+ Meer informatie

Internationale hulpverlening: gezien vanuit het standpunt van de overheid

24 minuten leestijd

„Een vreemdeling zult gij niet onderdrukken, noch hem benauwen, want gij zijt vreemdelingen geweest in het land Egypte.

Geen enkele weduwe of wees zult gij verdrukken. Indien gij ze toch verdrukt, voorzeker zal Ik, indien zij luid tot Mij roepen, hun geroep horen, en Mijn toorn zal ontbranden en Ik zal u met het zwaard doden, zodat uw vrouwen weduwen en uw kinderen wezen worden.

Indien gij aan Mijn volk, aan de arme bij u, geld leent, zult gij u niet als een schuldeiser jegens hem gedragen ; gij zult hem geen rente opleggen.

Indien gij het opperkleed van uw naaste tot pand neemt, zult gij het hem vóór zonsondergang teruggeven, want dat is zijn enige bedekking, dat is de bekleding voor zijn huid — waarin zal hij zich te ruste leggen? Wanneer hij tot Mij om hulp zal roepen, zal Ik horen, want Ik ben genadig.”

Exod. 22 : 21-27

Gerechtigheid

Nergens vind ik in de bijbel zó plastisch uitgedrukt wat God van mij verwacht in mijn houding tegenover de naaste als in deze verzen. God neemt het gebod tot bescherming van het verdrukte, het arme, het ver schopte, de vreemdeling, zó ernstig dat er een straf op staat die er niet om liegt.

De voorzitter heeft zoëven Psalm 72 voorgelezen. Dat was niet afgesproken, maar het komt helemaal overeen met mijn ge-dachtengang: Exodus 22 geeft het voorschrift voor het beoefenen van naastenliefde, terwijl Psalm 72 één concreet geformuleerde opdracht is voor de overheid, om gerechtigheid te beoefenen: nationaal én internationaal. Die Psalm, levenals trouwens ongelooflijk veel Schriftplaatsen, doet ons de opdracht voor de overheid in niet mis te verstane waarden kennen. Als profeten het hebben over zonde is het vaak de zonde van de overheid die het recht ombuigt, de gerechtigheid vergeet, de arme uitzuigt en de rijke bij het gerecht bevoordeelt op grond van corruptie (door de rechter aangenomen giften van de rijke). Psalm 72 laat zien dat God zich inlaat met de taak van de overheid, niet alleen nationaal maar ook internationaal. De manier waarop volken samenleven, de manier waarop welvaart is verdeeld en de burgers deel hebben aan die welvaart, is iets wat God buitengewoon aan het hart gaat en waarover Hij duidelijke eisen stelt.

Nationaal hebben wij hoe langer hoe meer leren zien, dat de overheid geroepen is tot het beoefenen van gerechtigheid. Nationaal heeft tegenover de theorieën van klassenstrijd en laissez-faire (de liberale theorie van de staatsonthouding) sinds het midden van de vorige eeuw de christelijke visie gestaan, dat de overheid wel degelijk met de sociale nood te maken had en dat zij op grond van de gerechtigheidseis geroepen is, óm te zien naar het verdrukte in de samenleving.

Nationaal is die gedachte van gerechtig-heidsbeoefening door de overheid al lang geaccepteerd. Die gedachte heeft een omwenteling teweeg gebracht in de sociale verhoudingen in ons land. Het Evangelie heeft op dat punt zijn werk heel duidelijk gedaan, hoezeer er ook nu nog nationale knelpunten zijn. De vraag is, of die gerechtigheidseis ook voor het internationale leven als norm voor overheidshandelen is geaccepteerd.

Ik meen dat ook voor het internationale leven, voor de verhouding rijk en arm, de Bijbel van de overheden de beoefening van gerechtigheid vraagt. Er is een geweldige analogie met het nationale sociale probleem: Evenals dat probleem pas goed werd onderkend toen de overheid in de gaten kreeg er een taak te hebben, evenzo zal de kloof tussen rijke en arme landen pas kunnen worden overbrugd als de overheden van ontwikkelde én ontwikkelingslanden hun taken tegenover hun onderdanen en tegenover elkaar gaan verstaan en bereid worden, samen te werken. Ook hier, het grote internationale sociale vraagstuk van deze eeuw, ligt een taak voor de overheden en mag men het niet laten aankomen op een ouderwetse klassenstrijd of een al even ouderwetse laat-maar-lopen-politiek.

