gesteld:

1. Hoe bedoelt u het activeren van de gemeente? Het ambt is toch allereerst door Christus bediend aan de ambtsdrager?

2. Het is noodzakelijk om lid te zijn van het Bijbelgenootschap.

3. Als u zegt, dat hier een taak ligt voor de kerk: accoord. Maar heeft de diaconie wel die bredere taak? Is het gevaar dan niet groot, dat de diaconie zich verzelfstandigt? Hoe ziet u de verhouding tot de andere ambten?

4.a. De verhouding en grenzen van het diaconaat tot de andere ambten is nog in studie. In het referaat worden m.i. het kerkelijk ambt en het ambt der gelovigen (van heel de gemeente) door elkaar gehaald. Wat is de taak van de geïnstitueerde kerk?

b. Wat verstaat u onder „teken”? Het komt in Johannes voor, maar daar is het m.i. eenmalig. Mag dat nu ook worden doorgetrokken naar deze tijd?

c. In Efeze 4 wordt gesproken van ambten tot dienstbetoon. De gemeente zal dat moeten doen. Mag de diaken dat wel doen?

d. Mogen wij spreken van „wereld-diaconaat”?

e. Het maatschappelijk werk is een organisatie buiten de kerk en is ontstaan in een gespecialiseerde vorm. Nu wilt u het verbinden aan de diakenen. Maar „het maatschappelijk werk” zegt: U weet er niets van. Hoe ziet u hier een samenwerking?

f. Hoe bedoelt u de mede-verantwoordelijkheid der kerk?

g. Is het maatschappelijk werk een evangeliserende taak (Markus 16 : 15). Volgens de maatschappelijk werkster mag dat niet!

h. Hoe kan dat werk in interkerkelijk verband?

i. Als de maatschappelijke aanpassing er is, dan zou de maatschappelijke nood zijn opgeheven. Is dat wel zo?

j. Moet de diaken dan constateren dat alles goed is?

k. Hoe ziet u de contrôle van de diaken?

5. Bij het maatschappelijk werk wordt gesuggereerd, dat het zich moet distanciëren van het diaconale werk. Komt dat van de neutrale opleidingen?

De tijd ontbrak om alle vragen volledig door de referent te doen beantwoorden. De heer De Boer nam echter op zich in een samenvattend geheel de vragen schriftelijk te willen beantwoorden en bepaalde punten die van zeer essentieel belang zijn voor de beoordeling, te verduidelijken. Hieronder moge u zijn schriftelijke betoog aantreffen:

VIJF BROEDERS STELLEN ENIGE VRAGEN, DIE ALS VOLGT DOOR DE REFERENT WORDEN BEANTWOORD:

1. Ten aanzien van de activering van de gemeente, meen ik te mogen stellen, dat dit het „doel” is van Christus’ Kerkvergaderend werk. Het kerkelijk ambt is ongetwijfeld door Christus aan de ambtsdrager „verleend”, doch slechts als middel tot het eerstgenoemd doel. Dit kerkelijk ambt is dan ook tijdelijk, het ambt aller gelovigen blijvend.

2. Lid zijn van het Bijbelgenootschap is een nuttig werk.

3. De vraag: heeft de diaconie wel die brede taak, veronderstelt kennelijk, dat dit los wordt gezien van de andere ambten. Dan zou inderdaad het gevaar aanwezig zijn dat de diaconie verzelfstandigt. Maar wij mogen het diakenambt nooit los denken van de beide andere ambten. De drie ambten in de kerk, van predikant, ouderling en diaken, vormen samen het éne ambt van Christus, waarmee Hij Zijn gemeente regeert met Zijn Woord en Geest. Deze ambten hebben ook slechts bevoegdheid voor zover zij geleid worden door Zijn Woord en Geest. Die eenheid der ambten moeten wij altijd vasthouden als uitgangspunt. Ten aanzien van de werkverdeling onderscheiden wij drie sectoren met een eigen verantwoordelijkheid, maar alle drie uitlopend op het regiment van Christus zelf. En alle drie, waarvan de diaken op het sociale „levensterrein”, zijn er om de gemeente te activeren tot de dienst der liefde in onderworpenheid aan Woord en Geest van Christus!

4.a. Ten aanzien van de begrenzing van het diaconaat is moeilijk een vaste definitie te geven. Dat hangt af van tijd en plaats waarin de kerk van Christus fungeert als lichaam van Christus. Het is geen door elkaar halen van twee begrippen (kerkelijk ambt en ambt der gelovigen) als ik een sterke relatie tussen die twee wil creëren, want er moet een verband liggen tussen deze twee, waardoor het ambt der gelovigen wordt gestuwd en geprikkeld tot de dienst.

