+ Meer informatie

SPIEGEL VAN DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERKEN NA 1960

22 minuten leestijd

Vijftig jaar Ambtelijk Contact staat tegelijkertijd voor een halve eeuw in de geschiedenis van de CGK. Als Ambtelijk Contact in 1962 begint te verschijnen, is de samenleving bezig drastisch te veranderen. Tegenstellingen tussen de grootmachten hadden na de Tweede Wereldoorlog geleid tot de Koude Oorlog. Een bewapeningswedloop ging gepaard met snelle wetenschappelijke ontwikkelingen, waarvan de ruimtevaart geen mens onberoerd liet. De horizon week steeds verder terug en het tempo van de geschiedenis werd hoe langer hoe meer opgevoerd. De samenleving onderging talrijke veranderingen door onder meer voortgaande industrialisatie, verstedelijking, secularisatie en individualisering. Hoewel het niet meteen in het oog viel en christelijk-gereformeerden zeker niet voorop gingen, bewogen ook zij mee. In de grote wereld waren de vier miljoen Protestanten die Nederland in 1960 telde een klein getal en onder hen de 1,7 procent christelijkgereformeerden een fractie. Hoe zouden zij bij alle veranderingen zichzelf blijven? Wie wilden zij eigenlijk zijn? Discussiepunten genoeg. Het comité en de redactie van Ambtelijk Contact wilden ambtsdragers toerusten en hen samenbinden. Hun bijdrage aan de CGK weerspiegelde de veranderingen in het kerkverband, mede omdat zij daarin ook probeerden te sturen. Gezien de moeizame verhoudingen waren de binnenkerkelijke problemen een veelbesproken onderwerp. Ambtelijk Contact geeft een beeld van een halve eeuw christelijk-gereformeerd ambtelijk samenleven. Dit plaatst de hoofdstukken over diaconaat, prediking en pastoraat in kerkelijk perspectief.

VAN SPANNINGEN NAAR TEGENSTELLINGEN

Na de Tweede Wereldoorlog waren de christelijk-gereformeerden uit het isolement getreden waarin zij voordien grotendeels verkeerden. Op kerkelijk terrein speelde de Vrijmaking van 1944 daar een belangrijke rol in. Zij positioneerde de CGK op het midden van de kerkelijke kaart tussen de synodalen en vrijgemaakten, waar zij al spoedig als toonbeeld van confessionele evenwichtigheid blaakten van een redelijke dosis zelfvertrouwen.

Begin jaren vijftig kwam daar een flinke knak in toen enkele predikanten en gemeenten, voornamelijk aan de rechterzijde, de CGK verbeten. Zij bespaarden zichzelf wel de kerkelijke weg, maar het kerkverband niet hun bezwaren. Het mankeerde huns inziens te veel aan tuchtoefening tegen wereldgelijkvormigheid. Verder was er met de leer weliswaar niets mis, maar ernstige kritiek hadden zij op de toepassing en beleving daarvan. Zij hekelden de manier waarop collega’s het genadeverbond zouden objectiveren, met als gevolgen een zogeheten voorwerpelijke prediking, te weinig aandacht voor het werk van de Heilige Geest in het mensenhart en het stelselmatig kweken van avondmaalgangers. Vanouds was er binnen de CGK onderscheid tussen meer ‘orthodox’ en meer ‘bevindelijk’ georienteerde predikanten en gemeenten. Zo nu en dan had dit tot kleine aderlatingen geleid naar hetzij de Gereformeerde Kerken hetzij de Gereformeerde Gemeenten, maar nooit op deze schaal. De generale synode van 1953 verspreidde een kanselboodschap waarin werd gewezen op verschijnselen van inzinking en vervlakking. Het is de vraag hoe breed deze inschatting op dat moment werd gedeeld. De invloed van de bevindelijke stroming op de synode was groot. Nog in zijn kerkelijk jaaroverzicht van 1956 steide ds. J.C. Maris rustig dat de christelijk-gereformeerden niet in ernstige mate te lijden hadden van de tijdgeest. Enkele jaren na de start van Ambtelijk Contact schreef ook hij de moeite om getalsmatig op peil te blijven echter mede toe aan ‘de heersende tijdgeest en toenemende ontkerstening’. Christelijkgereformeerden namen daartegenover verschillende houdingen aan, en op grond daarvan ook naar elkaar. Als zij terugblikten constateerden leidinggevenden unaniem dat de spanningen van voor de oorlog daarna ontaardden in tegenstellingen.