Dat brengt ons op de verschillende motieven die voor het verlenen van ontwikkelingshulp naar voren worden gebracht. Ik kan ze niet alle noemen, maar wel wil ik er een paar vermelden met een kort commentaar van mijn kant.

Sommigen zien in de bestrijding van het communisme een motief voor ontwikkelingshulp. Ik meen dat we voorzichtig moeten zijn met zo’n gedachtengang. Aan het verschaffen van hulp moet men geen staatkundige voorwaarden verbinden. De ontwikkelingslanden willen graag zelf kiezen welk politiek systeem zij willen hebben en zij dulden terecht niet dat de donorlanden zich met hun interne politieke structuur bemoeien. Iets anders is natuurlijk dat door het verlenen van ontwikkelingshulp een proces van sociale vernieuwing op gang kan komen, waardoor de kans op een communistische greep naar de macht wellicht wat kleiner wordt. Maar dat veronderstelt in veel ontwikkelingslanden wel een geweldige sociale omwenteling!

Anderen menen dat de filantropie een rol speelt bij de ontwikkelingshulp. Zo in de trant van: „Die arme negers, ze hebben het zo moeilijk, zouden we er eens iets aan gaan doen?” Hoe sympathiek ook op zichzelf, het lijkt mij duidelijk dat de filantropie nooit een goede basis kan zijn voor het verheffen van de ontwikkelingslanden. In de vorige eeuw hebben vele filantropen, heeft ook de diaconie, zich bezig gehouden met de gevolgen van de sociale tegenstellingen. Hoewel in individuele gevallen de ergste nood kon worden gelenigd, heeft die hulp tóch niet het probleem als zodanig tot oplossing kunnen brengen (het heeft misschien hier en daar zelfs versluierend gewerkt omdat de diaconie de ergste gevolgen opving). Slechts door ingrijpen van de overheid, door een omzetting van de maatschappij, werden de oorzaken van de sociale ellende weggenomen en kreeg de onderliggende een stuk vrijheid terug. Let wel, juridisch had hij de vrijheid allang, maar wat betekende die vrijheid als hij economisch gebonden was aan zijn werkgever en hij door zijn grote armoede nauwelijks iets met zijn „vrijheid” kon beginnen? Door ingrijpen van de overheid ontstaat een stuk gerechtigheid. Geen filantropie, hoe sympathiek ook, verandert de structuren van de maatschappij.

Is het verlenen van hulp dan een soort premie tegen het ontstaan van revoluties? Ik meen het te moeten betwijfelen. Revoluties ontstaan daar waar de massa zich van zijn armoede bewust wordt. Als door het verlenen van hulp de massa via de communicatiemiddelen gaat ontdekken hóe arm hij wel is (armoede is immers vaak een relatief begrip, vergeleken dus met de omringende rijkdom), komt hij in beweging en is de kans op onrust groter. Hoe vreemd het ook moge klinken: hulpverlening kan leiden tot onrust. Maar die periode van onrust zat in veel gevallen nodig zijn om tot dynamiek in zo’n maatschappij te komen. Heilbronner, een bekend Amerikaans econoom, heeft al eens op dit facet gewezen en opgemerkt, dat ontwikkelingshulp niet altijd wordt beantwoord met dankbaarheid, maar nogal eens onrust meebrengt. Slechts door de maatschappij te veranderen en er gerechtigheid te brengen kan die onrust worden weggenomen.

Een op zichzelf wel juist motief lijkt me dat van de solidariteit.

