+ Meer informatie

Fijn meesterwerk met marterhaar

Van Dou tot Van der Werff "toetsloze netticheyt' der Gouden Eeuw geschilderd op paneel

11 minuten leestijd

In menige christelijke huiskamer hangt een kopie van een bekend 17e-eeuws schilderij. Het is een naar links kijkende oude vrouw, gehuld in een met bont omzoomde mantel en een tulbandachtige bontmuts. In haar handen houdt zij een geïllustreerd boek waarin "Evangelium Luce XIX Cap." te lezen valt (Jezus' intocht in Jericho). „Rembrandt, een portret van zijn moeder"? Nee. Rembrandts moeder, maar geschilderd door een leerling van hem? Ook dat klopt niet. De schilder is haast zeker Gerard Dou, een Leidse leerling van Rembrandt. Maar dat hij met deze "Lezende oude vrouw" Neeltgen Zuijdtbroeck, de moeder van zijn leermeester, uitbeeldde, staat niet vast. Wèl stond diezelfde vrouw ook model voor Rembrandts zogeheten "Profetes Anna" uit 1631 en voor de "Studie van een oude vrouw" van Rembrandts Leidse compagnon Jan Lievens.

Die "Lezende oude vrouw" van Gerard Dou is een blikvanger van de mooie, druk bezochte, expositie in het Rijksmuseum: "De Hollandse Fijnschilders van Gerard Dou tot Adriaen van der Werff". Tot 25 februari kan men dit werk bekijken van schilders die „met engelengeduld en mierenvlijt" en met behulp van „één haar en een baby wimper..." kans zagen, zeer gedetailleerde portretjes, interieurs, gezelschappen, bijbelse taferelen of herberg- en bordeelscènes te penselen.


Grootmeester Gerard Dou


Gerard Dou (1613-1675) geldt als grootmeester in dit fijnschilder-genre in de Gouden Eeuw. Er wordt hier werk getoond van een tiental grotere en minder grote meesters, zoals Frans, Jan en Willem van Mieris, Gaspar Netscher, Godfried Schalcken, Arie de Vois en ridder Adriaen van der Werff. De tentoonstelling is ingericht door de Utrechtse kunsthistoricus Peter Hecht die ook de catalogus schreef. Het materiaal komt van uiteenlopende bruikleengevers: koningin Elizabeth, particulieren, musea in Ierland, de DDR, de VS, Oostenrijk, het Mauritshuis in Den Haag, de National Galleries in Edinburgh en nog veel meer.


De 'fijnschilderkunst' is ook tegenwoordig weer een geliefde techniek, van Henk Helmantel en Maarten 't Hart tot Theo Voorzaat en anderen. Maar dat de Gouden Eeuw ook over zulke kunstenaars beschikte, lijkt wat vergeten. Dat is, aldus Hecht, vroeger wel anders geweest. In hun tijd waren de fijnschilders zeer gewaardeerd. Ze maakten uiterst kostbare paneel-schilderijtjes.


Fijn- en huisschilders


De term "fijnschilder" bestond in Rembrandts dagen overigens niét voor wat wij er nu onder verstaan: minutieuze werkjes op klein en nog kleiner formaat, geschilderd met een haast onvoorstelbaar dun penseeltje. In de 17e eeuw was "fijnschilder" gewoon de aanduiding voor kunstschilder, tegenover wat wij nu wel de huis- en decoratieschilder noemen. Juist de hier besproken kunstenaars waren in hun eigen dagen veelgevraagd. Tot zo'n anderhalve eeuw geleden nog sprak men, als het ging over de groten van de 17e eeuw, eerder over Dou, Van Mieris en hun stijl- en techniek-verwante collega's dan over de mannen die nu als de top der Gouden Eeuw gelden; Frans Hals, Rembrandt of Vermeer.


In 1829 publiceerde de Engelse kunsthandelaar John Smith een gezaghebbend werk over de meest vooraanstaande Nederlandse schilders. Daar kregen acht van de tien ook nu uitgestalde fijnschilders een plaats. Smith stond met zijn oordeel in een oude traditie. Hij opende zijn boek met Dous werk. Een eeuw later, in 1929 op de Londense expositie "Hollandse kunst", lagen de zaken geheel anders. Van de 33 door Smith gecanoniseerde Hollandse meesters waren en toen zelfs zestien vrijwel geheel uit het zicht verdwenen, met name die fijnschilders!