KERKELIJKE ZAAKJES

De blik van Ambtelijk Contact was gericht op de kerkelijke binnenwereld. Slechts voor zover de buitenwereld daar opzienbarend invloed op uitoefende, zoals in pastorale jeugdproblematiek, was er aandacht voor. Ambtelijk Contact weerspiegelde daarmee het ambtelijk bezig zijn. In 1969 blikte Van den Brink terug op de période die hij vanaf 1956 in drie verschillende gemeenten in het ambt had gediend. In korte trekken schetste hij een tijdsbeeld van oorlogen in onder meer Korea en Vietnam, oorlogsdreiging, guerrilla’s, hongerende massa’s in Afrika en Azië versus westerse welvaartsjacht, afbrokkelende zedelijke maatstaven, de komst van gastarbeiders met een eigen religie, oecumenische ontwikkelingen in de wereldkerk, verdere secularisering van het mens-zijn door wetenschappelijke vooruitgang, een onstuimige jongerenemancipatie en het in discussie komen van alle vormen van gezag. Van den Brink had niet de indruk dat de drie kerkenraden echt op deze ontwikkelingen betrokken waren geweest. Integendeel, die drie kerkenraadskamers waren vertrekken geweest ‘waar we ver van al die nare toestanden - te - rustig onze eigen zaakjes hebben geregeld’.

Agendapunten voor een meelevende christelijk-gereformeerde kerkenraad waren er in overvloed. Bij de interne spanningen door liggingsverschillen kwamen in de jaren vijftig conflicten tussen progressieven en conservatieven. Het ritmisch zingen van de psalmen ging voor menigeen al te snel. De Nieuwe Vertaling van de Bijbel werd na veel geharrewar door de generale synode van 1962 vrijgegeven, in dezelfde jaren zestig en zeventig gevolgd door allerlei herziene of nieuwe liturgische formulieren en de nieuwe berijming van de psalmen. Vrijgeven betekende dat iedere kerkenraad voor zich er een standpunt over moest innemen. Over de kerkelijke ‘zaakjes’ liet Van den Brink zich dan ook uit in herkenbare bewoordingen:

* tweemaal uitvoerige besprekingen over de overgang naar een ander zangritme

* zeker tien keer vergaderen over de voor- en nadelen van de Nieuwe Vertaling van de Bijbel (1951)

* drie keer bezinning op de vraag ‘of alle kerkenraadsleden krachtens roeping en verantwoordelijkheid verplicht zijn te tronen in hoger geplaatste podiumbanken’

ONGELIJKTIJDIGHEID EN ONENIGHEID

Het was nog maar 1969 toen Van den Brink dit schreef. In veel kerkenraden zouden de genoemde onderwerpen nog heel wat vergaderuren opslokken, terwijl het rijtje bovendien sterke uitbreiding onderging, ook met onderwerpen van ingrijpender strekking. Allerlei nieuwe ethische vraagpunten waren het gevolg van de invloed van de moderne cultuur. In het progressieve christelijk-gereformeerde jongerenblad DIA klonk in de jaren zeventig geregeld de klacht dat de synode niet inging op moderne vragen ten aanzien van samenwonen, echtscheiding, oorlog en vrede, kernwapens, ongewenste zwangerschappen etc. Samensprekingen met andere kerken leidden bij de een tot het prononceren van kerkelijk-theologische standpunten, maar bij de ander tot het relativeren daarvan. Intussen deden meningsverschillen over deze en dergelijke zaken de spanningen in de CGK oplopen. Menigeen beleefde alleen al de kleine liturgische wijzigingen als vernieuwingen die niet op zichzelf standen. Werd er niet om gevraagd vanuit een onstuitbare vernieuwingsdrang? De ongelijktijdigheid in het kerkverband was groot genoeg om met vrij grote voorspelbaarheid in te kunnen schatten wat in de eigen gemeente de volgende stap zou zijn.