Dat solidariteitsgevoel wordt nogal eens ingegeven door een gevoel van ereschuld die wij tegenover bij voorbeeld de negers heblben. Nederland heeft namelijk nogal tamelijk vooraan gestaan om het zacht te zeggen toen het ging om de slavenhandel. Tijdens de periode van de slavenhandel zijn uit Afrika ongeveer 2 miljoen negers, vaak de gezondste en de sterkste, naar Amerika versleept, waar men nu nog dagelijks met het probleem van de integratie van de neger in de Amerikaanse maatschappij worstelt. Maar een ander gevolg is dat aan de Afrikaanse samenleving gezonde, krachtige mensen werden ontnomen waardoor die maatschappij een gevoelige aderlating onderging. Velen schamen zich (en terecht!) over de rol die het Westen in die slavenhandel heeft gespeeld en daaruit ontstaat dan het gevoel, iets te moeten terug doen voor het vele onrecht dat de negers is aangedaan. Ik geloof dat dat morele schuldgevoel op zichzelf er heel goed toe kan dienen, de mensen de ogen voor hun verantwoordelijkheid te openen. Maar of dat gevoel voldoende is om die ogen ook open te hóuden, betwijfel ik. Gevoel is nu eenmaal een tijdelijke zaak, die wel iets in beweging kan zetten maar nauwelijks de gang er in kan houden! Om Professor Röling te citeren: „Je kunt geen solidariteit opcommanderen!”

Een ander motief voor ontwikkelingshulp dat op zich zelf een juist motief is, vind ik gelegen in het streven naar vrede. Oorlog is gevolg van onvrede met een bestaande toestand, en die onvrede wordt vaak ingegeven door de schrijnende tegenstellingen in welvaart. Het op grote schaal verlenen van ontwikkelingshulp, gericht op het dempen van die kloof, kan wellicht een iets meer stabiele wereld scheppen, maar ik heb er al op gewezen dat de ontwikkeling van een maatschappij ook een stuk onrust kan meebrengen. Wellicht kan ik het zo stellen: we zullen die tijd van onrust dóór moeten om terecht te komen in een fase waarin de welvaart wat meer is gespreid en daardoor wat meer stabiliteit zal ontstaan.

Het voor mij allesoverheersende motief voor het verlenen van ontwikkelingshulp is en blijft: de beoefening van de gerechtigheid door de overheden, ook in het internationale verkeer. Die gerechtigheidseis verdwijnt niet als het gevoel is verdwenen, die gerechtigheidseis blijft ook bestaan als er onrust in de ontwikkelingslanden zou ontstaan, die gerechtigheidseis houdt voor ons in deze eeuw de grote opdracht in, op internationaal vlak iets van een samenleven te verwezenlijken, dat trekken vertoont van de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods.

Hoe ontstond de kloof?

Als beoefening van gerechtigheid is het overbruggen van de kloof tussen arm en rijk, kan een fundamentele aanpak van dat probleem pas mogelijk zijn, als we de oorzaken van die kloof op het spoor komen. Over die oorzaken is al veel geschreven. De een legt de nadruk soms anders dan een ander, maar ik krijg de indruk dat het hier om een hele keten van oorzaken gaat. Men zou daarover het volgende kunnen zeggen: De kloof wordt veroorzaakt door een ten opzichte van het westen sterk achterblijvende economische groei, die weer wordt veroorzaakt door een chronisch gebrek aan kapitaal, dat op zijn beurt weer veroorzaakt wordt door een zeer geringe productiviteit, teruggaande op conservatisme, feodale verhoudingen en primitieve religieuze voorstellingen (wat zullen de voorouders niet zeggen als de landbouw methodes die zij voor goed hielden zouden worden afgeschaft?), terwijl dan daarbovenop nog in heel veel landen de enorme bevolkingstoename komt, die de economische groei, zo die er al is, vaak verre overtreft.

Hoe een zó hardnekkig bestaande kloof te overbruggen? Het is duidelijk dat er, hoe dan ook, kapitaal in die landen moet komen om een economisch groeiproces op gang te helpen. Dat dient bij voorkeur te gebeuren door schenkingen, om de toch reeds gegroeide schulden- en rentelast van de ontwikkelingslanden niet nog te vergroten!

