+ Meer informatie

Stap voor stap

7 minuten leestijd

In de loop van de eeuwen was de kerk uitgegroeid tot een grote organisatie die top-down geregeld was. Bovenin die organisatie waren ambtsdragers tot ambtenaren geworden en pastores tot bestuurders en dat had alles te maken met de gedachte dat de bisschop van Rome het hoofd van de kerk was. Nog belangrijker was de gedachte dat een priester degene was die namens de gemeente tot God ging.

Hij was degene die via de mis met het offer van Christus naar de HEERE ging om verzoening te verkrijgen. De mis werd daarmee tot een goed werk want wij brengen immers de geofferde Christus naar God. De priester werd daarin essentieel want zonder priester is er geen mis en dus geen verzoening. De mis werd daarmee ook veel belangrijker dan de preek. Luther keerde deze gang van zaken helemaal om. Genade is dat niet wij Christus via de priester naar God moeten brengen maar dat God via de predikant de boodschap van het offer van Christus naar ons toebrengt. Met die gedachte viel de hele ambtsstructuur van de kerk om en moest de Bijbel opnieuw gelezen worden vanuit de vraag wat het ambt nu eigenlijk is. Luther begon met antwoorden maar liet ook een paar vragen liggen. Die werden opgepakt door met name Martin Bucer en Johannes Calvijn.

Luther: Wij zijn allen priesters

Luther liet het onderscheid tussen geestelijken en leken verdwijnen door te stellen dat elke gedoopte priester is, ‘want wat uit de doop gekropen is mag zich erop beroemen dat het al gewijd is als priester, bisschop en paus’. Dit priesterschap van alle gelovigen betekent dat ieder die gedoopt is onmiddellijk voor Gods aangezicht staat. Een mens hoeft niet meer via de priester naar God toe, omdat elke gedoopte zelf priester is. Verschil bestaat er alleen daarin dat ieder in kerk en wereld eigen taken en een eigen roeping heeft, maar er is in het geloof geen verschil in rang en stand. ‘Wij zijn als christen allemaal priester. Zij die wij priesters noemen, zijn door ons gekozen dienaren die in onze naam alles moeten doen. Hun priesterschap is alleen maar een dienst.’

Vanuit deze visie kwam hij tot de overtuiging dat ieder mannelijk lidmaat van de gemeente predikant zou kunnen zijn, maar dat de gemeente één broeder aanwijst die deze taak op zich neemt en dat de rest naar hem als naar de mond Gods luistert. De aangewezene moet daarvoor dan wel een goede theologische opleiding krijgen. Bij Luther blijft het in feite bij dit ene predikantsambt. Ouderlingen en diakenen kende hij niet en dat heeft te maken met zijn overtuiging dat de wederkomst van Christus nog tijdens zijn leven zou plaatsvinden. Wij moeten preken, preken en nog eens preken nu het daarvoor nog tijd is. De organisatie van de kerk liet Luther daarom maar aan de christelijke overheid over en die maakte gaandeweg de voorganger tot ambtenaar. Dat betekende in feite dat hoewel wij allen priester zijn, in de lutherse traditie de predikant de dienst uitmaakte.

Bucer: Wij zijn allen herders

In Straatsburg werkte de reformator Martin Bucer. Hij was sterk door Luther beïnvloed maar ging in de ontwikkeling van de visie op het ambt een stap verder. Behalve voor prediking vroeg hij aandacht voor pastoraat en diaconaat. Sterk speelde bij hem het beeld dat de Here Jezus van zichzelf geeft namelijk dat van de goede herder. De taak van het ambt is namens de Opperherder voor de schapen van Zijn kudde te zorgen. Voor Bucer staat dat in het kader van de eeuwigheid in die zin dat schapen niet verloren mogen gaan. Daar ligt dan ook de grote verantwoordelijkheid voor ieder die in het ambt dient. Financieel kunnen er problemen zijn die het geloofsleven in gevaar brengen. Daarom zijn er diakenen nodig die weten wat er bij de mensen leeft. Geestelijk kunnen er problemen zijn, geloofsmoeiten maar ook het gevaar van afdwalen en verzwakken, en daar moeten de ouderlingen in actie komen. Opvallend is echter dat Bucer heel de gemeente tot herder maakt. Ook wie niet in het ambt dient, is een herder voor anderen. Immers, wie met Christus verbonden is, heeft deel aan Zijn herderschap. Ik kan niet alles aan de kerkenraad overlaten want ik heb zelf een verantwoordelijkheid voor het tijdelijk en eeuwig wel een wee van mijn broeders en zusters in de gemeente. De gemeente als geheel is ambtsdrager. Gemeenteleden zijn schapen en herders tegelijk en predikanten, ouderlingen en diakenen hebben de taak te zorgen dat we als gemeente ook zo functioneren. Bucer wees sterk op de missionaire taak die de gemeente – of beter gezegd: elk gemeentelid heeft. Zoals de Goede Herder in Johannes 10 op zoek gaat naar het verloren schaap, zo heeft elk gemeentelid de taak en roeping op bezoek te gaan bij hen die aan de rand van de gemeente staan, of misschien al over de rand zijn. Bucer maakt ook het gezin tot ambtsdrager. Het gezin als kerkje in de kerk waarbij het oprecht christelijke gezin aanstekelijk op anderen kan werken.