En afgezien van de uiterlijke component, waren vernieuwingen niet een weerspiegeling van het geestelijk klimaat in de gemeente? Leidden veranderingen in de liturgie niet tot vervlakking in de prediking? Ging men de grote Gereformeerde Kerken achterna? Van vrijzinnigheid was in deze jaren geen sprake in de CGK, maar de oude spanningen tussen orthodoxen en bevindelijken en de nieuwe tussen progressieven en conservatieven zorgden voor verwijdering. In 1966 begonnen de bevindelijken, in reactie op het synodebesluit van 1965 om evangelisatiesamenkomsten desgewenst via de televisie uit te zenden, met de uitgave van het blad Bewaar het Pand en gingen zij ontmoetingsdagen organiseren. Sommige classes en particuliere synodes hadden al in de jaren zestig niet meer genoeg aan een dag vergaderen, hetgeen - zoals Geleijnse op een conferentie eens subtiel onder woorden bracht - niet altijd betekende dat er veel en vruchtbaar werk werd verzet. De synodes slaagden er slechts met moeite in het kerkverband zijn koers te laten vervolgen.

SAMENLEVEN

Het comité nam de spanningen en verontrusting in de gemeenten en het wantrouwen van de ene gemeente ten opzichte van de andere serieus. Het belegde er reeds in de jaren zestig en zeventig de nodige conferenties over, die zich in grote belangstelling mochten Verheugen. In 1967 sprak ds. A.W. Drechsler over ‘Eenheid bij verscheidenheid in eigen kring’. Hij erkende verschil in beleving van de leer, niet in de leer zelf. In Ambtelijk Contact van 1971 schreef ds. P.N. Ribbers over ‘Onnodige spanningen’, waarvan de strekking was dat men verschillen over de liturgie niet mocht behandelen en bespreken alsof het verschillen in de leer waren. Een spade dieper stak ds. P. Op den Velde in zijn bijdrage aan de conferentie van 1971. Meningsverschillen waren z.i. in deze tijd onontkoombaar. De oorzaak van de polarisatie lag primair in het feit ‘dat we ons niet bezonnen hebben op en niet geoefend hebben in het op christelijke en geestelijke wijze met elkaar samenleven’. Soms ging het zelfs door en door werelds toe in de omgang met elkaar.

De predikant meende dat op deze wijze de doorwerking van de Geest werd tegengestaan. Bovendien demonstreerde men geen enkel begrip te hebben voor de wezenlijke nood van de wereld. Profetisch stak hij een vinger uit: ‘Zelfs het jagen naar persoonlijke godsvrucht zal ijdel blijken te zijn, indien het niet doorwerkt in een waarachtig christelijk samenleven’.

PLATFORM

Inderdaad stond het waarachtig christelijk samenleven onder druk. De herdenkingsboeken zijn sober over de jongste geschiedenis van de CGK, maar J.H. Velema sprak aan het slot van En toch niet verteerd toch openlijk uit dat de insider zou willen dat christelijk-gereformeerden minder langs elkaar heen leefden en elkaar niet alleen kerkverbandelijk vasthielden, maar ook geestelijk. Enige tijd daarvoor schreef ds. M. Drayer in het kerkelijk jaaroverzicht met het nodige understatement dat de vele gesloten kansels niet bepaald wezen ‘op een overmaat van heiliging’. In de jaren zeventig en tachtig kwam de onenigheid het meest aanschouwelijk tot uiting in de discussie over het ‘vrije lied’, die zware wissels trok op de gemeenschappelijke lofzang. Het spreken van de synode over het Liedboek voor de Kerken kwalificeerde ds. J. de Jong in het blad DIA eens oneerbiedig als ‘synodaal gestotter’.