Op het gebied van de landbouw liggen grote knelpunten. Daar moet technische hulp worden geboden om de mensen uit de vicieuze cirkel te halen. Laat ik ter illustratie van de nood een citaat geven uit „Wereld-Informatie” van de NOVIB van maart 1968. Ik citeer letterlijk:

„In de periode 1960–’67 traden gelijktijdig de volgende verschijnselen op: de produktie van voedsel in de ontwikkelingslanden steeg minder snel dan de vraag, de hoeveelheid goed nieuw land, die makkelijk in cultuur te brengen zou zijn, nam sterk af; de bevolking van de ontwikkelingslanden bleek toegenomen in verhoogd tempo; de graanoverschotten in Noord-Amerika raakten vrijwel uitgeput door export naar minder ontwikkelde gebieden; over het geheel genomen stagneerde de ontwikkelingshulp van de rijkere landen en nam de schuldenlast van vele ontwikkelingslanden snel toe. Naar verwacht mag worden zal de ongehoord snelle bevolkingsgroei in bijna alle ontwikkelingslanden van de jaren vijftig en zestig deze eeuw blijven aanhouden en zelfs bij gezinsplanning op aanzienlijke schaal die van de ontwikkelde industrielanden decennia lang verre overtreffen. Deze snelle bevolkingsgroei tezamen met de waar te nemen stijging van het inkomen per hoofd van de bevolking van de ontwikkelingslanden, een stijging die voor een groot deel tot uitdrukking zal komen in een verhoogde vraag naar voedsel, maakt het waarschijnlijk dat in de voorzienbare toekomst de voedselproduktie in de ontwikkelingslanden bij de vraag zal achterblijven. Temeer omdat — met name in het Verre Oosten — weinig nieuw in cultuur te brengen land over is, in tegenstelling tot enkele decennia terug, toen de helft van de stijging in voedselproduktie in Latijns-Amerika, Afrika en het Nabije Oosten te danken was aan landontginning. De hoeveelheid bouwland per hoofd van de bevolking zal dus dalen. Het is waarschijnlijk dat in het jaar 2000 per hoofd van de boerenbevolking in de ontwikkelde landen 20 maal zo veel land beschikbaar is als in de onderontwikkelde landen. Vergeleken met het Verre Oosten alleen zou dit vijftig maal zo veel zijn.”

Uit dit lange citaat van een studie van de Secretaris-Generaal van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) blijkt dacht ik zonneklaar de reusachtige problematiek. Het hele probleem lijkt een niet op te lossen fatale cirkelachtige aangelegenheid te zijn. Het staat er dan ook met de hele problematiek nog niet best voor. Dat blijkt uit een ander citaat uit deze studie die ik u niet wil ont houden:

„Om zich te kunnen ontwikkelen moeten deze landen grote hoeveelheden kapitaalgoederen importeren (b.v., geef ik er als verduidelijking bij, machines waarmede ze produkties kunnen beginnen). Wanneer zij tegelijkertijd stijgende hoeveelheden voedsel moeten importeren en een toenemende buitenlandse schuld moeten aflossen, zal zowel hun algemene economische groei als hun exportcapaciteit te weinig expansie ver tonen. De komende 10 tot 15 jaar zullen kritiek zijn voor het gehele ontwikkelingsproces; later zullen een stijgende productiviteit en een verminderde bevolkingsgroei de situatie waarschijnlijk lichter maken”.

Ook uit deze door de Oeso vervaardigde studie blijkt, dat de ontwikkelingslanden altijd in de misère zullen blijven zitten als niet het westen kapitaalhulp verschaft. Hoe men het ook wendt of keert, het westen zal financieel over de brug moeten komen!

Financiën niet enige aspect

Maar naarmate men meer over de ontwikkelingsproblematiek studeert, ontdekt men dat er bepaald meer facetten aan de zaak zitten dan de louter financiële. Trouwens, dat is u zo juist al gebleken. Laat ik nog één factor noemen, die de hele problematiek in een schril licht stelt. Daarvoor neem ik een paar cijfers, die ik erg illustratief vind.