Een kerk die goed in haar belijdenis is, maar die geen gemeente is door gebrek aan onderlinge liefde en waarachtige christelijke gemeenschap is geen levende kerk van Christus. Ook een kerk die alleen de eigen kring koestert, maar niet bereid is tot de dienst, zoals Christus die zelf heeft verricht, die niet bereid is in dienstknechtgestalte naast de behoeftige en de medemens-zondaar te gaan staan en niet met innerlijke ontferming is bewogen over alle ellende in de samenleving, is geen levende kerk meer. De taak van de geïnstitueerde kerk is naar mijn gevoelen in haar ambten het Woord en de Geest van Christus zodanig in de gemeente te laten regeren, dat de liefde en ontferming van Christus gestalte krijgen, niet alleen in de gemeente zelf, maar ook in de samenleving. De diaconia van Christus is de diaconia van de gemeente, maar de stimulans en coördinator (voor zover dit laatste nodig is) is de ambtelijke diaconie!

b. Onder teken wil ik niet verstaan een eenmalig wonder, maar een zintuigelijk waarneembaar gebeuren (of een daad), waardoor de onzichtbare achtergrond van de levende Christus in Zijn gemeente toonbaar wordt. De eenheid van Christus en Zijn gemeente worden verzinnebeeld in het teken van brood en wijn bij het avondmaal. Zo is de diaconia van de gemeente een teken (een tastbare gestalte) van de liefde van Christus, in deze wereld. Zo moet zij het althans zijn. De tweede gedachte die bij mij aan het begrip „teken” is verbonden is het incidentele, het onvolmaakte in verhouding tot de ganse nood van het leven. Alle nood van het leven kan door de diaconie der gemeente niet worden opgeheven; deze diaconie is slechts (maar dan toch!) een teken dat heenwijst naar het volmaakte komende Koninkrijk waar helemaal geen leed meer zal zijn. Dit bedoel ik met teken.

c. De taak van de diaken in de geest van Efeze 4 zie ik dus niet in het overnemen van het ambt aller gelovigen, maar in het activeren van de gemeente tot de dienst. De openbaring der liefde heeft de gemeente nodig, door de Woordbediening allereerst, maar ook door het toezicht der ouderlingen en vaak door de practische begeleiding (niet bevoogding) door de diakenen!

d. Ik meen, dat wij mogen spreken van werelddiaconaat, als we daarmee bedoelen, dat de gemeente van Christus zich naaste weet van de in ellende levende Chinezen, Pakistanen etc., omdat deze nood door middel van pers, radio en televisie in de huiskamers der gemeente is gebracht. Wel zal het raadzaam zijn, in deze hulpverlening nauwe samenwerking te zoeken met de zending. Dit laatste niet om de hulp afhankelijk te maken van de proselieten, maar om de diaconia der kerk te doen functionneren als begeleiding van het Woord Gods (Eenheid van woord en daad!)

e. Tot goed begrip van het maatschappelijk werk, moge ik verklaren, dat ik dit instituut niet zou willen verkerkelijken of verambtelijken, maar er, in het welbegrepen belang der kerk, een nauw contact mee zou willen onderhouden, zodat de kerk voor de uitvoering ervan, onder waarborgen van een goede christelijke hulpverlening, mede-verantwoordelijkheid aanvaardt.

Als de maatschappelijke werkster zegt, dat de diaken er niets van weet, kan zij, ten aanzien van bepaalde psychische noden, gelijk hebben, maar ook haar kennis is zeer beperkt, zodat zij in veel gevallen zal moeten verwijzen naar een meer bevoegde deskundige. Zo zal zij b.v. altijd moeten afblijven van het terrein van de psychiatrie, van de zielszorg. Daarvoor heeft zij een psychiater of een predikant nodig. Ontmoet zij gevallen van economische tekorten in een gezin, dan zal zij kunnen verwijzen naar een diaconie of overheidsdienst of naar een gespecialiseerde instelling voor een bepaald doel, maar zij kan dan nooit beslissen, alleen maar adviseren tot het verstrekken van een bepaalde voorziening.