Eerherstel voor Van Mieris


Er was toen nog maar een, vroeg werkje van Dou te zien en een van Frans van Mieris te midden van de 350 schilderijen van 65 kunstenaars der 17e eeuw. De normen waren totaal gewijzigd: wie als schilder geen duidelijk zichtbaar en persoonlijk 'handschrift" had, kon geen grote meester zijn, zo meende men. Maar Hecht komt zestig jaar later met .eerherstel voor deze vlijtige schilders, wier werken in museumzalen geen immense muur vullen zoals Rembrandts "Nachtwacht" of de schuttersstukken van Frans Hals. Toch is op een doordeweekse dag de belangstelling voor deze meesters van de 'beau fini' of 'high finishers' groot.


Men verdringt elkaar voor de werkjes met afmetingen vanl2bij8of21bijl6 cm., soms ook 30 bij 26 en zelfs wel 45 bij 38 cm. Maar dan nog zijn het bij lange na niet de lappen linnen die Rembrandt of de historie-schilders nodig hadden voor hun taferelen. Omdat ik de kans niet krijg, de paneeltjes van nabij te bewonderen, ga ik eerst de videofilm bekijken. Ook daar verdringen de scharen (scholieren) zich. Ze zien nagespeelde fijnschilders —Dou en anderen— aan de arbeid in hun ateliers en krijgen een beeld van de wijze waarop licht en donker -het clair-obscur dat Rembrandt beroemd zou maken— gestalte krijgen.


Kijkdoos met clair-obscur


Men moet zich voorstellen, hoe zo'n paneel, bij voorbeeld "De avondschool" van Dou, geschilderd werd. Om het juiste licht-en-donker te krijgen, moest de schilder in zijn slecht verlichte en geheel van het daglicht afhankelijke atelier zulke tafereeltjes als de "Wijze en Dwaze Maagden" overdag bij redelijk licht op paneel zetten. Maar dan kreeg hij juist het donker niet goed weergegeven. De film toont een toen wel gebruikte oplossing. De schilder zat zelf in het daglicht in zijn atelier achter zijn ezel. Maar zijn modellen bevonden zich in een soort grote camera obscura of kijkdoos met een kijkgat. Wat de schilder in die 'doos' waarnam, bracht hij in het licht op zijn paneel.


Zijn palet bevatte veelal slechts dié enkele verf waar hij op dat moment mee bezig was. En iemancf als Dou, die altijd in Leiden bleef en niet zoals meester Rembrandt naar Amsterdam trok. maakte zowel zijn verven als z'n penselen zelf. Goedkoop en snel leverbaar waren zijn schilderwerkjes niet. Zo was hij volgens tijdgenoten drie tot vijf dagen bezig met één bezem op een klein paneel en deed hij wel vijf dagen over één hand...


Vorstelijke prijzen...


Wie daarbij bedenkt dat Dou toen prijzen hanteerde van soms wel zes gulden per uur en van 500 tot 1000 gulden voor één werkje in de koersen van dié tijd, begrijpt dat de opdrachtgevers vermogende lieden moesten zijn. Maar succes nadden hij en sommige vakgenoten. Adriaen van der Werff werd zelfs door zijn opdrachtgever, keurvorst Johann Wilhelm van de Palts die in Düsseldorf hof hield, in de adelstand verheven. Ook ridder Van der Werff deed wel 25 weken over één schilderijtje, waarbij —blijkens een bewaarde rekening— ook zijn broer Pieter nog apart vorstelijk moest worden betaald voor diens aandeel van vier weken arbeid aan een werk van Adriaen. De Bijbel en de klassieke mythologie waren Van der Werffs voornaamste inspiratiebronnen.