In de periode 1954–1964 nam de voedsel produktie in Europa toe met jaarlijks 2.7%, terwijl de bevolking in die landen slechts jaarlijks met 1 à 1.5%,roeide. Een duidelijke toename van de voedsel produktie dus ten opzichte van de bevolkingsgroei. In de ontwikkelingslanden zien wij in dezelfde periode precies de omgekeerde beweging: De bevolking nam gemiddeld jaarlijks toe met 2.4%, terwijl de toename van de voedselproduktie slechts 0.5 was. Dat zijn alweer cijfers die er niet om liegen. Ze illustreren kil een proces dat we dagelijks in de krant kunnen lezen: voedsel-overschotten in Europa en grote voedseltekorten in de ontwikkelingslanden. Maar de zo juist genoemde cijfers laten zien dat door de bevolkingstoename de problemen van de ontwikkelingslanden elk jaar groter worden!

Structuur van de maatschappij

Ik heb er al een paar keer op gewezen, dat, hoewel er veel geld naar de ontwikkelingslanden zal moeten stromen, het bepaald naief zou zijn te menen, dat de kloof tussen rijk en arm door een grote gift zonder meer zou worden gedempt. Er is veel meer aan de hand dan alleen kapitaalgebrek. Kapitaalgebrek is een onderdeel van een keten van oorzaken die als een vicieuze cirkel de ontwikkelingslanden in hun greep houden.

Het brengen van geld is namelijk net niet hetzelfde als het brengen van welvaart. Welvaart immers veronderstelt een zekere spreiding. Bij één klasse opgehoopt kapitaal kan een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking suggereren, dat niet in het minst klopt met de werkelijke armoede van de massa. Ik behoef geen namen van sommige olielanden te geven om u duidelijk te maken wat ik bedoel. Het is juist een kenmerk van onder-ontwikkeling, dat de grote massa armoe lijdt, terwijl een bovenliggende klasse op het geld zit en in weelde baadt. Het is duidelijk dat zo’n maatschappij fundamenteel moet veranderen, wil er sprake zijn van een spreiding van welvaart.

Een maatschappij bijvoorbeeld zonder naastenliefde is een maatschappij waar ontwikkelingshulp maar moeilijk vruchten zal kunnen afwerpen. Laat ik een voorbeeld geven. Ik hoorde van mijn collega Boers-ma, die pas in India is geweest, het verschrikkelijke verhaal van een ongeluk dat een paria overkwam die uit een boom viel en daardoor zijn rug ernstig beschadigde. Naar het ziekenhuis gebracht, bleek hij na twee dagen nog steeds op dezelfde plek te liggen als waar men hem bij aankomst had neergelegd. Niets was aan hem gedaan, zelfs geen water had hij gekregen. Naastenliefde was kennelijk een onbekend begrip. Een maatschappij die geen naastenliefde kent kan met geld niet worden geholpen. Slechts een maatschappij waar het besef doorbreekt dat men iets voor de ander moet overhebben kan tot een stuk dynamiek komen.

Ook het brengen van technische kennis zal niet helpen als de maatschappij niet bereid is, die kennis ook te gaan toepassen. En er zijn nogal veel gebieden waar de bevolking gewoon niet rijp is voor toepassing van betere landbouwmethoden omdat men vreest de goden en de voorouders te vertoornen door doorbreking van eeuwenoude traditie.

Het evangelie geeft meest fundamentele omzetting van de maatschappij

In New Dehli verklaarde in 1965 de Amerikaanse professor Smith: „Welvaart ontstaat niet automatisch, welvaart eist visie en vaart”. Ik geloof dat op die manier kort en bondig een centraal probleem wordt aangesneden. Hoe langer hoe meer blijkt de ontwikkelingsproblematiek er een te zijn van gebrek aan dynamiek, die schuilt in de maatschappijstructuren.

Laat ik in dit verband Prof. Verkuyl citeren (ik ontleen het citaat aan Missie Integraal van januari 1968):

„De vorming van een „Nation” uit een veelheid van ethnische groepen, het zoeken van het evenwicht van gezag en vrijheid, de plaatsbepaling van jonge staten in het eigen continent en in de wereldsamenleving, de opbouw van een nationale economie, het zoeken naar sociale reïntegratie, de kultu rele reoriëntatie en nieuwe zelfexpressie, de beheersing van de volksgroei, het zoeken naar een houvast in de draaikolk der ideologieën, het zoeken naar een nieuw menstype — al deze kernproblemen der ontwikkelingslanden hebben in laatste instantie ook te doen met een levenswijze, levenshouding en met nieuwe gedragingen. De diepste oorzaken, die de vernieuwingen in de ontwikkelingslanden remmen, zijn immers niet uitsluitend en zelfs niet primair van technische en financiële aard, maar van geestelijke en morele aard.”

