+ Meer informatie

DE BIJBEL OPNIEUW VERTAALD

13 minuten leestijd

Tien jaar is er aan gewerkt; op 27 oktober is het zover: de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) verschijnt. De vraag naar studie over de bruikbaarheid ervan is al op de tafel van onze synode gelegd. Ook als die daar positief op reageert, zullen ambtsdragers de uitslag, drie jaar later, niet lijdelijk willen afwachten, maar zelf zich een oordeel willen vormen. Dit artikel bespreekt een aantal dingen die daarbij aandacht verdienen *).

INTERCONFESSIONEEL EN INTERACTIEF

Uniek aan de NBV is haar interconfessionele opzet: ze is een project van twee protestantse bijbelgenootschappen, het Nederlandse (NBG) en het Vlaamse, en van twee rooms-katholieke bijbelstichtingen, eveneens uit Nederland en Vlaanderen. Ook Joodse mensen hebben eraan meegewerkt, terwijl er tevens niet-gelovige literatoren bij betrokken zijn. De NBV is bedoeld voor alle soorten gebruikers in het hele Nederlandse taalgebied: ze wil de Nederlandse standaardbijbel worden.

‘Interactief’ wil zeggen, dat tijdens het vertaalproces reacties gevraagd zijn op concept-vertalingen en dat die serieus bekeken zijn. Lezers reageerden op de voorlopige vertalingen van enkele bijbelboeken in de delen ‘Werk in uitvoering’. Reacties kwamen met name ook van de zogenoemde ‘supervisoren’: zo’n zestig mensen uit allerlei kerken, die de vertalingen in een bepaald sta-dium onder ogen kregen om er commentaar op te leveren. Vanuit (niet namens!) onze kerken namen daaraan deel: professor Peels en ondergetekende. Lang niet altijd, maar wel heel geregeld, heb ik gemerkt dat opmerkingen ook gehonoreerd werden.

DE BELANGRIJKSTE VERTAALPRINCIPES

De vertaling wil (1) brontekstgetrouw zijn, d.w.z. een trouwe weergave bieden van wat de oorspronkelijke tekst bedoelt te zeggen. Dus niet een vertaling waar het Hebreeuws of Grieks nog doorheen schemert, zoals bij de Statenvertaling (SV) en ook bij de ‘Naardense bijbel’ van dr. Oussoren, een woord-voorwoord vertaling die eveneens dit najaar verschijnt.

In de NBV is de onderscheiding gehanteerd van taalkenmerken en tekstkenmerken. Een taalkenmerk is een zegswijze die kenmerkend is voor de oorspronkelijke taal maar die niet past in onze taal en die dus in een vertaling niet of anders weergegeven wordt. Zo staat in Amos 4: 6 in de SV en in de NBG-vertaling van 1951 (NBG’51): ‘Ik heb u gegeven reinheid van tanden’. Dat heeft niet te maken met mondhygiëne, maar met gebrek aan voedsel zodat het gebit schoon blijft. ‘Ik was het die jullie honger liet lijden’, vertaalt de NBV daarom.

Een tekstkenmerk daarentegen moet wel uitkomen in de vertaling omdat het hoort bij wat de tekst wil overbrengen, inclusief de vorm ofwel het genre waarin dat gebeurt: poëzie, geschiedschrijving, een brief.

Naast brontekstgetrouw is de NBV (2) doeltaalgericht: ze wil de bedoeling van de tekst weergeven in goed Nederlands van deze tijd. Dat levert dan ook menigmaal een frisse, goed leesbare vertaling op. Je leest veel bijbelgedeelten weer als nieuw. Bij bekende gedeelten kan dat ook wat vervreemdend werken, bijvoorbeeld als in Luc. 2 de kribbe nu een voederbak en de herberg een nachtverblijf blijkt te zijn! Vertalingen, waar overigens niets mis mee is.

Overigens is het een misverstand dat de NBV per se een vertaling in eenvoudig Nederlands zou willen bieden. Ze wil zich voegen naar het karakter van de brontekst. Is die eenvoudig dan zal de vertaling dat ook zijn. Maar is de brontekst moeilijk of zelfs onduidelijk, dan biedt de vertaling geen versimpeling. Dat houdt ook in dat woorden die typerend zijn voor de wereld waarin een bijbelboek ontstaan is (zoals namen van munten en bestuurlijke of militaire aanduidingen) niet worden weergegeven met termen uit onze cultuur. Men komt dus woorden tegen als denarie en quadrans. En in de lijdensgeschiedenis deze zin: ‘De soldaten van de prefect namen Jezus mee naar het pretorium en verzamelden de hele cohort om hem heen’ (Matt. 27: 27).

