+ Meer informatie

IS EEN KENTERING TEN GOEDE ECHT WAARNEEMBAAR?

12 minuten leestijd

Er zijn aanwijsbare redenen om de vraag “verandert het geestelijk klimaat in onze samenleving?”, die het thema van dit nummer vormt, voorzichtig in bevestigende zin te beantwoorden. Er is veel - toegegeven - dat voor een ontkennend antwoord pleit, maar wie ogen en oren open heeft, stuit in de samenleving op dingen die in positieve zin te denken geven.

Voor een ontkennend antwoord zouden bijvoorbeeld de resultaten van het in 1997 uitgevoerde onderzoek van het bureau Intromart onder de titel “God in Nederland” zich lenen. Ten opzichte van de onderzoeken uit 1966 en 1979 staat het er met de kerk als instituut en draagster van het christelijk geloofsgoed bepaald veel slechter voor en het geloof in een persoonlijk God en in de persoon en de betekenis van Jezus Christus als Zoon van God, zou nog meer zijn teruggelopen. Zonder de negatieve conelusies van het rapport in positieve te kunnen omzetten, is het wel zo dat grondige analyse ervan tot de conclusie leidt dat ook dit rapport niet ontkomen is aan de betrekkelijkheid die heel veel onderzoeksrapporten kenmerkt. Het voegde nauwelijks iets toe aan het eveneens in 1997 verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, terwijl de vraagstelling in grote trekken dezelfde was als in 1966. Men kan zich niet onttrekken aan de indruk dat sommige en misschien wel veel ondervraagden op hier en daar sterk dogmatisch getoonzette vragen antwoorden hebben gegeven, die niet exact weergaven wat er werkelijk in hen omgaat. Dieper levende gevoelens en inzichten laten zich niet gemakkelijk weergeven in antwoorden op keuzevragen.

In veel Nederlandse huishoudens een bijbel

Volgens een eveneens recent gehouden onderzoek zou in een hoog percentage van de Nederlandse huishoudens een bijbel voor handen zijn. In ons land worden steeds meer bijbels verkocht. Uit de dagbladen, en ook uit andere media, weten we dat in Amsterdam een cursus op gang is gebracht, die tot doel heeft buitenkerkelijke mensen de bijbel te leren lezen en hen op die wijze te leren zien en begrijpen hoezeer onze westerse cultuur in bijbelse normen en waarden is gedrenkt. Even in het midden latend hoe en welke theologische vinger bij de bijbelwoorden wordt gehouden, kijkt men van deze dingen toch op. Ze zijn op zijn minst opmerkelijk als tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat het proces van de secularisatie onverminderd doorgaat. Waar komt die toenemende vraag naar de bijbel vandaan? Zit hem dat in een soort curieuze belangstelling? Voelt men het aan zijn of haar culturele vorming verplicht ook iets of veel van de bijbel te weten? Dat verschijnsel zou zich dan overigens alleen of in hoofdzaak in meer elitaire kringen moeten manifesteren. En dat doet het ook wel, maar er valt niet te ontkomen aan de indruk, dat het geestelijk vacuüm dat door de secularisatie in het leven van mensen is ontstaan, op een of andere manier toch weer wil worden gevuld. lets daarvan is in de samenleving, in de ontmoeting met mensen, voelbaar. Tot in vooraanstaande dagbladen van neutrale signatuur toe wordt teveei aandacht aan dingen van geloof en leven gegeven dan dat men zou kunnen zeggen dat de samenleving er doof en blind voor is geworden. Er is een zeker verlangen naar God voelbaar, naar godservaring, zij het dat het daarbij in veel gevallen om de onbekende God gaat. Duidelijk is merkbaar dat mensen grote moeite hebben met de gedachte aan een God boven hen. God ergens boven dit aardse leven “situeren” blijkt voor heel veel mensen niet meer houdbaar. Ook met het theïstisch godsbeeld, het beeld van een God die als de onveranderlijke en almachtige heerser op afstand stuur en richting aan mens en wereld geeft, hebben velen moeite. Men merkt in gesprekken met anders denkenden dat het godsbegrip wordt ingevuld met God als de diepte van het zijn, met de machteloze God die samen met de mensheid in solidariteit en medelijden lijdt aan de gebrokenheid van dit aardse bestaan, met de feministische God en met het holistische godsbeeld (God dus als de verklaring van het leven, God als de totaliteit, de onderlinge samenhang en de samenwerking van de delen van de levensprocessen). Maar bij het doorspreken over deze dingen ontdek je bij niet weinig mensen toch iets van het verlangen dat Marjoleine de Vos, redacteur van NRC Handelsblad, op 4 Oktober 1997 in haar column schreef. Na haar twijfel rond de dingen van geloof en leven te hebben geuit, schreef zij: “Maar dat neemt niet weg dat we in onze onmacht, onze wanhoop en onze onwetendheid soms wel heel graag zouden willen voelen dat er een goddelijke eeuwigheid is die ons bestaan overstijgt”. Dit gevoelen leeft bij veel meer mensen dan wij waarschijnlijk vermoeden. Wie met mensen in zijn of haar omgeving praat kan het merken.