Ook hier is weer een excuus voor de lengte van het citaat gepast. Toch, dat citaat laat duidelijk zien wat ik bedoelde toen ik het evangelie ter sprake bracht in verband met de problemen die we bespreken. Mag ik nog één keer deze bekende zen-dingsman ten tonele voeren? Hij concludeert, dat van de christelijke gemeenschappen in veel ontwikkelingslanden een afbrekende invloed is uitgegaan. Dat lijkt op het eerste gezicht nogal negatief, maar het wordt duidelijker als er aan wordt toegevoegd „Deze gemeenschappen hebben in feite het vernieuwingsproces bevorderd door allerlei waarden, tradities en magisch-mytische gebruiken welke de ontwikkeling remmen, te verminderen of af te breken.” Als voorbeelden noemt hij landbouwmethoden en kaste-systemen.

Dit is geen theorie, maar ook in de praktijk blijkt dat de kerken hun taak verstaan. Verkuyl wijst er op dat vanuit de met de kerken verwante opleidingsscholen talloze mensen zijn opgeleid op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, maar ook op het terrein van de vorming van politici, technici en bestuurders. Vanuit de organen van missie, zending en werelddiakonaat wordt aan deze christelijke gemeenschappen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika assistentie geboden om hen te helpen de huidige samenleving op het vlak van mikro-projekten effectiever te dienen dan vroeger.

Hetgeen ik over de samenhang van evangelie en ontwikkeling heb gezegd, mag niet worden opgevat alsof ik slechts aan ontwikkelingswerk door de overheden denk in samenhang met evangelieverkondiging. Zo'n voorwaarde mag door de overheid nooit worden gesteld. Integendeel: De overheid zal haar hulp moeten aanpassen aan de plaatselijke religieuze situatie die ze aantreft, om die hulp geaccepteerd te krijgen. Een leuk voorbeeld van de praktijk trof ik aan in een brochure die door de Nederlandse overheid is uitgegeven over de ontwikkelingshulp.

Het voorbeeld betreft een irrigatieprojekt in een Aziatisch land, waar het waterpeil constant zakte. Men stelde een plan op voor een stuwdam met een waterleiding. Na onderzoek ter plaatse wijzigden de plannenmakers hun ontwerp in die zin, dat twee leidingen zouden worden aangelegd. Het waren geen technische overwegingen die de doorslag gaven, maar de wijziging ging terug op het feit, dat de bevolking alleen heil verwachtte van twee leidingen, omdat in hun visie overal en altijd de natuurlijke twee-eenheid van man en vrouw tot uitdrukking moest komen. In dit geval zou de ene waterleiding het mannelijke, de andere het vrouwelijke element vertegenwoordigen.

Het zal duidelijk zijn, dat daar waar het evangelie in de maatschappij wordt geaccepteerd zich een dynamiek gaat aankondigen die de maatschappij in beweging zet. Vandaar dat ik het zo toejuich dat de Nederlandse overheid er toe is overgegaan om financiële hulp te verlenen aan niet-commerciële projekten, waaronder die van missie en zending een belangrijke plaats innemen.

Structuur wereldeconomie

Ik heb zoëven al een paar problemen van de structurele tegenstellingen tussen rijke en arme landen genoemd. Ik kan vandaag niet alle problemen opsommen, laat staan er ook maar een globale oplossing voor aandragen. Toch is het goed een paar hoofdproblemen die ook op de UNCTAD conferentie speelden, te noemen.

Een heel belangrijk punt voor de ontwikkelingslanden is het feit, dat deze landen heel vaak een soort mono-cultuur hebben. Zij zijn voor hun inkomsten vaak afhankelijk van de opbrengst van één bepaald landbouwprodukt. En dan worden die land-bouwprodukten ook nogal eens vervangen door westerse kunst-stoffen: katoen vervangen door nylon, rubber door plastics en dergelijke.

