+ Meer informatie

Klanten zijn content met keurmerk voor rundvlees

"Viande Supérieure" garandeert constante kwaliteit

7 minuten leestijd

SAASVELD - De consument heeft weer geld over voor een goed stuk vlees. Mager rundvlees, mals en fijn van draad, kan de slager goed verkopen. Een vaak gehoorde klacht van slagers is echter dat een constante kwaliteit ontbreekt.

Peter Lutke Veldhuis, een jonge veehandelaar uit het dorpje Saasveld (bij Borne), had de oplossing snel gevonden. Een integrale aanpak met een/vleeskeurmerk kan garant staan voor constante aanvoer van rundvlees met een constante kwaliteit. Het idee van Lutke Veldhuis mondde vorige zomer uit in een nieuwe onderneming: Vleesvee Integratie Twente. Directeuren zijn de Saasveldse veehandelaar en een van zijn vaste afnemers Hubert Nijland (28), een slager en vleesdistributeur uit Vasse.

Vleesvee Integratie Twente heeft -het middelste woord zegt het aleen keten opgezet die aankoop, afmesten, slacht en afzet van luxe vleesvee omvat. Lutke Veldhuis, met tien jaar ervaring in de vleesveehandel, draagt zorg voor de inkoop en het afinesten, Nijland weet als slager en rundvleesgrossier de weg in slagerskringen. Vlees dat eenmaal in de slagersvitrine ligt, mag het keurmerk Viande Supérieure dragen. Peter Lutke Veldhuis: „Een van de eisen die we stellen i:i dat het vee van extra of superkwaliteit is, dus duidelijke dikbiikenmerken heeft. Ook stellen we .ser aan huisvesting en voeding. E'e cderen moeten bij voorbeeld op s:ro staan. In de praktijk blijkt dat goed afgemeste dieren nu eenmaal van stro komen".

Grote populariteit

Het meeste vlees dat momenteel onder het keurmerk Viande Supérieure zijn weg naar de consument vindt, is afkomstig van Blonde d'Acquitaine. „Op zich is dat een prima vleeskwaliteit, waar we onze klanten heel goed tevreden mee stellen. Maar de populariteit is zo groot en de aanvoer zo klein, dat ik in de toekomst problemen voorzie. We verwachten dat de aanvoer op termijn niet is gewaarborgd", aldus Lutke Veldhuis.

Het alternatief zijn doorgefokte Piëmonteses, eventueel gekruist met de Belgische Witblauwe. De Saasveldse veehandelaar verwacht de komende tijd in Twente eer ruim aanbod van doorgefokte PiëDoor drs. J. A. Breure

Het landelijk gebied in ons land is aan verandering onderhevig. Het wordt niet alleen kleiner —door onder andere woningbouw en wegenaanleg—, maar ook anders. De landbouwproblemen vragen om ruilverkaveling. Door de toenemende aandacht voor het milieu lijkt landinrichting steeds belangrijker te worden. Door herinrichting kunnen gebieden worden aangepast aan de eisen die in verband met de bescherming van het milieu worden gesteld.

De bioloog dr. Jac. P. Thijsse stelde al in 1936 dat „ruilverkaveling niet alleen de landbouw zou moeten dienen, maar ook de natuurbescherming". Met deze brede omschrijving van ruilverkaveling was de bioloog zijn tijd ver vooruit. Ruilverkaveling of landinrichting is een oud begrip. AI sinds vele decennia wordt op het platteland gewerkt aan een betere verkaveling van de landbouwpercelen. De Landinrichtingswet van 1985 noemt twee hoofdvormen van landinrichting: ruilverkaveling en herindeling.

Waarom -landinrichting? Hoewel de eerste ruilverkavelingen in ons land vooral als werklozenproject bedoeld leken te zijn, is met name de versnippering van landbouwgrond -door de jaren heen ontstaan door verkoop en vererving— toch steeds de belangrijkste aanleiding geweest. Een boer heeft er belang bij dat de percelen zo dicht mogelijk, en liefst aaneengesloten, bij zijn bedrijfsgebouwen liggen. Ook de mechanisatie vraagt —met steeds- groter wordende machines— om grote percelen, waar doelmatig kan worden gewerkt.

Ontsluiting

Voor de landbouw is ook het wegnemen van problemen met de waterbeheersing en het verbeteren van de ontsluiting van belang. Door verbetering van de waterafvoer kan het grondwaterpeil beter op de eisen van de landbouw worden afgestemd. Het verbeteren van oude wegen en het aanleggen van nieuwe wegen moet zorgen voor een goede ontsluiting, waardoor de landbouwbedrijven beter bereikbaar worden.

Door een meer doelmatige inrichting en verbetering van de produktieomstandigheden kan de kostprijs van de produkten omlaag. Daar staat tegenover dat de landbouw voor een deel zelf mee moet betalen aan landinrichtingsprojecten. De kosten hiervan zijn niet gering. Naast kavelinrichting eisen maatregelen voor waterbeheersing, aanleg en verbetering van wegen, boerderijverplaatsing, schadevergoedingen en maatregelen in het kader van landschap en recreatie elk een belangrijk deel van het budget op. Het Rijk neemt het monteses. Steeds meer boeren ontdekken het vleesvee als interessante tweede of derde tak op hun bedrijf. „Langzaam maar zeker komen we in Twente in het luxere vleesvee". aldus Lutke Veldhuis. De Belgische Witblauwe en de verbeterde roodbonte komen ook in aanmerking voor het keurmerkvlees van Viande Supérieure. De Franse rassen Li

Bij ruilverkaveling niet alleen landbouw van belang

Milkubescherrning stek f eisen aan landinrichting
grootste deel van de kosten voor zijn rekening. Jaarlijks is voor landinrichting ruim 300 miljoen gulden beschikbaar.