De fijnschilders uit de Gouden Eeuw vormden geen hechte groep of schildersbent in moderne zin. Er was geen sprake van een Stijl- of Cobra-beweging. Onderling verschillen ze zeer, naar thema's èn uitwerking. Maar ze hadden allen gemeen dat ze de "nette schilder-konst" bedreven zoals schilder Philips Angel dat in 1641 noemde. Die "nette" kunst stond dan tegenover de "grove" schilderkunst van Rembrandt en Frans Hals met hun brede kwaststreken, hun kleurvegen en bijna schetsmatige vormen. Die 'grove' kunst moest je van een afstand bekijken.


Gladde 'netticheyt'


Maar het 'nette' schilderen, deze „toetsloze netticheyt", was heel anders: het waren vrijwel gladde panelen, geen ruwe doeken met dikke lagen verf. Deze wijze van 'net' schilderen was geen doel op zich, maar slechts een middel om eigen artistieke ambities te bereiken. Welke dat waren, lag voor elke kunstenaar anders. Volgens Peter Hecht wilde Dou vooral de zichtbare wereld zo realistisch mogelijk nabootsen. Dat kon hij zó bedrieglijk echt dat het in zijn paneeltje "Het keukenmeisje" lijkt, alsof een bos peen grijpbaar uit het schilderij naar buiten steekt. Dou had (te?) veel oog voor elk detail en het bijwerk.


Dous geniale leerling Frans van Mieris ontdeed zijn schilderingen van het bijwerk en beeldde zijn figuren uit in levensechte situaties. Van Mieris maakte school door schilders als Schalcken in j Dordrecht en Netscher in Den Haag te inspireren. Er is ook verschil in thematiek tussen de eerste fijnschilders, zoals Dou, en de laatsten op de expositie, die tot omstreeks 1720 gewerkt hebben, zoals Van der Werff. Hecht ziet een verschuiving van het burgerlijke dagelijks leven naar meer klassieke en bijbelse taferelen.


Stof en nachtlicht


Netscher en Van der Werff gaan nogal eens in de leer bij de Renaissancekunst van Anthonie van Dijck en sommige Italiaanse meesters. Netscher wordt op de tentoonstelling de "meester van de elegantie" genoemd, die de invloed van de Utrechtse caravaggist Gerard Terborch ondergaat. Arie de Vois heet "schilder der menselijke humeuren". Schalcken is vooral man van de 'nachtlichtstukken': "De wijze en dwaze maagden", "Venus geeft Amor een brandende pijl", "Meisje dat een appel eet". Zo heeft elk zijn specialisme, afzijn ze veelal een in hun zorgvuldige weergave van stof en aankleding.


Zoals Eglon van der Neer, een minder bekende zoon van landschapsschilder Aert van der Neer. Eglons "Jongedame met bord met oesters" is alleen al subliem vanwege die schildering van haar japon en hoofdtooi. Reeds omstreeks 1720 behoorde dit paneeltje tot de vor- . stelijke verzameling van Liechtenstein en de geschatte waarde was toen reeds 150 gulden. Het werkje van 30 bij 26 cm. hangt nu nog in het slot te Vaduz. Zo zijn er meer interessante werkjes te noemen, zoals "Jozef met de vrouw van Potifar" van Willem van Mieris, zoon van Frans van Mieris de Oude en een broer van Jan, die ook beiden hier aanwezig zijn.


Wat stelt het voor?


Maar nog belangrijker dan de vraag: Wat stelt het voor? is de vraag: Wat betekent het? Een soort dubbelportret van Willem van Mieris, "De vechtjas" en "Het snolletje", lijkt voor zichzelf te spreken. Het werkje, waarop Frans van Mieris drie generaties schilders uit zijn geslacht weergeeft, eveneens. Maar hoe zit het met de diverse schilderijtjes waarop maskers voorkomen, zoals op Godfried Schalckens "Jongen met stenen masker" ? Moeten we deze fijnschilders ook alom verdenken van dubbele bodems, geheime boodschappen et cetera? Men weet het: bekende en herkenbare 17e-eeuwse schilderijen tonen méér dan er op het eerste gezicht op staat. Een ontmoeting tussen een jonge man en een meisje blijkt bij nader inzien een bordeelscène. Een visverkoopster, een interieur, bepaalde vruchten en dieren zeggen méér dan dat ze gewoon „naar het leven geschilderde" taferelen bieden. De symboliek druipt er soms af, of is soms verhuld aanwezig. Is dat met die fijnschilderkunst ook het geval?