De samenwerking tussen een maatschappelijk werkster en een predikant. diaken of wie ook, zie ik niet alleen als mogelijk, doch ook als noodzakelijk op de basis van een christelijke omgang tussen de mensen, d.w.z. de een de ander uitnemender achten dan zichzelf, alle hoogmoed en eigenzinnigheid van alle zijden uitkammen en in Christelijke bewogenheid het goede zoeken voor de ellendige en hulpbehoevende. Daarvoor is modern gezegd de teamgeest van Philip 2 : 3 nodig.

f. De mede-verantwoordelijkheid der kerk (te delegeren aan de diaconie) zie ik in financiële steun der kerk voor deze arbeid en voor de provinciale en landelijke Organen die voor een goede uitvoering van dit werk nodig zijn. Voorts is een vertegenwoordiging vanuit de diaconie in de bestuurs-secties van dit werk, veelal gewenst. Met name in de tijd van ontwikkeling van deze arbeid is dat contact zeer gewenst om een goede samenwerking te verzekeren en om te waarborgen, dat de beïnvloeding van de personen en gezinnen niet in strijd kome met de normen van de kerk.

g. Een maatschappelijk werkster is niet geroepen tot evangeliseren in de vorm van woordverkondiging bij de vervulling van haar taak. Maar een opzet van het maatschappelijk werk, waarbij een bijbelse mensbeschouwing uitgangspunt van de arbeid is en een aankweking van christelijke verantwoordelijkheid voor de medemens, het plaatsen van het teken van de liefde van Jezus Christus als levensvernieuwer, het gestalte geven in de samenleving van de barmhartigheid van Christus, betekent een evangelisch herstel van de menselijke verhoudingen in de samenleving en kan beheersend worden voor de cultuur van deze tijd. Als zodanig is het christelijk maatschappelijk werk evangelie voor de samenleving. Natuurlijk moeten we de levende verkondiging van het Woord vooropstellen maar de diaconia van Christus kerk is ook evangelie!

h. In buitenkerkelijke arbeid zal het veelal een persoonlijk getuigenis moeten blijven. Daarom zijn onze Christelijke organisaties zo ontzaggelijk belangrijk voor de kerk. Zij vormen vaak de voorposten van de kerk.

i. Als de „maatschappelijke” aanpassing er is in de zin van niet meer storend voor de samenleving, kan er nog wel van een nood gesproken worden, n.l. indien de relatie met de samenleving en met de medemensen in het algemeen niet geraakt is door het Evangelie. De onvolledige doorwerking van de liefde van Christus (het naar God en de naaste toe leven) vereist dan wel bearbeiding van de zielszorgers (predikant en ouderlingen) maar van een maatschappelijke nood (een nood-situatie in de maatschappelijke relaties) kan dan niet meer worden gesproken. De hulpverlening van de maatschappelijk werkster is dan overbodig, al zal mogelijk de dienst van de kerkelijke ambten wel noodzakelijk zijn (zowel predikant als ouderling en diaken).

j. Primair zal de maatschappelijk werkster moeten constateren dat en wanneer de nood is opgeheven, zoals bij een lichamelijke ziekte de arts dat zal moeten constateren. Of er dan nog andere noden overblijven zal o.a. de diaken enz. moeten nagaan.

k. De contrôle van de diaken over de noden in de gemeente zie ik in nauwe samenhang met de arbeid van de beide andere ambten. In kleine gemeenten kennen de ambtsdragers veelal de gemeente volledig. Ook dan is het vaak nog raadzaam, opzettelijk stil te staan bij de situatie der gezinnen. Het op elkaar toezien wordt in een grote stadsgemeente moeilijker. Daarom is een versteviging der gemeenschapsband daar een belangrijke zaak. In bepaalde gevallen zou bezoeken van diakenen aan sommige personen en gezinnen nuttig kunnen zijn om deskundigen op bepaalde terreinen op te sporen en te activeren om zich voor hulpverlening op dat gespecialiseerde terrein beschikbaar te stellen! Stille noden kunnen daardoor ook worden opgespoord. Het belangrijkste acht ik echter de goede samenwerking der ambten.

5. Er zijn wel mensen, die een radicale scheiding voorstaan tussen diaconaal en maatschappelijk werk. Veelal heeft dat dan betrekking op het z.g. „casework”. U heeft wel begrepen intussen, dat ik een goede relatie tussen het maatschappelijk werk en de diaconie zou willen bevorderen in het welbegrepen belang van een goede hulpverlening in christelijke geest.

Vanuit de opleidingen wordt soms wel een radicale scheiding en distantie voorgestaan. Vanuit het belang der kerk, zou ik deze scheiding ontraden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.