De kerk als geweten van de samenleving

Hoewel de kerk blijkens het rapport “God in Nederland” voor buitenkerkelijken in de persoonlijke sfeer van weinig betekenis is, dichten veel mensen haar een grote maatschappelijke rol toe. Uit het rapport springt wonderlijk genoeg naar voren dat de meeste Nederlanders er wel prijs op stellen dat de kerk zich publiekelijk uitspreekt over zaken als abortus, euthanasie, rijkdom en armoede, asielzoekers, homoseksualiteit, geweld in allerlei verbanden, de 24-uurs economie en andere zaken. Paradoxaal genoeg moet daarbij worden opgemerkt, dat lang niet alle Nederlanders die dat wensen, het met alle standpunten van de kerk ook werkelijk eens zijn, maar men wil op een of andere manier in de kerk toch het geweten van de samenleving blijven zien. Voor de verklaring van dit opmerkelijk gegeven valt op enkele dingen te wijzen. In de eerste plaats leeft bij veel mensen de gedachte dat de kerken eigenlijk nog de enige instantie zijn die op overtuigende en integere wijze tegenwicht kunnen bieden aan de mentaliteit-van alles-moetkunnen, die zich - begonnen in de zeventiger jaren - in onze samenleving heeft ontwikkeld. De ogen gaan ervoor open dat de overheid eigenlijk nauwelijks over middelen beschikt om door een sterk en overtuigend beleid de verloedering in de samenleving tegen te gaan. De overheid heeft de maakbaarheid van de samenleving eigenlijk nauwelijks in handen. Met stringentere wetgeving en strenger toezicht op de naleving ervan alleen gaat men de erosie van normen en waarden niet tegen. Er zijn meer mensen dan wij misschien denken, die onderkennen dat de vruchten van een al te ver doorgeslagen permissieve samenleving, te weten de sterk toegenomen individualisering, de angstwekkende gezagsdevaluatie, het geweld op straat en binnenshuis en niet in de laatste plaats de in allerlei verbanden diep ingevreten fraude-mentaliteit, alleen te keren zijn als de samenleving, als de burgers die de samenleving vormen, zich de heilzame invloed van de christelijke normen en waarden weer bewust zouden willen worden. Zijn er signalen aan te wijzen die dat bevestigen? Er zijn heel wat onkerkelijke ouders - althans in mijn omgeving - die hun kinderen anders dan uit logistieke overwegingen naar Scholen van christelijke signatuur laten gaan; de Evangelische Omroep groeit opmerkelijk sterk; de politieke partijen die christelijk georienteerde politiek voorstaan. lijken weer wat terug te komen en wie ogen en oren open heeft merkt bij heel wat mensen dat men een beetje moe is van de materialistische levensinstelling en bewust of onbewust spirituele vulling van het leven verlangt. De samenleving biedt openingen voor het Evangelie en de kerk heeft de roeping daarop “in te spelen”.