Ja en nee. In de Kunstkrant bij deze expositie wordt er —met verwijzing naar de expositie "Tot lering en vermaak" in 1976 over de verborgen betekenissen van de 17e-eeuwse schilderkunst— op gewezen dat het bij deze fijnschilders niet of nauwelijks over verborgen symboliek gaat. Zij willen juist nabootsen, illusies wekken en ook schilderen over de schilderkunst. Een bos wortels is gewoon een groente met vorm en kleur, niet per se iets met een dubbelzinnige duiding. Déze werkjes zijn „geen cryptogrammen en ook geen theologische manifestaties". Ze gaan wel over illusies, zoals de diverse schilderijen met gordijntjes en dieptewerking tonen. Verborgen betekenissen zijn, aldus de brochure, bijzaak.


Symboliek en embleem


Dat kan kloppen. Maar sommige werkjes, zoals het doek van Schalcken dat nu "De bedreigde maagdelijkheid" wordt genoemd, heten niet ten onrechte zó. De nogal weelderige jongedame in dure kledij, die als hoofdsieraad een doorboord brandend hart draagt, laat een vogeltje ontsnappen uit het fraaie kooitje dat ze bevallig in haar linkerhand houdt.


Dat motief van de verloren jonkvrouwelijke eer is rechtstreeks te herleiden tot een moraliserende prent (embleem) met een "sinnedicht" van Jacob Cats, die waarschuwde tegen het zo lichtvaarc'ig prijsgeven van wat als een hoog goed gold. Het thema van de ontsnapte vogel keert telkens terug: bij Schalcken nogmaals, bij Frans van Mieris de Oude, bij Adriaen van de Venne en Jan Swelinck (die Cats' boek "Proteus, ofte Minne-beelden" verluchtte). In één opzicht verschillen de fijnschilders ook van de vakgenoten met de grote maten. Ze werken zó klein dat spannen van linnen de moeite niet waard is. Daarom schilderen ze op paneeltjes, die kant en klaar en voorgeplamuurd bij de schilderswinkel te koop waren. Verf kocht men in poedervorm, men vermengde ze zelf met olie en wreef ze met een vuurstenen of glazen kegel op een ronde porfiersteen. Het schilderwerk ging met uiterst smalle en puntige penselen van marterhaar en dergelijke. Men had ook "'vispénselen' en 'daskwasten', die waaiervormig uitliepen en dienden om de halfdroge verf nog iets te bewerken.


'Doodverven'


Het schilderen ging bij fijn- en grofschilders wel gelijk. Beiden brachten over hun plamuurlaag een dunne egale, grijsbruine verflaag aan: de basislaag waarop men verder werkte. Die basis voorkwam dat de plamuur alle olie uit de verven zou wegzuigen. Met grijze verf werd nu eerst een penseeltekening gemaakt. Die werd daarna uitgewerkt in schakeringen van grijsbruin en wit. Dat is het zogeheten 'doodverven': de afbeelding is al geheel compleet, maar de kleuren ontbreken nog. Die worden later over de doodverf heen aangebracht. Dat is het 'opschilderen'. De laatste fase is het 'nazien': het bijwerken of weghalen en tot slot het vernissen van het doek of paneel.


In het grote boek "De Hollandse Fijnschilders" worden ruim zestig werken van tien kunstenaars uitvoerig besproken. Peter Hecht schrijft ook de inleiding. Er wordt ook verwezen naar de niet zo lang geleden in de Leidse Lakenhal gehouden expositie over de "Leidse Fijnschilders. Van Gerrit Dou tot Frans van Mieris de Jonge". De gebonden editie is beschikbaar voor 79,90 gld. De genaaide uitgave komt op 59,90 gld. Het boek bevat 72 kleurenfoto's en zo'n 250 zwart-wit illustraties en telt 294 blz. Uitgever is Gary Schwartz/SDU in Den Haag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.