+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

56.

Het gaat om de waarheid. Om het kennen en beleven van de waarheid. De Heere ziet naar waarheid in het binnenste. Als de waarheid van Christus niet in ons is, dan missen wij het beginsel der oprechtheid.

Door het kennen van de waarheid is het ons duidelijk, dat wij bij onze geboorte als leugenaars gekomen zijn op een liegende wereld. Het niet echt geloven van de waarheid, heeft zijn oorzaak in het zijn uit de vader van de leugen. Hij is in de waarheid niet staande gebleven, er is geen waarheid in hem. In het liegen en bedriegen heeft hij zijn helse vreugde. Door de waarheid weg te werpen hebben wij de leugen aangenomen.

„Jezus zag Nathanael tot Zich komen en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welke geen bedrog is”. Door genade had hij de leugen afgezworen bij het liefkrijgen van de waarheid. En dat is nu de zaak waar het om gaat in het hart en in het leven van de oprechten. Daarom worden zij gehaat en gesmaad door de lieden van de wereld. Godsdienstige mensen worden op de IJdelheidskermis wel vriendelijk ontvangen door er deel aan te nemen. Maar de pelgrims, die de Heere en de waarheid liefhebben en vrezen, worden door alle kermisgangers veracht. En dat wordt ons hier aanschouwelijk voorgesteld.

Eén der verkopers, die de houding van de pelgrims een tijd lang had gadegeslagen, vroeg hun: „Wat wilt gij kopen?” Maar zij zagen hem ernstig aan en antwoordden: „Wij kopen de waarheid”. Maar dit gaf hun aanleiding om eerst recht in allerlei schimptaal los te barsten om de pelgrims te smaden, te bespotten, te tergen en zelfs anderen aan te sporen hen te slaan. Het duurde niet lang of er ontstond een oploop en een grenzeloze verwarring. Dit werd terstond bericht aan de overste van de kermis, zodat hij onmiddellijk kwam en enige van zijn meest vertrouwde vrienden zond om die mannen in het verhoor te nemen en te onderzoeken waarom de kermis in een toneel van de grootste wanorde was herschapen. De mannen werden dus voorgebracht om verhoord te worden en zij, die op de rechterstoel gezeten waren, vroegen hun van waar zij kwamen, waarheen zij gingen en waarom zij zo zonderling gekleed waren. Hierop gaven zij ten antwoord, dat zij gasten en vreemdelingen waren in deze wereld en dat zij op reis waren naar hun eigen vaderland, het hemelse Jeruzalem. Zij verklaarden ook, dat zij hoegenaamd geen aanleiding hadden gegeven aan de inwoners van de stad, noch aan de kooplieden, hen zo te mishandelen en hun reis te belemmeren, en dat hun enige misdaad misschien zijn kon, dat zij op de vraag wat zij wensten te kopen, geantwoord hadden: „De waarheid”. Maar hun ondervragers geloofden hen niet en bleven hen aanschouwen als dwazen en waanzinnigen of als onruststokers. Daarom grepen zij hen en gaven hun stokslagen en deden hen, nadat zij hen met allerlei vuil besmeerd hadden, opsluiten in een kooi, opdat zij voor alle bezoekers van de kermis een voorwerp van spot zouden zijn.

Daar moesten zij geruimte tijd vertoeven, terwijl iedereen zich over hen vrolijk maakte en zich op hen wilde wreken, en de overste van de kermis lachte zelfs om de mishandelingen, die hun óverkwamen.

Maar de mannen verdroegen alles geduldig; zij vergolden geen kwaad voor kwaad of schelden voor schelden, maar integendeel, zij gaven goede woorden voor slechte, en voor beledigingen gaven zij vriendelijkheid terug. Dit had ten gevolge dat enige kermisgasten, die beter de zaak begrepen en minder bevooroordeeld waren dan de overigen, begonnen de kwaadwilligsten terecht te wijzen over al de laagheden, die zij pleegden aan deze mensen. Nu begonnen zij zich echter ook op hen toornig te maken, roepende, dat zij even slecht waren als de gevangenen en dat het wel scheen dat zij hun bondgenoten waren en dus verdienden een gelijk lot te ondergaan.

De eersten brachten hier tegen in, dat voor zo ver zij konden zien, die mannen bedaarde, ernstige lieden waren, die niemand letsel deden, en dat er zich in die stad wel mensen bevonden, welke zaken deden op de kermis, en zeker veel meer verdienden dan de door hen mishandelden om tentoongesteld en gestraft te worden. Terwijl er zo van weerskanten heftige woorden gewisseld werden, gedroegen de opgeslotenen zich kalm en rustig, maar de anderen werden tenslotte handgemeen en brachten elkander slagen toe. Nu werden de arme pelgrims weer voorgebracht en beschuldigd, dat zij oproer op de kermis hadden veroorzaakt. Zij sloegen hen dus op de wreedste manier en klonken hen in boeien, en sleepten hen heen en weer tot een toonbeeld en afschrik voor anderen, indien er zijn mochten, die hen zouden willen voorspreken of zich bij hen voegen.

Maar Pelgrim en Getrouw gedroegen zich zo verstandig en ondergingen smaad en laster met zo grote lijdzaamheid en geduld, dat enkelen (al was het getal ook klein vergeleken met de grote menigte) hun zijde kozen. Hierdoor werden de anderen nog meer in woede ontstoken, zodat zij besloten de twee mannen ter dood te brengen. Zij riepen dan ook in hun verwoedheid uit, dat boeien noch gevangenis voldoende waren, maar dat zij ter dood gebracht zouden worden wegens het onheil dat zij gesticht en de onenigheid die zij onder de bezoekers van de kermis aangericht hadden.

Toen dit over hen besloten was, werden zij in de kooi geworpen, waar zij zouden blijven totdat het vonnis aan hen zou worden voltrokken. Men sloot hen daar dus op en bevestigde hun voeten in de stok.

En nu riepen de pelgrims zich voor de geest wat zij gehoord hadden van hun trouwe vriend Evangelist. Alles wat deze hun had voorzegd, was hun overkomen en hierdoor werd hun vertrouwen bevestigd. Ook vertroostten en bemoedigden zij elkander met de verzekering dat diegene, die tot lijden geroepen zou worden, er het best aan toe was.

Nu was ieder voor zich wel begerig dat voorrecht te verkrijgen, doch zij vertrouwden zich toe aan de alwijze beschikking van Hem, Die alles leidt, en zij waren vergenoegd met het tegenwoordige, totdat Hij anders over hen zou beschikken.

Wonderlijk zijn deze pelgrims gesterkt in het dragen van smart en smaad voordenaamen zaak des Heeren. Het is geen geringe zaak een welbehagen te hebben in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus’ wil.

Wordt het van harte omhelsd in het geloof, dat Christus ons door Zijn smart en smaad heeft vrijgekocht van het verderf, om ons ten leven en ter zaligheid te verlossen, dan heeft het hart kracht in smart en smaad Hem te verheerlijken. Maar onzerzijds is dat een totale onmogelijkheid, want dan gaan wij voor een zuur gezicht al op de loop. En door niet te volharden in het volgen van de Heere, gaat men de weg van berekening op om zich veilig te stellen. Denk niet dat wij in het vertrouwen op de hebbelijkheden van ons gemoed, vernedering en verachting kunnen aanvaarden. In de kracht van de gekruiste Christus is het alleen mogelijk door vele verdrukkingen in te gaan.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.