Hoe moet of kan de kerk een publieke rol vervullen?

In 1992 is die vraag ook aan de orde geweest. Ook toen is bij monde van de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin de publieke functie van het geloof op het punt van recht en moraal in de samenleving ter discussie gesteld. Hij bleef niet onweersproken. Men betwistte de overheid het recht om voor de instandhouding van de publieke moraal van de kerken een publieke rol te verlangen. Vooraanstaande theologen stelden dat de staat zelf aan de morele ontworteling onder ons volk had bijgedragen. Het ging niet aan de normvervaging en het morele verval toe te schrijven aan het ontzuilingsproces. Men vond dat er nog andere en dieper reikende oorzaken achter lagen, waarbij vooral te denken viel aan de rol die de inrichting en de functionering van de moderne liberale staat in het leven van de burger speelt. Die heeft een individualiseringsproces op gang gebracht, waardoor mensen meer tot “burger” dan tot leden van een gemeenschap met een gemeenschappelijk levensbeschouwelijk referentiekader voor normen en waarden zijn gemaakt. En men vroeg in 1992 ook met welke pretentie de kerken over deze dingen iets tot de samenleving zouden kunnen zeggen.

Voorlevend getuigenis

Als ook nu weer wordt gevraagd om getuigenis, zal er vanwege de verscheidenheid aan inzichten op maatschappelijk en ethisch gebied in de kerken geen sprake van gezamenlijkheid kunnen zijn.

Daarvan hoeft ook geen sprake te zijn. Het gaat hier niet om georganiseerde herevangelisatie van de samenleving volgens zorgvuldig uitgedachte strategieën en uitgekookte recepten, maar om een vóórlevend getuigenis. Niet om als christelijk volksdeel in de samenleving dominant te worden of pogingen te doen een theocratie te vestigen. Wel om met Gods hulp heilzame en helende invloed naar buiten uit te oefenen vanuit de opdracht van Christus een zoutend zout, een lichtend licht en een stad op een berg te zijn; om in bescheidenheid, maar tegelijk met overtuiging, de waarden van het Evangelie aan te prijzen als medicijn voor een mondiale en nationale samenleving, die bezig is moreel te vermolmen. Als kerken vormen we inmiddels een relatief klein volksdeel. We hebben kleine kracht, dat zijn we ons bewust. De moraliserende actie-radius van de kerken zal nooit zover reiken dat zij in directe zin remmende invloed zal hebben op het gedrag van degenen bij wie de stoppen van de persoonlijke moraal al helemaal zijn doorgeslagen. Maar het geloofsgetuigenis, waarbij de daad het woord ondersteunt, zou wel preventief kunnen werken, in deze zin, dat de samenleving de indicaties die het Evangelie voor een gezonde samenleving aanreikt, voor waardevol blijft houden, honorering waarvan in de volgende generaties moreel herstel zou kunnen bewerkstelligen.

Hoe zou de kerk dat kunnen doen?

