+ Meer informatie

HOE ‘ACHTERLIJK’ IS DE KERK?

8 minuten leestijd

Over de verhouding m/v in kerk en samenleving

Regelmatig horen we in de media over scherpe verwijten en kritiek vanuit de samenleving richting de islam vanwege de achtergestelde positie die vrouwen binnen deze religie zouden innemen (ik denk aan gebruiken als het op straat een eindje achter de man moeten lopen, het moeten zwijgen in aanwezigheid van de man, het gesluierd moeten gaan enz.). Inmiddels is er al van verschillende kanten | tegengeworpen dat een aantal van die gewoonten helemaal niet met achterstel-ling van de vrouw te maken hebben, maar juist met respect voor de vrouw, dat door onze cultuur niet begrepen wordt. Desondanks is er sprake van een constante stroom verwijten en van opstand tegen deze uitingen van een zogenaamde ‘achterlijke cultuur’.

Ligt dat eigenlijk ten opzichte van de christelijke kerk anders? Hoe ‘achterlijk’ is de kérk als het gaat om de verhouding man/vrouw? Ons spreken over de man als ‘hoofd van de vrouw’ zal in onze samenleving net zo weinig begrepen worden als de voorbeelden die ik hierboven van de islam noemde. De spanning tussen onze kerkelijke manier van spreken en doen en de samenleving die dit niet verstaat, kent iedereen die het wel eens meegemaakt heeft dat in een huwelijksdienst het klassieke formulier voor de bevestiging van het huwelijk gelezen werd in aanwezigheid van ongelovige familie of vrienden van het bruidspaar… En probeer het maar eens uit te leggen aan een collega dat in ons kerkelijk leven de vrouw geen ambtelijke functie ‘mag’ bekleden…

EN WIJ ZELF?

De vraag is: begrijpen we het zelf als christenen nog wel, dat bijbelse en kerkelijke spreken? In hoeverre is ons spreken over de verhoudingen tussen man en vrouw, de verhoudingen in het huwelijk en binnen de gemeente, wel ‘bekend’ van oudsher, maar zijn we eigenlijk in de praktijk het verstaan daarvan verleerd? En in hoeverre komen wij zo zelf steeds meer in een innerlijk conflict vanwege de gegroeide praktijk overal om ons heen? Ook wij zijn tenslotte deel van een maatschappelijke situatie waarin de verhoudingen op dit punt ingrijpend gewijzigd zijn.

Pas geleden stond er in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel Zwijgen over scheiden. Hoe echtscheiding onder christenen niet mag en toch normaal wordt. In dit artikel werd de groeiende kloof geschetst tussen wat de Bijbel en de kerk zeggen over echtscheiding en de dagelijkse ervaring van de kerkganger. Niet alleen in de samenleving, maar ook binnen de gemeente. ‘Gij zult niet echtbreken’, zo klinkt het iedere zondag tijdens de kerkdienst. Maar volgens de Stichting Schuilplaats, een christelijke organisatie voor psychosociale hulpverlening, stijgt het aantal echtscheidingen in kerkelijke kring schrikbarend en wijken de redenen die christenen aanvoeren om te scheiden niet af van die in de rest van de samenleving. Het idee van een in geloof dragen van een moeizaam huwelijk is zeker bij jongere mensen vrijwel verdwenen. Zij zijn meer gericht op persoonlijke behoeftebevrediging en kunnen zich niet voorstellen, dat God van hen zou vragen een huwelijk dat niet past bij hun behoefte aan het ontvangen van liefde, door te zetten. Tegelijk willen ze hun leven leiden als christen en binnen de gemeente hun plek innemen. Het artikel liet zien dat er binnen de gemeenten nauwelijks openlijk wordt gepraat over de spanning die dat met zich meebrengt. Veel christenen blijken verlegen te zijn met het verschil tussen norm en werkelijkheid en gaan het gesprek hierover liever uit de weg.

VERLEGENHEID

Zou die verlegenheid niet nog dieper door te trekken zijn naar het totaal van het bijbelse spreken over de verhouding tussen man en vrouw? We horen van de man als hoofd van de vrouw, en van de vrouw die moet zwijgen in de gemeente, omdat zij zich moet voegen onder de haar gestelde orde, maar we hebben van maandag tot en met zaterdag te maken met een maatschappelijke situatie die ingrijpend daarvan verschilt. En dat geldt niet alleen ‘om ons heen’, maar het raakt ook onze eigen omstandigheden. Ook bij ons is het geaccepteerd, dat echtgenotes een betaalde baan hebben, dat vrouwen werken in allerlei leidinggevende functies en dat zij soms grote verantwoordelijkheden dragen. En dan komen we ‘s zondags in de kerk, en daar houden we onbekommerd vast aan onze oude woorden en gewoonten; leidt dat niet steeds meer tot een innerlijke botsing?