Men legde zich niet neer bij de verslechterende verhoudingen. De synode van 1974 riep de classes op besprekingen aan te gaan over de binnenkerkelijke verschillen. De meeste classes gaven daaraan gehoor. Ook het comité liet zich niet onbetuigd. In 1978 ging het over tot wat in de kerken werd beschouwd als een gewaagde onderneming. De CGK hadden de synode van 1977 zonder noemenswaardige averij kunnen passeren, maar het comité belegde het jaar daarop voor het eerst een conferentie over de prediking die ingeleid werd door vertegenwoordigers van verschillende flanken. Zou men zo de geesten weer oproepen? Ook in de volgende jaren deed het comité moedige pogingen de spanningen uit de lucht te halen door de meningsverschillen op conferenties uit te praten. Met enig recht constateerde Koole in 1986 dat de halfjaarlijkse conferenties zo ongeveer nog het enige platform waren waarop de verschillende richtingen elkaar ontmoetten.

CONFRONT ATIES IN DE JAREN TACHTIG

Bleef de verwijdering in de jaren zeventig althans nog enigszins binnenskamers en was er nog een zekere behoedzaamheid in de publieke omgang met elkaar, dat veranderde vanaf de jaren tachtig. De polarisatie in de samenleving werkte met enige vertraging door in de CGK. Zelfs de seculiere pers werd ‘gevoerd’ met informatie en interviews. Halverwege dit decennium werd hardop van een crisis gesproken. De feiten waren er ook naar:

* De vredesbeweging draaide in de jaren tachtig overuren en de plaatsing van kernwapens in Nederland leidde ook in de CGK tot uiteenlopende standpunten. In 1983 verklaarden 25 predikanten zich in een open brief tegen de plaatsing van kruisraketten. Ds. H. van der Schaaf ging in Ambtelijk Contact in discussie met W. Steenbergen jr. over de rechtmatigheid van dienstweigering in verband met de nucleaire bewapening.

* De classis Rotterdam liet in 1984 een kandidaat bij herhaling niet toe tot het predikantschap, uit twijfel over zijn persoonlijk geloof en roepingsbesef. De classis Groningen hielp hem uit de moeilijkheden. De tweespalt kwam zo pijnlijk aan het licht.

* Eind 1984 werd drs. Joh. Kruis, tot kort daarvoor tevens docent in Apeldoorn, door de classis Utrecht afgezet als predikant vanwege zijn opvattingen over de leer van de verzoening. Ook progressieve predikanten meenden trouwens dat hij niet te handhaven was. In Ambtelijk Contact besprak prof. Velema de noodzaak van heldere communicatie van kerkelijke besluiten.

* Enkele predikanten kregen moeilijkheden vanwege hun opvattingen over homofilie. Ambtelijk Contact plaatste een stuk van de Nederlands gereformeerde ds. J. Bouma waarin deze zich distantieerde van de ontwikkelingen in een gespreksgroep voor homofielen, die hij met o.a. prof. Velema had helpen oprichten.

* Diverse gemeenten botsten met classes over de formalisering van hun samenwerking met Nederlands gereformeerden.

* Ds. T. Harder en dr. Jac.J. Rebel kwamen in conflict met de classis Amersfoort. Zij hadden als respectievelijk bestuurslid en pastor van een verpleeghuis meegewerkt aan een beleidsnota over abortus waarin een iets ruimer standpunt werd ingenomen dan tal van collega’s acceptabel vonden. In de vergaderingen van de classis werden in 1985 harde noten gekraakt. Uitgesproken werd dat zij ‘schorsingswaardig’ waren, hetgeen landelijk veel deining veroorzaakte en ook stormen van protest opriep, zowel vanwege de motivatie als vanwege de twijfelachtige kerkrechtelijke terminologie.