Allereerst door prediking naar binnen. Het oordeel begint ook hier bij het Huis Gods, dat is bij de gemeente van Christus zelf. Wat onderscheidt de kerk van de wereld? Hoever zijn wij als kerken verwijderd van nog maar het begin van het Evangelie? Hebzucht, afgunst, rivaliteitsdenken, losse zeden, verfijnd geweld (geen fysiek geweld, maar andere verfijnde methoden om anderen buiten spel te zetten), zelfzucht en uitingen van decadente welvaartshonger zijn ook de kerk niet vreemd, al bouwt het Evangelie bij velen generaal gesproken wel een zekere remming in. Straalt het leven van de kerk naar de wereld toe iets uit waardoor zingevingsvragen bij mensen, en vooral ook bij jongeren buiten de kerk, invulling zouden kunnen krijgen? Heeft de relativering van het morele verval, waarvan in de samenleving op soms zorgelijke manier sprake is, ook kerkmensen al niet te pakken? Prediking naar binnen, zij zal indringend, vermanend en duidelijk richtingwijzend moeten zijn, elk lid van de gemeente ertoe opvoedend om op eigen plaats in de samenleving, in de ontmoeting met andersdenkenden, te laten blijken van en te spreken over de waarde van de noties van het Evangelie voor het persoonlijke leven en voor de bredere verbanden, waarin wij mens met en onder de mensen mogen zijn. En als de kerken op dit moment iets tot de overheid terug zouden mogen zeggen dan zou het misschien dit kunnen zijn: herstel van moreel besef is een kwestie van mentaliteitsverandering, die niet alleen door geloofsinvloed wordt bewerkstelligd, maar ook door de manier waarop politiek wordt bedreven. Het aankweken van deugden die een samenleving sociaal gezond houden, is ook iets waarbij degenen die gezag dragen een voorbeeldfunctie hebben en grote verantwoordelijkheid dragen. Geloofsafval in de kerken en moreel verval in de samenleving zijn ook - en misschien wel allereerst - gevolg van een devaluatie van het gezag.

Om kort te gaan: de kerk heeft volop aanleiding, ruimte en roeping om haar leden vanuit het Evangelie toe te rusten om op de woon- en werkpiek, in de maatschappelijke verbanden waarin men zich beweegt, een substantiële bijdrage te leveren aan menswaardige economische, sociale en culturele verhoudingen. En dat dan ingekaderd in een overtuigend geloofsgetuigenis.

VRAGEN:

1. Heeft u al ambtsdragers van de inhoud van het in 1997 verschenen rapport God in Nederland’ van het bureau Intromart kennis genomen en is het in uw omgeving onderwerp van gesprek geweest? Is het op de kerkenraadsvergadering onderwerp van bespreking geweest en tot welke conclusie heeft dat geleid?

2. Is het ook uw ervaring in uw eigen woon-en werkomgeving, dat er onder buitenkerkelijke mensen zorg leeft vanwege de sterk toegenomen erosie van normen en waarden en dat er meer ontvankelijkheid lijkt te komen voor de gedachte dat herwaardering van de christelijke normen en waarden, waarin onze westerse cultuur gedrenkt is geweest, een goede taak zou zijn?

3. Lijkt er in de samenleving ook niet meer opening te komen voor gesprek over zingevings- en geloofsvragen, misschien niet zo duidelijk uitgesproken, maar voor wie er een antenne voor heeft wel duidelijk voelbaar?

4. Als we de voorgaande vragen ontkennend menen te moeten beantwoorden, zou dat dan verband kunnen houden met de mogelijkheid dat wij teveel met gesloten ogen en oren en met te weinig drang m.b.t. getuigenis door de wereld gaan?

5. Uit het rapport ‘God in Nederland’ blijkt dat heel veel onkerkelijke mensen de kerk graag de rol van ‘het geweten van de samenleving ‘toedelen. Naar het spreken van de kerken in ethische en maatschappelijke vraagstukken wil nog wel worden geluisterd. Hoe zouden de kerken die rol in de toekomst op verantwoorde wijze kunnen vervullen? Dienen daarvoor alleen of in hoofdzaak politieke kanalen te worden gebruikt of staan de kerken daarvoor nog andere wegen open? Zijn de kerken vanwege de grote innerlijke verdeeldheid eigenlijk wel in staat die rol te vervullen?

6 In Matheus 5:13-16 schetst de Here Jezus het beeld dat Hij van zijn gemeente in deze verlangt. Gesproken wordt over het zout der aarde, het licht der wereld, een stad op een berg.

Welke gedachten komen bij u op als u deze aanwijzingen van de Heiland afzet tegen de wijze waarop wij vandaag kerk in de Nederlandse samenleving zijn? Denkt u daarbij niet in de laatste plaats aan het persoonlijk geloofsgetuigenis van elk kerklid op de woon-werkplek.

7. Hoe denkt u in dit verband over de uitspraak ‘Een kerk die niet werft, sterft’?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.