+ Meer informatie

Ter Overweging

8 minuten leestijd

Dr. H.M. Mulder, Lucas II. Een praktische bijbelverklaring. 171 blz. Uitg. Kok, Kampen, 1988.

Met genoegen hebben we dit tweede deel van Mulders commentaar op Lucas gelezen. Een vrij uitgebreide inleiding bij 9 : 28 – 18 : 30 behandelt de vraag: Inlassing of reisverhaal? De conclusie is dat we in Lucas te maken hebben met een beweging van de omtrek naar het middelpunt, zoals in Handelingen de omgekeerde beweging is op te merken. Daardoor is de gedachte aan een reisverhaal voor de auteur alleen in een wat herziene versie aanvaardbaar. Het commentaar kenmerkt zich door een zekere soberheid en zakelijkheid. Doorkijkjes, achtergronden en „theologische” samenhangen vindt men hier niet direct. Voordeel is wel, dat men over een bepaalde pericoop snel wordt geinformeerd. Enige kerygmatische diepte (bijv. bij 24:44–49) zou ons niet onwelkom zijn geweest.

Drs. H. de Jong, Deuteronomium I - XVIII en XVIII - XXXIV. De evangelische wet. Deel 1 en 2. 160 blz. f. 19,90. Kampen 1987.

Deze twee delen bevatten de lezingen die de schrijver voor de EO-microfoon in 1986/ 87 over Deuteronomium heeft gehouden. Per avond een hoofdstuk, soms twee avonden voor een hoofdstuk. De commentator gaat consciëntieus en actualiserend te werk. Hij laat zien dat de herhaling van de wet tegelijk een verdieping betekent. De evangelische setting en strekking van Deuteronomium komt uitgebreid aan de orde. De schrijver heeft al onderzoekend en sprekend van het boek geleerd.

Ik heb waardering voor deze beide boeken, maar tegelijk niet-onaanzienlijke bedenkingen. Die hangen samen met een fundamentele stelling dat het probleem van Mozes’ dood werd opgelost door de instelling van de verzoeningsdienst. Dan laat zich de vraag niet onderdrukken: is de verzoeningsdienst niet reeds tijdens Mozes’ leven basis en centrum van Israels godsdienst? Hoe laat zich waarmaken dat Mozes’ middelaarsambt zijn dood vergde? (1 : 28–30). Dit lijkt mij een constructie, die - onuitgesproken - samenhangt met een tamelijk historisch-kritische benadering van Deuteronomium. Ook het onderscheid tussen de door God gegeven Tien Geboden èn de latere inzettingen en geboden, vind ik een af te wijzen beschouwing (1 :47,90, 2 : 43,59). Alsof in Deuteronomium het ene gedeelte directer en zwaarder openbaringsgewicht zou hebben dan het andere deel. De gedachte dat de verkiezing steeds meer vastgemaakt wordt in de verzoening, en zo steeds meer verkiezing in Christus wordt (2:12,39), is voor ons niet aanvaardbaar. Welke visie op de geschiedenis van de heilsopenbaring ligt hier achter? Wij schrijven deze bespreking nadat wij kennis hebben genomen van enkele artikelen van drs. De Jong in Opbouw. De teneur van zijn betoog daar gaat nog duidelijker in de richting van schiften tussen wat geopenbaard is en wat door bijbelschrijvers (Paulus) zelf is bedacht en geschreven. Een „theologie van Paulus” aldaar. Hier een „theologie van Deuteronomium”? Wij zouden die kant niet uit willen.

Dr. K. Deddens, Dient Hem met vreugde! Deel I Opstellen over de dienst van de ambtsdragers. 240 blz. f. 25,90. Goes 1988.

De schrijver is hoogleraar aan het Theologische College van de (vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken in Canada. Hij was predikant in de Nederlandse vrijgemaakt Gereformeerde Kerken en zendeling op Curacao. Een veelzijdig leven dat zich weerspiegelt in deze opstellen. Ze zijn bedoeld voor de ambtsdragers, maar ze zijn ook ontstaan uit colleges voor studenten. Dat is in verschillende hoofdstukken goed te merken. Het laatste opstel „Zendingsdienst en wereldeinde” is niet meer dan een Kerkbode-artikel. Het meest geschikt voor ambtsdragers zijn de hoofdstukken „Handoplegging bij ambtsaanvaarding”, „Ambtelijke geheimhouding”, „De ouderling en de evangelisatie” en „Dienende diakenen”, hoewel dit laatste opstel niet op de situatie van nu is toegesneden. Dit geldt overigens van meer hoofdstukken. Bij het hoofdstuk over de diakenen is - helaas - niet ingegaan op het boek van prof. Van Bruggen. Discussie met deze auteur zou ook andere hoofdstukken verdiept hebben. Jammer ook dat de verhouding van ambt en charisma niet duidelijker aan de orde is gesteld.

Er staan veel citaten in dit boek, vooral van Calvijn en van mensen die over hem hebben geschreven. Helaas zijn de vindplaatsen niet vermeld. Wel is bij elk hoofdstuk een literatuurlijst. Het is een boek, met opstellen van verschillend niveau en van verschillende doelstelling. Waardering voor het gebodene, leerzaam voor wie studeren wil, tegelijk wat weinig op recente discussies inspelend.

D. Nauta e.a., Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme. Deel 3’ 427 blz. f. 125,-. Uitg. J.H. Kok, Kampen 1988.