Calvijn: Wij zijn allen dienaren

De kracht van Calvijns kerkvisie en daarmee van het calvinisme blijft echter dat ieder lid van de kerk evenveel rechten en plichten heeft, dat ieder, zowel mannen als vrouwen een roeping, een taak heeft, inzetbaar en verantwoordelijk is. Vrouwen dus ook, maar Calvijn ziet vanuit de Schrift geen grond om aan de vrouwen ook het ambt van predikant of ouderlingen toe te kennen, hoewel vrouwelijke diakenen onder bepaalde voorwaarde voor hem geen punt was.

In die kerkorde werden vier soorten ambten genoemd, namelijk diakenen, ouderlingen, predikanten en doctores, een viertal dat Calvijn aan de Bijbel ontleende en dat geheel gericht was op de heiligheid van de gemeente, het behoud van mensen en de eer van God. Wellicht de meest opmerkelijke van dit viertal is de ouderling. De Bijbel noemt dit ambt heel duidelijk, maar de wijze waarop Calvijn aan de Bijbelse gegevens vorm gaf, mag uniek heten. Ouderlingen zijn bij Calvijn de eigenlijke herders want zij houden toezicht op de kudde, troosten bij tegenslagen, wijzen de weg van het geloof, en delen met de tucht een tik uit als iemand in leer of leven te ver van de kudde Gods afdwaalt. Calvijn had bij Bucer in Straatsburg al gezien hoe goed dit systeem kon werken en hij zag het als hét instrument om mensen tot een godvruchtig leven te leiden. Daar hoorde dan ook de tucht bij. Calvijn ging het daarbij niet zozeer om de discipline en de openbare orde, maar vooral om het leven met en voor God. ‘De strengheid moet niet zo zijn dat iemand er alleen maar door bedwongen wordt, evenzo moeten de straffen niet anders dan geneesmiddelen zijn om zondaars terug te brengen tot onze Heer.’

Diakenen kende Calvijn in twee, eigenlijk drie soorten. De eerste twee zijn allereerst de officiële die de financiën verzorgen, en een tweede groep die de zieken en armen bezoekt. De derde soort is de gemeente zelf die actief bezig is met de zorg voor zieken en armen. De doctores moesten zorgen dat de predikanten de leer goed kenden en zij waren dus vooral bedoeld om te zorgen dat het zuivere Evangelie niet door onzuivere menselijke opvattingen vertroebeld wordt. Zo paste het geheel in elkaar: ouderlingen moesten helpen om in voor- en tegenspoed bij God en op Gods weg te blijven, predikanten vertelden vanuit de Bijbel wat die weg is en doctores leidden die predikanten op en bewaakten tevens de zuiverheid van de leer. En bij voorspoed stimuleren de diakenen tot geven, bij tegenspoed geven zij zelf.

2017: Wij zijn allen gereformeerd

De Reformatie bracht de kerk terug bij de Schrift en dat vanuit de vraag hoe de Koning van de kerk wil dat wij in onze situatie kerk zijn en wat dat bijvoorbeeld voor de ambten betekent. Gereformeerd zijn houdt in dat we steeds weer die vraag stellen. Als we dat vandaag doen, blijkt het antwoord niet zo gemakkelijk te zijn en dat is maar goed ook want het dwingt ons eerbiedig en eerlijk Gods Woord te onderzoeken. Wie na 500 jaar nog gereformeerd wil zijn, waardeert wat ons in de traditie is gegeven en staat open voor veranderingen. Onveranderd blijft de boodschap van Gods onverdiende genade voor zondaren. Die boodschap mag en moet gebracht worden. Vanaf de preekstoel, in het catechisatielokaal, in de huiskamer, in het ziekenhuis, bij de doopvont en bij de grafkist. Voor wie dat ziet is het ambt geen opgave maar een voorrecht. En meestal ook een vreugde. Immers, gereformeerd is ook dat we in 2017 vieren dat vijfhonderd jaar geleden een ambtsdrager die monnik, priester en professor was, ons weer liet zien welk een vreugde het is met het Evangelie aan het werk te gaan. In het bijzondere ambt, maar ook in dat van alle gelovigen.

Prof. Dr. H.J. Selderhuis is sinds 1997 hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de TUA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.