Wel is in de apostolische brieven, waar die zich met ‘broeders’ richten tot de hele gemeente, inclusief de zusters, een inclusieve vertaling geboden: ‘broeders en zusters’.

Vermeldenswaard is nog, dat de NBV een nieuw woord aan onze taalschat heeft toegevoegd: huidvraat i.p.v. melaatsheid — omdat de ziekte die in de bijbel bedoeld wordt niet is wat wij kennen als melaatsheid, lepra.

DE VERTALING VAN GODS NAAM

Het gaat hier om de weergave van de naam HERE of HEERE, in het Hebreeuws JHWH, wat waarschijnlijk uitgesproken moet worden als Jahweh. Er waren tientallen voorstellen gedaan; tenslotte is gekozen voor HEER, in kleine hoofdletters. Daarmee heeft men twee heel verschillende groepen teleurgesteld: die femi-nisten die HEER te eenzijdig mannelijk vinden; én diegenen die sterk hechten aan de vorm HE(E)RE. Waarom dan tóch deze keuze?

In feite bij gebrek aan een beter alternatief. Dezelfde verlegenheid was er al bij de Statenvertalers. Zij kozen voor HEERE — de toenmalige vorm van ons woord ‘heer’ — ‘bij ontstentenis van een ander passend en gebruikelijk woord’. Zowel de SV als NBG’51 en de NBV sluiten zich met deze keuze aan bij een eeuwenoude traditie:

1) De Joden wilden en willen uit eerbied de naam JHWH niet uitspreken en gebruiken bij het lezen bijvoorbeeld het woord Adonaj, Heer, gebieder.

2) In de Griekse vertaling van het Oude Testament is JHWH weergegeven als Kurios (Heer). Dat is ook het geval in het Nieuwe Testament waar dat citaten geeft uit het Oude.

En wat de spelling HE(E)RE (met uitgangs-e) betreft: het gaat hier wel om een typisch Nederlands probleem. In andere talen spreekt men onbekommerd God aan met Lord, Seigneur of Herr.

Bovendien, waar wij adresseren aan de heer Jansen, schreef men in de tijd van de Statenvertalers: aan den heere Jansen. De voorkeur voor HERE berust in sterke mate op gevoelsargumenten. Nu hebben die hun goed recht — maar zijn er werkelijk principiële redenen om de hedendaagse spelling wél te aanvaarden als het om een menselijke heer gaat, en niet als het gaat om God? Als reden wordt wel aangevoerd, dat we de spelling van een naam nooit veranderen. Nu gaat dat inderdaad op voor namen: ‘s- Hertogenbosch of Hoogeveen. Maar HEER(E) is geen vertaling van Gods naam; het is een titel die naar die naam verwijst. En als wij het niet oneerbiedig vinden om in onze Psalmen zingend Gods naam uit te spreken als HEER, kan het dan in een bijbelvertaling principieel oneerbiedig zijn?

Iets dergelijks doet zich voor bij het ontbreken in de NBV van hoofdletters bij de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden die verwijzen naar God of naar Christus en de Geest. Het lijkt op het eerste gezicht oneerbiedig. Maar het aardige is dat het hoofdlettergebruik in de NBV ongeveer overeenkomt met dat in de zeventiende eeuwse druk van de SV! In die tijd was men in het algemeen zuinig met hoofdletters. Tussen toen en nu ligt een periode waarin het gebruik ervan sterk toenam. Onze tijd is daar weer veel soberder in, en de NBV gaat daarin mee. Nadeel is wel, dat nu soms niet direct zichtbaar is of een voornaamwoord ziet op de Here God dan wel op iets of iemand anders.

IS ‘intfrconffssioneel’ Ook ‘conffssionffil Vfrantwoorn’?

Betekent de samenwerking van mensen van zo verschillende confessies niet, dat concessies zijn gedaan met een voor ons onbevredigend resultaat? Wij gaan er immers van uit dat onze belijdenis de boodschap van de bijbel juist weergeeft en willen daarom graag dat een bijbelvertaling daarmee klopt. Met name ouderlingen zullen het hun taak achten daarop te letten! Mijn indruk is dat de NBV (zeker in de nog weer verbeterde allerlaatste versie) op dit punt in ‘t algemeen geen ernstig bezwaar oproept. Bovendien: wij belijden óók, dat de belijdenis altijd ondergeschikt is aan de bijbel. De eerste vraag blijft daarom steeds: geeft de vertaling goed weer wat er stáát in deze tekst. Nu bekijken we enkele teksten die vragen kunnen oproepen.