In de praktijk blijken de kosten van landinrichting voor de agrarische belanghebbenden nauwelijks een struikelblok te zijn; het gebeurt vrijwel nooit dat eeh plan voor ruilverkaveling, dat altijd in stemming wordt gebracht, wordt afgestemd. Bovendien zijn het nog steeds in hoofdzaak de landbouworganisaties (het KNLC, de KNBTB en de CBTB) die het initiatief tot landinrichting nemen.

Grotere rol

Bij de Landinrichtingsdienst weet men te vertellen dat het in ruim zes jaar niet meer is voorgekomen dat een ruilverkavelingsplan is afgestemd. Voor het laatst werd in 1983 de ruilverkaveling Zuidwolde door belanghebbenden afgestemd, waardoor vijfhonderd Drentse boeren twintig miljoen gulden overheidssubsidie buiten de deur hielden.

Een herinrichtingsplan kan overigens nooit door de boeren worden afgestemd. Omdat hier de nietagrarische belangen een grotere rol spelen, is de beslissingsbevoegdheid over herinrichtingsplannen bij Provinciale Staten gelegd. Bij een ruilverkavelingsplan beslissen boeren en pachters zelf; de ruilverkaveling is aangenomen als het aantal voorstemmers in de meerderheid is of als de oppervlakte waarvoor zij stemmen, groter is dan die van de tegenstemmers.

De laatste jaren valt het op dat ook steeds meer milieuorganisaties en recreatieschappen met een verzoek om landinrichting komen. De niet-agrarische belangen —door dr. Jac. P. Thijsse in 1936 aangeroerd— krijgen in de Landinrichtingswet van 1985 (een halve eeuw later) een duidelijke status. In gebieden waar zowel sterke agrarische als sterke niet-agrarische belangen een rol spelen, wordt in principe voor herinrichting gekozen. Waar agrarische belangen prevaleren. -duidelijk herkenbare— waterlovindt ruilverkaveling plaats. Bij herinrichting wordt naar verhouding een groot deel van het budget bestemd voor onder andere het veiligstellen en ontwikkelen van natuurgebieden en het treffen van voorzieningen voor recreatieve doeleinden, zoals de aanleg van visvijvers en fiets- en wandelpaden.

Lange weg

Voor de landinrichting is verantwoordelijk de Landinrichtingsdienst van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij. De dienst streeft ernaar jaarlijks 36.000 hectare in uitvoering te hebben. Dat dit niet altijd wordt gehaald, blijkt uit de cijfers van 1989: in dat jaar werd 'slechts' 29.000 hectare verkaveld.

De weg die een landinrichtingsplan heeft te gaan van voorbereiding naar uitvoering, is vaak lang. Een periode van zes jaar is wel het kortste dat haalbaar is. De soms lange weg van voorbereiding naar uitvoering heeft geleid tot de vraag naar eenvoudige, korte procedures voor ruilverkaveling. De Landinrichtingswet biedt de mogelijkheid voor "landinrichting .met een a^fli|a nistratief karaktgj^gifti W/eenjjEgj^ tief korte tijd kan worden voorbereid en uitgevoerd. De voorbereidingsduur bedraagt zo'n vier a vijf jaar; voor de uitvoering is gemiddeld ongeveer zes jaar nodig. Deze vorm van landinrichting is alleen toepasbaar als de waterbeheersing en ontsluiting in het gebied geen problemen opleveren. In zo'n project staat herverkaveling (meestal vooral kavelruil) van landbouwgrond centraal; verkaveling ten behoeve van recreatie en natuur en landschap kan in zo'n project worden ingepast.

Op basis van landinrichting met een administratief karakter zijn momenteel zo'n twaalf projecten gestart, waarvan de meeste overigens nog in de fase van voorbereiding verkeren. Deze vorm blijkt met name aan te slaan in Zeeland, dat de helft van het landelijk aantal voor zijn rekening neemt.

Per saldo

De noodzakelijke structuurverbetering van de landbouw, de verplaatsing van bedrijven uit woongebieden en de toenemende milieuproblematiek zullen er ongetwijfeld toe bijdragen dat ook in de toekomst aanzienlijke bedragen in landinrichtingsprojecten zullen worden geïnvesteerd. De Grontmij heeft ooit becijferd dat een bezuiniging op landinrichting per saldo een tegengesteld effect heeft en tot extra uitgaven voor de overheid leidt. Dit zou worden veroorzaakt door de kosten voor werkloosheidsuitkeringen en de inkomensderving van onder andere ruilverkavelingsrente en inkomstenbelasting.

Ondanks de bezuinigingen die er in het verleden -de berekeningen van de Grontmij ten spijt— geweest zijn, blijft de landinrichting op grote schaal doorgaan: momenteel zijn er zo'n tachtig landinrichtingsplannen in voorbereiding en zijn circa 120 plannen in uitvoering.

Het einde van landinrichting is • nog lang niet in zicht. Uit het oogpunt van de noodzakelijke bedrijfsvergroting in de agrarische sector moet landinrichting onverminderd doorgaan. Het beleid van het ministerie-is nog steeds gericht op vergroting van de gemiddelde bedrijfsomvang en sanering van kleinere bedrijven. Via het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) wordt bij landinrichtingsprojecten grOnd toegevoegd aan bedrijven die behoefte hebben aan extra landbouwgrond. Deze grond is afkomstig van boeren die, bij voorbeeld in verband met hun leeftijd en het ontbreken van een opvolger, hun bedrijf beëindigen. Op deze manier levert landinrichting een belangrijke bijdrage aan de structuurverbetering en de rentabiliteit van de agrarische sector.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.