Daar komt dan nog bij dat de prijs van die voor het westen bestemde grondstoffen aan allerlei fluctuaties onderhevig is. Is er een goede oogst dan dalen de prijzen en ook door andere invloeden zit een dalende tendens er vaak in. Omgekeerd hebben de ontwikkelingslanden kapitaalgoederen (machines e.d.) nodig, die door het westen worden geleverd tegen prijzen die al jaren de neiging hebben alleen maar te stijgen. Op die wijze wordt de ruilvoet (levering van grondstoffen tegen machines) elk jaar slechter voor de ontwikkelingslanden.

Voorts liggen de grondstoffen vanuit de ontwikkelingslanden nogal eens achter omdat de westerse landen hoge invoerrechten heffen.

De Nederlandse regering erkent dat de ontwikkelingslanden juist dááarom zo kwetsbaar zijn, omdat ze vaak eenzijdig afhankelijk zijn van de produktie van grondstoffen. Zij meent daarom dat er een verschuiving in de internationale handel moet komen, welke verschuiving pas goed tot stand zou komen als de westerse landen bereid zijn mede te werken aan een her-structuering van de wereldeconomie.

Binnen het raam van de Verenigde Naties is ontstaan het plan tot oprichting van de UNIDO (United Nations Industrial Development Organization). De UNIDO, aldus de toelichting bij de ontwikkelingsbegroting van de Nederlandse regering voor het jaar 1968, is bedoeld om de industrialisatie in de ontwikkelingslanden te stimuleren. Dit wil zij bereiken door hulp aan de minder ontwikkelde landen bij het formuleren van industriële ontwikkelingsprogramma’s, de voorbereiding van industriële projekten, het bevorderen van nationale, regionale en internationale acties tot versnelling van het industrialisatieproces in de ontwikkelingslanden en het oprichten van instituten in deze landen op het gebied van industriële produkie en programmering.

De Nederlandse regering staat achter deze plannen met betrekking tot UNIDO.

UNCTAD

Een andere activiteit in het raam van de Verenigde Naties is bekend geworden onder de naam UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development), een internationale organisatie dus die zich bezig houdt met handel en onwikkeling.

Zoals bekend heeft deze tweede Wereldhandelsconferentie begin van dit jaar in New Delhi plaats vonden.

De resultaten van deze conferentie zijn voor deze ontwikkelingslanden teleurstellend geworden. Van veel prachtige theorieën over de vraag hoe men door een herstructurering van de wereldeconomie de ontwikkelingslanden tegemoet kon komen is in de praktijk bitter weinig terecht gekomen, met name door de egoistische houding van vele westerse landen. Bruins Slot in Trouw, zinspelend op de prachtig geslaagde actie van de Kerken onder het motto ’Kom over de brug’, constateert dat de westerse landen in New Delhi niet over de brug zijn gekomen. De Nieuwe Linie constateert sceptisch dat New Delhi net niet is mislukt.

Inderdaad heeft New Delhi geen indrukwekkende resultaten opgeleverd. Men heeft voor wat de grondstoffenovereenkomsten betreft, slechts ten aanzien van bepaalde Produkten afspraken gemaakt om opnieuw bijeen te komen (Caçao, suiker), terwijl voor oliezaden en vetten is afgesproken dat de UNCTAD en de Wereldvoedselorganisatie voor 31 oktober 1968 een studie zullen voltooien inzake mogelijke oplossingen voor de vraagstukken die hier liggen. Ten aanzien van vele andere grondstoffen is men niet veel verder gekomen dan wat vage aanbevelingen.

Uit hetgeen ik van deelnemers aan de UNCTAD-conferentie heb vernomen heeft Nederland niet zo’n gek figuur geslagen. Het was vaak heel wat vooruitstrevender dan andere westerse landen. Toch dreigde het op die manier min of meer een rol tussen servet en tafellaken te spelen: bij het westen werd het gewantrouwd omdat het allerlei concessies zou willen doen aan de ontwikkelingslanden, bij de ontwikkelingslanden werd het gewantrouwd omdat Nederland nu eenmaal onderdeel is van het rijke Westen.