Enkele prominente kerkleden laakten in de pers ‘de voortschrijdende tendens tot onverdraagzaamheid en verabsolutering van eigen standpunten’. Zij proefden angst voor de toekomst. Anderen spraken van verrechtsing. Prof. Velema constateerde in Ambtelijk Contact dat het eerlijker was geweest geen angst te suggereren, maar te erkennen dat men zelf ándere antwoorden wenste. Ds. J.H. Velema verweet de vernieuwers dat zij zich te veel lieten inspireren door niet-gereformeerde theologie. Hij verdedigde in zijn brochure Verrechtsing? (1985) dat er niets anders speelde dan ‘een kerkelijke reactie op een verlinksingsproces, dat staat in dienst van de verflauwing’. Hoe dan ook viel deze reactie siecht. Tussen 1985 en 1987 vertrokken vijf predikanten naar de Hervormde Kerk, omdat zij meer openheid en/of vrijheid wensten dan zij in de CGK ervoeren. Bij elkaar een kleine exodus die grote onrust in de kerken tot gevolg had. Het werd als veelzeggend ervaren dat deze predikanten naar een deel van de Hervormde Kerk gingen waar de belijdenis niet functioneerde.

Sommigen vertrokken, anderen trokken zich binnen de eigen kerk terug. Voor Ambtelijk Contact betekende dit dat Rebel in 1985 weigerde er nog langer voor te schrijven. Toen Koole aandrong verweet Rebel de redactie onvoldoende begrip te hebben voor ‘het leed, de pijn, de vermoeidheid, de innerlijke geslagenheid’ die de classiszaak bij hem teweegbrachten; prof. Velema was daarbij adviseur geweest. Korte tijd later ging Rebel over naar de Hervormde Kerk. Harder bleef, maar ook van zijn pen plukte Ambtelijk Contact vele jaren niet langer de vruchten.

HET VADERLIJK ERFDEEL EN DE MODERNE CULTUUR

In een poging tot nadere verklaring van hun streven en tot toenadering publiceerde de zogeheten Amersfoortse groep - genoemd naar de vergaderplaats van een theologisch studiegezelschap - de brochure Verder in vertrouwen (1985). Als een oorzaak van de spanningen wees de brochure de omgang met de moderne cultuur aan. De cultuur na de Verlichting was in vele opzichten in een stroomversnelling geraakt. Het geloof was daarbij steeds meer teruggedrongen naar het terrein van het privéleven. Het doordenken van deze ontwikkelingen en de discussie erover was in de CGK huns inziens te veel uit de weg gegaan. Koole noteerde in 1992 dat de indringende vragen waarmee de veranderende tijden de kerken in aanraking brachten, later tot in de meest orthodoxe kringen toe aandacht kregen. De progressieven hadden hier zeker een punt. Op de conferentie van 1984 wees Koole erop dat zij meenden dat het vaderlijk erfgoed werd verabsoluteerd in die zin dat toetsing ervan vanuit eigentijdse vragen reeds als een symptoom van verval of ketterij werd gezien.

Omgekeerd nam een groot deel van de kerken bij de progressieven geringschatting van het erfdeel der vaderen waar. De bevindelijken waren vanzelf niet te spreken over het verwijt aan heilsegoïsme te doen, zoals zij wel eens te horen kregen. Zelf beschuldigden zij de vernieuwers ervan dat hun preken te veel uitgingen van ‘de mens die wat moet doen, meer dan van een zondaar aan wie wat gedaan moet worden’, zoals Koole het eens pregnant verwoordde. De middenmoot herkende zich in de grondthema’s van de bevindelijken maar legde andere accenten. Hoewel niet ongevoelig voor moderne vragen, die zich immers indringender dan ooit tevoren opdrongen, hadden ook zij bedenkingen bij de progressieven. Het verwijt van Rebel dat er in de CGK op een vooroorlogse manier werd getheologiseerd, schoot bij de Apeldoornse redacteuren uiteraard in het verkeerde keelgat. Op hun beurt vroegen zij zich hardop af of er in Verder in vertrouwen openingen zaten voor belijdenisrelativering. De brochure wees op de gevaren van een cultuur die diep doortrokken was van nihilisme. Veelal onbewust sijpelde dit levensgevoel langs allerlei wegen het leven van kerkleden binnen. Van Genderen hamerde er in zijn kanttekeningen bij de brochure in Ambtelijk Contact op dat deze behalve over het nihilisme ook over het relativisme had moeten gaan. Eigenlijk was dit nog gevaarlijker, omdat lang niet iedereen het doorzag en het juist het relativisme was dat in de kerken doordrong.