— Jes. 7: 14 (NBV: ‘de jonge vrouw is zwanger’) laat ik buiten beschouwing omdat de discussie daarover al rond de NBG’51 gevoerd is.

— In 2 Tim. 3: 16 is de vertaling van NBG’51, ‘Elk van God ingegeven schriftwoord’, bekritiseerd, omdat ze de mogelijkheid openlaat van niet geïnspireerde schriftwoorden. De NBV vertaalt: “Elke schrifttekst is door God geïn-spireerd’ omdat dat aan de brontekst het meest recht doet.

— Hand. 4: 12: ‘er is geen andere naam aan de mensen gegeven waardoor wij… ‘en dan lezen SV en NBG’51: ‘…moeten behouden worden’. De NBV zegt: ‘… kunnen behouden worden’. Dat lijkt een verzwakking; de brontekst spreekt immers van moeten. Maar zit bij nader inzien dat element ook niet in deze vertaling? Als ik zeg: er is geen ándere deur waardoor we naar buiten kunnen, ligt daar toch ook in: wij móeten naar buiten door die deur?

— Openb. 3: 4, waar Christus van de trouw gebleven gelovigen zegt dat ze bij Hem zullen zijn in witte kleding, ‘omdat ze het waardig zijn’ (SV en NBG’51). De NBV leest: ‘…want ze verdienen het’. Nu is uit het geheel van de Schrift duidelijk (en in onze belijdenis spreken we dat ook uit) dat in de verhouding met God elke verdienstelijkheid onzerzijds uitgesloten is. Daarvan is hier in de brontekst ook geen sprake! Het gaat om dát, wat aan trouwe christenen toekomt (namelijk: krachtens Gods genadige belofte). Toch kan de Schrift daarvoor elders, heel onbevangen, het woord ‘loon’ gebruiken. Zouden we met diezelfde onbevangenheid hier niet het woord verdienen mogen lezen?

— Echt moeite heb ik wel bij Hand. 11: 18, waar de brontekst zegt dat ‘God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken’ heeft. Dan gaat er niet alleen vanuit de Dordtse leerregels, maar ook vanuit de tekst zelf een belletje rinkelen als de NBV spreekt over ‘… de kans op bekering…’.

— De in de NBV opgenomen inleidingen zijn — op een enkele na — niet in concept aan supervisoren voorgelegd. Ze verdienen wel kritische aandacht. Zo wordt in de inleiding op 1 Korintiërs het door Paulus verkondigde evangelie aangeduid als ‘zijn ideeën’, ‘zijn visie’…

WEERGAVEN DIE AAN DE WOORDEN NIET TEN VOLLE RECHT DOEN

Bepaalde kernwoorden zoals wij ze kennen uit onze vertalingen en zoals ze via de gemeentezang ook nog in gebruik blijven — bijvoorbeeld welbehagen, bekering, ontferming — worden in de NBV vaak zó weergegeven dat voor mijn besef de zeggingskracht ervan verzwakt wordt. ‘Mensen van het welbehagen’ (Luc. 2:14) wordt: ‘alle mensen die hij liefheeft’; ‘zich bekeren’ wordt vaak: ‘een nieuw leven beginnen’; voor ‘met ontferming bewogen worden’ staat er nu ‘medelijden krijgen’.

Ook zou ik — prekend vanuit deze vertaling — nog vaak de behoefte voelen om te zeggen: gemeente, eigenlijk staat er… Ik denk dan aan nuances van de tekst die iets wezenlijks toevoegen en die zonder bezwaar in goed Nederlands konden worden weergegeven. Het zou niet moeilijk zijn, daarvan een aantal voor-beelden te geven. Ik volsta met 2 Tim. 1:5, waar Paulus tot Timoteüs spreekt over (letterlijk) ‘het geloof dat woonde in je grootmoeder… en je moeder… en dat…nu ook woont in jou’. De NBV vertaalt: ‘het geloof dat je grootmoeder en je moeder hadden en dat jij nu ook hebt’. De nuance van het ‘inwonen’ van het geloof, waarmee gezegd is dat het geloof in iemand lééft, komt daarin niet uit. Hier wreekt zich m.i. dat de NBV er vooral op uit is, om grotere bijbelgedeelten als geheel goed te laten overkomen, en zich daarbij ten opzichte van details vaak enige vrijheid veroorlooft.