Wanneer het echter werkelijk zo is, dat er een kloof groeit tussen wat in de samenleving en ons eigen leven vanzelfsprekend geworden is én wat in de kerk gezegd wordt, welk antwoord hebben wij dan, wanneer wij vanuit de samenleving aangesproken worden op ons belijden over de positie van man en vrouw? Want het kan toch niet anders of wij als christelijke kerken komen als gevolg van de discussie met de islam óók onder vuur te liggen en onze overtuigingen worden eveneens als deel van een achterlijke cultuur gezien, die zo snel mogelijk losgelaten dient te worden? Ongetwijfeld zullen ook wij steeds meer ter verantwoording worden geroepen op dit punt. En wat zeggen we dan? Of staan we dan met een mond vol tanden, omdat we het zelf ook niet innerlijk meemaken? Ik ken gemeenteleden die zich verontschuldigen als er door anderen gevraagd wordt naar de toch wel erg ouderwetse gewoonte dat vrouwen geen ambtelijke plek in de gemeente kunnen innemen: zelf weten ze er eigenlijk ook geen weg mee…

HEILZAME BOODSCHAP

Zonder in dit artikel al te zeer op de oplossing van de problematiek in te gaan, lijkt één ding duidelijk. Waar we als christenen in ieder geval dringend behoefte aan hebben, is aan een hernieuwd studeren op het bijbelse getuigenis rond de positie van de man en de vrouw: wat betekent het nu ten diepste dat de man volgens de Bijbel het hoofd is van de vrouw? Welke achtergrond klinkt daarin mee, welke vulling hebben die woorden, wat heeft God ermee op het oog? Het is belangrijk dat het goede en heilzame van de bijbelse boodschap op dit punt duidelijk gaat klinken, allereerst in ons eigen gemeentelijk leven: dat we als gemeenteleden de bedoeling van het bijbelse spreken (leren) proeven en begrijpen.

En vervolgens, als we zelf de bedoeling meer verstaan, is het wellicht goed om ons af te vragen: kunnen we dezelfde dingen misschien ook anders zeggen? Misschien zo, dat zelfs een buitenstaander iets van dat heilzame gaat ontdekken? En zo, dat hij of zij niet alleen door het aanstootgevende van een bepaalde uitdrukking geprikkeld wordt? En misschien hebben we daarvoor dan wel wat meer woorden nodig dan alleen het bekende ‘de man is het hoofd van de vrouw’, om maar even bij dat voorbeeld te blijven. Als we spreken over een liefdevol voorgaan, een troosten en een ‘er voor haar zijn’ in plaats van over een ‘hoofd zijn’ als staande uitdrukking zonder verdere uitleg, komt misschien wel meer van de bijbelse bedoeling naar voren. De ervaring leert, dat door meer of andere woorden te gebruiken ook de bedoeling van het huwelijksformulier aan iemand van buiten de kerk valt uit te leggen. Misschien moeten we die woorden dan ook maar zoeken en gebruiken. Zouden we die moeite er juist vanuit een missionaire houding niet voor over hebben?

Aanstoot

En als het gaat over de positie van de vrouw in de gemeente, houden we het dan bij uitdrukkingen als dat de vrouw ‘moet zwijgen’ en ‘zich rustig moet houden in alle ondergeschiktheid’? Of kunnen we iets uitleggen over de achtergrond van deze woorden en kunnen we iets zeggen over hoe de plaats die God aan de vrouw heeft gegeven in haar verhouding tot de man, ook gestalte mag krijgen in de manier waarop zij zich publiekelijk gedraagt? Wie de woorden van Paulus in 1 Korinthe 11 goed leest, ziet dat Paulus juist vanwege een vrees om buitenstaanders onnodig aanstoot te geven, de gemeente oproept zich binnen de algemene gedragslijn te houden. Paulus probeert om de positie die de vrouw ten opzichte van de man heeft in de gemeente tot uitdrukking te brengen op een manier die volgens de gangbare maatstaven van zijn tijd en cultuur passend geacht werd. Zouden wij ons er dan in onze tijd en cultuur niets aan gelegen hoeven te laten liggen of wij in onze gemeenten ons zodanig gedragen dat het voor de buitenwereld onnodig aanstoot geeft? Of zouden we misschien in onze tijd (waar niet het op de voorgrond treden van de vrouw, maar juist het achterstellen van de vrouw als aanstootgevend wordt beleefd) kunnen benadrukken hoe er juist in de gemeente van Christus ten aanzien van het in Christus geschonken heil een volkomen gelijkheidwaardigheid tussen man en vrouw bestaat?

Hoe deze bezinning ook verder ingevuld wordt, van belang is dat we ons bewust zijn van onze verlegenheid met de ‘kloof’ tussen belijden en praktijk en dat we bereid zijn die onder ogen te zien. Dat biedt namelijk de kans om opnieuw het richtinggevende en goede dat God ons in zijn Woord heeft gegeven te doordenken en onder leiding van de Heilige Geest van harte te laten functioneren in ons leven en in de gemeente.

Mevr. Renkema-Hoffman is theologe en is lid van de gemeente van Haarlem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.