TWEESPRONG

Verder in vertrouwen werd door vele christelijk-gereformeerden gespeld, ontleed en gewogen. In Ambtelijk Contact discussieerden Van Genderen en Velema erover met de predikanten G.L. Born, G.C. den Hertog, G.C. van der Klis en W. Steenbergen. Op de ambtsdragersconferentie van 1986 refereerden J.H. Velema en Born over ‘Wat is gereformeerd?’. Het was Velema’s zwanenzang als dienstdoend predikant. Tegelijk was het een voorlopig toppunt in het uiten van zijn verontrusting over ‘diverse ambtsdragers die niet meer gereformeerd lijken te kunnen denken, geen gereformeerde voelhorens meer hebben’. Op de conferentie en in Ambtelijk Contact werden omstreden uitdrukkingen in Verder in vertrouwen uitgebeend. Zo werd er het nodige heen en weer gepraat en geschreven over Borns uitspraak dat de belijdenis ‘een samenvattend moment’ van de Schrift bevatte. Alleen al de thematiek van de conferentie suggereerde dat het vertrouwen in elkaar ontbrak en de discussies maakten dat in diverse zinsneden pijnlijk duidelijk. J.H. Velema zag zijn kerkverband op de tweesprong staan tussen christelijk-gereformeerd heten en het ook echt zijn óf niet meer weten waar dat om ging en, misschien ongewild en onbedoeld, het karakter van de CGK prijsgeven en daarmee haar bestaansgrond zakelijk doorstrepen. Geruisloos was er zijns inziens een ander geestesklimaat gegroeid, gekenmerkt door een zekere gearriveerdheid en kilheid, gespeend van de warmte die de christelijk-gereformeerde prediking van oudsher eigen was. Eén passage in Verder in vertrouwen verdiende hartelijke instemming, namelijk dat men vreesde dat wedergeboorte, bekering en het arme-zondaarsgebed te zeer uit het oog verloren raakten. ‘Breeders, hieraan had u uw brochure moeten wijden’, riep hij uit. En al had een paar onsjes meer welwillendheid geen kwaad gekund, een Amersfoortse brochure over deze thematiek zou ongetwijfeld meer hebben kunnen bijdragen aan het herstel van vertrouwen dat werd gewenst dan alle cultuuranalyses. Ook prof. Van ‘t Spijker had in De Wekker naar aanleiding van de Amersfoortse studiebundel De Geest schrijft wegen in de tijd (1984) reeds op hetzelfde euvel gewezen. De auteurs daarvan konden prachtige dingen zeggen over veranderde tijden en veranderde vragen, maar ze raakten niet de fundamentele kwestie van ‘de meest eigenlijke belofte van de Geest’, die van vernieuwing van het binnenste. ‘Wat baat een doorbreken van barrières, wanneer de meest basische barrière, die welke een mens van God Scheidt, blijft bestaan?’, vroeg Van ‘t Spijker. Over dat geweldige wonder kwam hij niet zoveel tegen in de bundel. Moest dat verondersteld worden op grond van het simpele feit dat mensen tot een gemeente behoorden?