ER MOET WEL IETS GEBEUREN

Zo heeft de NBV opmerkelijke positieve kanten én schaduwzijden. Bij die conclusie zou het kunnen blijven als de nu onder ons officieel gebruikte vertalingen nog zouden voldoen voor de 21E eeuw. Maar we moeten erkennen dat dat niet zo is. Ook wat nu onder ons nog ‘de nieuwe vertaling’ heet, de NBG’51, raakt verouderd. In feite is dat proces meteen begonnen bij de verschijning ervan. Ook toen al was de taal ouderwets; de oorspronkelijke bijbeltaal is er vaak plechtiger in weergegeven dan ze in werkelijkheid is. Voor steeds meer men-sen, en met name jongeren van deze tijd zijn veel woorden en zinswendingen eruit nog maar moeilijk te bevatten. Het kon dus allang duidelijk zijn dat er op dit punt iets moest gebeuren; daarom is het jammer dat onze kerken — anders dan de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt — zich afzijdig hebben gehouden toen hun deelname aan de NBV gevraagd werd.

Enkele andere bijbeluitgaven die binnen onze kerken niet-officieel wel gebruikt worden bieden m.i. geen verantwoord alternatief:

— Groot Nieuws is een vertaling in omgangstaal voor een bepaalde doelgroep;

— Het Boek, de Nederlandse versie van de Living Bible, soms door ouderlingen gebruikt op huisbezoek, is géén vertaling maar meer omschrijving van de bijbeltekst.
Van beide geldt dat er mooie dingen in staan, maar ook onjuistheden. Bijvoorbeeld: in Groot Nieuws heten onze zonden vaak ‘fouten’; en wat in Het Boek gemaakt is van Rom. 13: 10 en 2 Kor. 5: 18 lijkt nergens op.

— Over de op stapel staande herziening van de SV leest u elders in dit nummer. Als ik er één opmerking over mag maken: de gepubliceerde voorlopige resultaten hebben m.i. iets tweesporigs. Vaak hedendaagser dan NBG’51, maar ook dikwijls, sterker dan nodig en gewenst, nog aanleunend tegen de SV. Men zou het moeten aandurven om meer op het éérste spoor verder te gaan.

Er is naast de NBV nog één vertaling die wel genoemd wordt als alternatief voor NBG’51: de Willibrordvertaling (WV), een uitgave van de Katholieke bijbelstichting maar géén ‘rooms’ gekleurde vertaling; er is ten gerieve van protestantse lezers een uitgave zónder de inleidingen op de bijbelboeken, met de apocriefe (deuterocanonieke) boeken niet afgedrukt tussen de oudtestamentische boeken door, maar tussen OT en NT in. Mijn ervaring is dat de WV nogal eens dichter bij de brontekst blijft dan de NBV.

TENSLOTTE

Zelfs de beste vertaling zal niet helpen als de bijbel gesloten blijft. Helaas is er reden voor de vraag in hoeverre de bijbel nog echt gelezen en dus gekend wordt. We horen over toenemend bijbels analfabetisme. Dat is ernstig, want zo raakt de communicatie tussen God en mensen verstoord. Daarvoor is de bijbel ons immers gegeven. Daarom is van harte te hopen dat alle activiteit op het gebied van de bijbelvertaling ertoe zal leiden dat de bijbel weer méér en weer als nieuw gelezen wordt.

Ik eindig met één van de vele mooi vertaalde teksten in de NBV: 1 Kor. 13: 12, waar NBG’51 zegt: ‘nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen’. De NBV: ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel’. Zo is dat met ons kennen van God, zelfs met de beste bijbelvertaling. ‘Maar’, gaat de tekst verder, ‘dán zullen we oog in oog met God staan’. Als die toekomst aanbreekt, zal er geen bijbel, laat staan een vertaling meer nodig zijn. Zolang we nog daarheen op weg zijn blijven we ook op het gebied van de bijbelvertaling streven naar de hoogste gaven (1 Kor. 12: 31).

Drs. W. Steenbergen is emeritus-predikant van de gemeente van ‘s-Hertogenbosch en woont in Zwolle. Hij is als supervisor betrokken geweest bij de totstandkoming van de NBV.

*) Voor uitgebreider informatie is te verwijzen naar de uitgaven van het NBG én voor NBV én HSV) naar de brochure met lezingen, dit jaar gehouden tijdens de conferentie van Regionale Chr. Geref. studiekringen (R.C.G.S.) door mw. dr. M.H. de Lang (vertaalster bij de NBV), ds. B.J. van Vreeswijk (voorzitter Stichting HSV) en ondergetekende. De brochure is gratis aan te vragen bij C. Kleinjan, 1e Barendrechtseweg 142, 2992 XD Barendrecht; tel. 0180 612655; e-mail: c.kleinian@hetnet.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.