Dit is het derde deel van het Biografisch Lexicon, waarvan de verdere titel hierboven staat. Het is in kloek formaat keurig uitgegeven. Ik heb veel waardering voor deze uitgave. Namen als die van V. Hepp en H.H. Kuyper treffen we hier aan. Ook die van Lucas Lindeboom en van tal van zeventiende- en achttiende-eeuwse predikanten, ook van de beide hoogleraren Noordtzij, vader en zoon. Ik ben blij dat in dit deel een register te vinden is, dat alle drie delen beslaat. Het is mij niet mogelijk een orde te ontdekken in de bijdragen van de verschillende delen. Men krijgt de indruk dat wat klaar was, in alphabetische orde is geplaatst. Ik heb wel een vraag over de keus van de medewerkers: waarom is voor L. Lindeboom niet de echtgenoot van diens kleindochter, dr. R.H. Bremmer gevraagd? Waarom is voor G.J. Vos niet dr. Zwanenburg gevraagd, die op deze theoloog is gepromoveerd? Het artikel over T. Hoekstra zou door een auteur uit de ambtelijke vakken anders geschreven zijn dan het er nu uit ziet. Met name op diens nadruk op en verwerking van de psychologie, zou meer nadruk zijn gelegd. Hoe ook, het is een prachtig deel, een rijk bezit om steeds weer te raadplegen.

Ds.J.van Amstel, De rijkdom van de kinderdoop. f. 10,75. Uitg. Oosterbaan & Le Cointre,Goes 1989.

Dit boekje is geschreven vanuit antwoorden van de catechismus en artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Het is klaar en eenvoudig in zijn verdediging van de kinderdoop èn in de beschrijving van zijn betekenis. Het boekje is gericht op jongeren, maar kan ook ouderen helpen. Met de strekking van het boekje ben ik het hartelijk eens. Ik heb wel de indruk dat de gesprekstoon directer had kunnen zijn! Het boekje besluit met twee liederen, die respectievelijk door de auteur en door zijn vrouw zijn gedicht. De melodie is erbij afgedrukt. Ik moge erop wijzen dat de t in Ik wordt gekweld (blz. 79) moet worden weggelaten. Ik maak er opmerkzaam op, omdat in de bundel 1987 waarin dit lied eveneens te vinden is, dezelfde fout wordt gemaakt.

Een boekje om over na te denken en met anderen over te speken.

Dr. W.C. van Dam, Tussen Geest en antigeest. 112 blz. f. 19,90. Uitg. J.N. Voorhoeve, Den Haag 1988.

De schrijver is bekend om zijn werken binnen de charismatische beweging. Men vindt hier enkele hoofdstukken die in het blad Vuur hebben gestaan. Ik heb moeite met deze benadering, omdat ze de Geest tot een extra maakt met aparte openbaringen. Zo worden de gaven van de Geest ook uitgelegd. Het boek handelt in deel II over de antigeest: o.a. Satanisme, New Age beweging, Vrijmetselarij, Transcendente meditatie en Hypnose. Dit deel vind ik scherp in zijn analyse en bijbels in zijn kritiek. Een boekje dat met de gave des onderscheids moet worden gelezen. Het doet ons zien hoe actief de satan is en hoeveel pijlen hij op zijn boog heeft. Toch is Jezus overwinnaar. Dat is de boodschap van het boek.

C. Vonk, Mattheüs, Marcus. De voorzeide leer. Deel I Qa. 342 blz. f. 56,90. C. Vonk, Lucas, Johannes. De voorzeide leer. Deel I Qb. 704 blz. f. 59,50. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1988.

Ds. Vonk heeft een commentaar geschreven op de evangeliën. Hij nummert de paragrafen in de beide boeken door. Het zijn er van Mattheüs 1 t/m Johannes 21 al met al 26, telkens in subparagrafen onderverdeeld. Bij parallelle pericopen wordt steeds verwezen naar de eerste uitleg. Dit betekent dat het eigene van iedere evangelist wegvalt ten gunste van de nadruk opde eenheid en uniformiteit inde boodschap. Deze aanpak komt me voor als een minpunt. Er staan stellig pluspunten tegenover: een in getrouwheid de tekst willen verstaan en zijn boodschap de lezer naderbij brengen. Soms doet de verklaring denken aan die van de Korte Verklaring, dan weer blijkt dat de auteur toch eigen wegen gaat en eigen methode volgt. Jammer dat we niet geïnformeerd worden over het jaar van ontstaan. De literatuur waarnaar verwezen wordt is vaak van oude datum. Op blz. 163 van deel I treffen we ineens een boek van prof. Van Bruggen aan uit 1984. Is deze noot van de hand van een redacteur of nog van de auteur zelf? Opvallend is dat er ook paragrafen zonder noten zijn. Een bruikbaar commentaar, dat niettemin in het gebruik vragen oproept.

F. van Deursen, Prediker, Hooglied. De voorzeide leer. Deel I N. 346 blz. f. 41,50. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1988.

In de bekende serie De voorzeide leer heeft ds. Van Deursen nu Prediker en Hooglied behandeld. Het is een prachtig, eenvoudig, eerbiedig en blijmoedig commentaar. Het boek Prediker komt een stuk dichter bij de lezer. Het gaat echt open. Prediker was geen pessimist, maar een gelovig realist. Hooglied wordt beschreven als loflied, leerdicht en protestsong (tegen de seksualisering van het heidense leven). Ook al zou men in Hooglied meer zien dan de schrijver erin ziet, dan nog heeft deze verklaring haar betekenis.

Graag wil ik dit deel aanbevelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.