PATSTELLING

De synode van 1986 werd in de kerken met spanning tegemoet gezien. Zouden de christelijk-gereformeerden elkaar kunnen vasthouden? Het viel mee. Het heil van de kerken als geheel woog veel afgevaardigden zwaarder dan persoonlijke verlangens. Maar na afloop volgde alsnog een kater. Ds. J. Westerink, vriend en evenknie van J.H. Velema in het leggen van de vinger bij de zere plekken in de CGK, constateerde op de conferentie van 1987 enerzijds met dankbaarheid dat de stoom wat van de kerkelijke ketel af was. Anderzijds had hij de indruk dat er een patstelling was ontstaan. Onder verwijzing naar een in hun ogen eenzijdige samenstelling van de synode kritiseerden vooruitstrevenden synodebesluiten. Broeders die dankbaar waren voor de moeizaam tot stand genomen besluiten raakten daardoor gefrustreerd. Zij dachten: wat helpt het allemaal? Ieder gaat toch zijn eigen gang. Het gevolg was onzekerheid en onenigheid over de vraag hoe het verder moest.

VERDER IN VERTROUWEN?

Hoe verder? - dat was wat de geesten bezighield, ook als er dankbaar positieve zaken werden genoteerd. Koole wees er op de conferentie van 1985 nog eens op dat de dingen soms scherper lagen dan ze in de discussie werden verwoord. De benadering van elkaar was voorzichtig en broederlijk. Van ‘t Spijker beaamde in De Wefefeer dat, hoewel er in zijn beleving ‘zeer pittige dingen’ waren gezegd, de sfeer goed was. Hij was er dankbaar voor dat verder gesprek mogelijk was. De vraag ‘hoe nu verder?’ was zelfs het conferentiethema in 1987. Ds. Boersma pleitte er toen onder meer voor om tijdelijk de voorrang te geven aan het eigen kerkverband en in de samenwerking met andere kerken even pas op de plaats te maken. Eerst moest binnenkerkelijk orde op zaken worden gesteld.

Mede in reactie op kritiek vanuit de kerken dat het comité vrijwel uitsluitend nog controversiële onderwerpen koos voor de conferenties, steide Koole in 1991 hardop de vraag of men iets verder gekomen was. In de conferentie van dat jaar had Van ‘t Spijker gesignaleerd dat het gebrek aan waarachtige vroomheid een van de meest fundamentele oorzaken voor de moeizame verhoudingen was. Hij zag deze kwaal links en rechts even diep ingekapseld. Alleen het najagen van vroomheid bood onder de belofte van de Heilige Geest eenheid en toekomst. Maakte het indruk? In ieder geval proefde Koole op deze conferentie bij velen het roepingsgevoel om elkaar niet los te laten en met elkaar in gesprek te blijven. De conferenties, zo steide hij, dienden ter verduidelijking, de beeiden van elkaar werden enigszins bijgesteld. Men respecteerde elkaar meer en was duidelijk niet helemaal uitgepraat. Tegelijk was het zo dat het wantrouwen wel enigermate werd afgezwakt, maar dat het vertrouwen maar mondjesmaat terugkeerde. Westerink constateerde in 1987 dat er weliswaar om vertrouwen werd gevraagd, maar dat dit nog niet zo eenvoudig was als het weg was. Het moest herwonnen worden. En daartoe moest men het eens zijn over waar men als kerken naar toe moest.

VERMOEIDHEID

Als duidelijke resultaten uitblijven kan men niet doorgaan met praten zonder dat een zekere vermoeidheid en moedeloosheid toeslaat. En dat was wat er in de CGK na de serie conferenties over de binnenkerkelijke problematiek gebeurde. Van tijd tot tijd werd nog een conferentie belegd over het overbruggen van de verschillen. In 1993 behandelden ds. A. Baars en ds. J.G. Schenau diepgaand de toe-eigening van het heil. Baars constateerde aan het slot van zijn referaat dat alle kerkelijke bezinning de standpunten niet veranderde. De onderlinge vervreemding en verwijdering bleef eveneens bestaan. Werd er wel echt doorgesproken? Was men bereid de eigen opvattingen werkelijk te toetsen?