Wat de omvang van de ontwikkelingshulp betreft, Nederland heeft op zich genomen de toezegging om in 1971 1% van het bruto nationaal produkt aan ontwikkelingshulp te geven als een verplichting op zich te nemen.

UNCTAD II heeft niet de deur naar de ontwikkelingslanden geheel dichtgegooid, maar wel is duidelijk dat er nog veel water naar de zee moet vloeien alvorens bereikt is wat zou moeten gebeuren: een herstructuerering van de wereldeconomie waarin op faire wijze rekening wordt gehouden met de specifieke moeilijkheden van de ontwikkelingslanden.

Nederlands hulpprogramma

In 1968 heeft de regering aan de omvang van de Nederlandse publieke hulp nogal wat aandacht besteed. Lag het begrotingscijfer voor 1967 op 450 miljoen gulden, voor 1968 is dit gestegen met een percentage van ruim 16 tot 525 miljoen gulden. De regering heeft inderdaad aan de ontwikkelingshulp flinke prioriteit gegeven. Ieder die het ontwikkelingswerk ter harte gaat is het er overigens over eens, dat de komende jaren de inspanning nog aanmerkelijk moet worden opgevoerd. Na hetgeen ik aan het begin zei, behoef ik niet meer toe te lichten waarom zo'n vergrote inspanning broodnodig is. Wij zijn in Nederland op de goede weg. Andere landen hebben voor 1968 een stap terug moeten doen. Ik denk aan Amerika dat, dank zij de afschuwelijke oorlog in Vietnam, haar ontwikkelingshulp dit jaar niet op het peil van vorig jaar heeft kunnen handhaven, ik denk ook aan het Verenigd Koninkrijk dat in 1968 10% minder uitgeeft voor ontwikkelingshulp dan in 1967. Daarentegen heeft Duitsland voor 1968 zijn inspanning met 10% vergroot.

Het beleid van Minister Udink, die een uitstekende memorie van toelichting gaf bij zijn begroting 1968, geeft ons bepaald vertrouwen dat bij hem deze aangelegenheid in goede handen is. Hij heeft zijn beleid trouwens in de Kamer ook uitstekend verdedigd.

Van het bedrag van ƒ 525 miljoen, gaat ƒ 133 miljoen naar Suriname en de Antillen, terwijl bijvoorbeeld voor de medefinanciering van projekten een bedrag van ƒ 19,5 miljoen is uitgetrokken. Het vrijwil-ligersprogramma gaat dit jaar ƒ 8,3 miljoen kosten, terwijl aan allerlei Instituten (o.a. het bekende Instituut voor de Tropen te Amsterdam) in 1968 een bedrag van ƒ 21 miljoen zal worden besteed.

Van de bilaterale hulp (waarop dit jaar wat meer nadruk ligt) gaat een belangrijk gedeelte naar Indonesië, met welk land wij gelukkig bezig zijn weer wat betere relaties op te bouwen. Het valt te hopen dat wij via de weg van de hulpverlening nog enige assistentie kunnen geven aan dit geweldige land in ontwikkeling, waarmee vele Nederlanders zulke uitstekende verhoudingen hadden in het verleden.

Tenslotte

Het moest voor Christenen een volkomen vanzelfsprekende zaak zijn, dat zij vooraan staan als het gaat om hulpverlening op grote schaal aan de verre naaste, die honger lijdt. De Christen kan vooraan gaan staan in die strijd tegen armoe en gebrek door zonder morren belastingen op te brengen die bestemd zijn voor hulp aan ontwikkelingslanden, door in daadkracht mede te werken aan projekten in die landen en door b.v. als hij in de handel of industrie zijn bestaan vindt, met vreugde mede te werken aan een andere economische orde, die wat meer rechtvaardigheid in de wereld brengt.

De ontwikkelingshulp zal nooit het vraagstuk geheel kunnen oplossen. Er moet in die landen een motor op gang worden gebracht. Er moet daar een stuk vrijheid worden geschapen. Die ontstaat pas als daar de maatschappij in beweging komt. En voor dat in-beweging-brengen hebben wij, daarvan ben ik stellig overtuigd, onze mede-verantwoordelijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.