Te midden van de vermoeidheid nam de verwijdering nog toe. Daarover uitten mensen die het konden weten zich steeds minder verhullend. Prof. J.W. Maris sprak op de conferentie van 1999 over het christelijk-gereformeerd samenleven in termen van duurzame ontwrichting en hartgrondig wantrouwen. De conferentie in 2002 met het thema ‘Wie zijn wij met elkaar, wat zijn we voor elkaar en wie zijn we samen voor God?’ riep opnieuw vermoeide reacties op. Ds. A.P. van Langevelde vond dat de conferentie niet veel meer was dan een herhaling van eerdere conferenties over de prediking. Hij zou graag zien dat ook eens over andere thema’s dan de gemeentebeschouwing en onderscheidenlijke prediking werd gesproken, zoals de vragen in verband met rijkdom en armoede, recht en gerechtigheid, toch ook kernthema’s in de Schrift.

VREEDZAME CO-EXISTENTIE

De eenheid van de CGK bleef formeel bestaan, in het kerkverband was die ver te zoeken. De heftige confrontaties uit de jaren tachtig bleven het kerkverband verder bespaard. Van ‘t Spijker sprak in 1991 terecht van ‘een soort van vreedzame co-existentie’. De bevindelijken trokken zich steeds verder terug in een eigen circuit. Vanaf 1994 belegde Bewaar het Pand zelfs eigen ambtsdragersconferenties, waar het comité zeer ongelukkig mee was. Ook de samenwerkingsgemeenten met de Nederlands Gereformeerde Kerken opereerden steeds losser van het kerkverband. Even later kwamen daar op grote schaal intensieve contacten met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bij, terwijl anderen meer voelden voor gereformeerde bondsgemeenten in de Protestantse Kerk of hersteld hervormde kerken. Op grond daarvan sprak ouderling A. Heystek in een terugblik op de generale synode van 2010 in De Wekker zelfs uit dat de CGK voor zijn besef in de terminale fase waren beland.

Een belangrijke factor in dit alles was dat de verhoudingen in de CGK langzaam maar zeker veranderden doordat de brede middenmoot vanaf de jaren negentig op drift raakte, niet zelden onder de elkaar versterkende invloeden van inwendige uitholling van het gereformeerde gehalte enerzijds en evangelicalisering anderzijds. Bepaalde de middengroep lange jaren het gezicht en de koers van de CGK, zij loste goeddeels op. In 1998 schreef prof. Velema in Ambtelijk Contact dat de CGK het samenbindend midden kwijt waren. Het was er nog wel, maar het functioneerde niet breed en wijd. Vijf jaar later betreurde hij op de ambtsdragersconferentie kortweg dat het midden helaas smal was geworden. In samenhang met Processen als drukte in het persoonlijk leven en afnemende betrokkenheid bij het landelijk kerkverband tekende deze verschuiving zich ook af in het conferentiebezoek, waar het midden van de kerk altijd sterk aanwezig was geweest. Halverwege de jaren negentig was de gemiddelde opkomst gedaald tot 250 conferentiegangers. De daling zette zich gestaag voort: waren er in 2008 nog 100 bezoekers, de laatste conferentie telde er ongeveer 40.

Intussen bleef typerend voor de CGK dat men het weliswaar in elkaars kerk niet uithoudt, maar in allerlei kerkelijke verbanden broederlijk samenwerkt voor hogere doeleinden. Het comité en de redactie van Ambtelijk Contact zijn van goede samenwerking niet de minste voorbeelden. Bij herhaling sprak Koole daarover als ‘verbanden waarin mensen op zodanig aangename en constructieve wijze met elkaar samenwerken, dat men zou wensen dat het altijd zou mogen voortduren’. Een dergelijke samenwerking stimuleerde het streven om ambtsdragers binnen de CGK samen te binden en op allerlei thema’s voorzichtig te sturen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.