+ Meer informatie

Genade of gratie

6 minuten leestijd

Laatst namen wij een stukje over uit het blad „Standvastig” in verband met de nieuwe berijming van Ps. 45. In de zevende regel oude berijming wordt gezegd: „Gena is op Uw lippen uitgestort”, doch in de nieuwe berijming staat: „Van hem, wiens gratie ik nietwaardig ben”.

Nu vraagt een lezer van ons blad: is er nu wel verschil tussen genade of gratie? „Men heeft ons vroeger op school al geleerd, dat een veroordeelde alleen gratie vraagt als hij erkent, dat hij schuldig staat, en de billijkheid van de veroordeling niet kan tegenspreken, zodat hij met zijn gratieverzoek uitspreekt: ik ben rechtens veroordeeld en nu vraag ik gratie, nu doe ik een verzoek aan de hoogste wetgever des lands om van de straf teworden ontslagen”.

Om te beginnen zou ik willen opmerken, dat het in ons stukje niet ging over het vragen van gratie, maar over het geven van gratie. En gratie geven is onder de mensen altijd een zekere gunstverlening met terzijdestelling van het recht.

Gestel, daar is iemand, die een moord heeft begaan. Komt deze zaak voor de rechter dan beslist niet de gezindheid van de rechter, maar dan beslist de vastgestelde bepaling van het wetboek van strafrecht. Daar is de rechter aan verbonden. Beslist dat wetboek van strafrecht, de aangeklaagde moet levenslang in de gevangenis, of zoals in sommige landen is, hij moet met de dood worden gestraft, dan kan aan die straf niets worden afgedaan, of het recht moet min of meer worden verkracht.

Nu heeft een staatshoofd in bepaalde gevallen het recht van gratie, omdat de rechtspraak onder de volken onvolkomen is. Er kunnen omstandigheden zijn, die wel geen vrijspraak toelaten naar de wet, en die toch pleiten voor vermindering van straf. Het recht van gratie, zo heeft men wel gezegd, stelt de mogelijkheid open om fouten van de rechtspraak te herstellen. Denken wij in dit verband aan de rechtspraak Gods, dan beseffen wij, dat in de rechtspraak Gods voor gratie geen plaats is. In de rechtspraak Gods zijn geen fouten, zijn geen onvolkomenheden. Gaat het over het recht Gods, dan zingen wij over: het heilig recht der strenge rechtsgedingen”. En aan dat recht valt niet te tornen, geen gratieverzoek zonder meer, al erkent men dan schuld, al billijkt men dan de straf, geen gratieverzoek kan dat recht Gods ongedaan maken. Hoe duidelijk blijkt dat uit onze belijdenis. We lezen in vr. 12 van onze catechismus: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?

En hoe is dan het antwoord?

God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede, daarom moeten wij aan haar of door onszelf of door een ander volkomen betalen!

Zo kan God alleen genade geven met volkomen handhaving van Zijn recht. Vandaar dat genade nooit buiten Christus gedacht kan worden. Hij immers heeft de rechten Gods hersteld, de deugden Gods verheerlijkt. En zo kán en zál Sion door recht verlost worden en haar wederkerenden door gerechtigheid.

Zou God een God zijn van gratie, zoals wij dat kennen, dan zou daarin opgesloten liggen, dat de rechtspraak Gods onvolkomen zou kunnen zijn, maar de rechtspraak Gods is volmaakt, heilig, wijs en goed. Dat leerde David dan ook zien en belijden in Ps. 51:


Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog,
Dies ben ik, HEERE, Uw gramschap dubbel waardig,
’k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog,
Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.


Hier valt David het recht Gods toe, en in erkenning daarvan leert hij pleiten op genade, opgeluisterd door het recht.

Hoe gaarne zingt de kerk dan ook Ps. 45 : 1 als daar gesproken wordt over Hem op Wiens lippen genade is uitgestort. Hoe gaat het hart open in de begeerte der ziel als gezongen wordt:


Beminlijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Gena is op Uw lippen uitgestort;
Dies G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.


Denkt ge u deze dingen goed in, dan zult u moeten toestemmen, dat, al wordt in ons spraakgebruik genade en gratie vaak door elkaar gebruikt, toch het woord genade, zoals Schrift en belijdenis dat gebruiken, veel dieper gaat, en ook schriftuurlijker dan gratie is. „Van hem wiens gratie ik niet waardig ben”. Deze regel uit de nieuwe berijming kan ik daarom niet anders zien dan een vervlakking van wat in onze statenvertaling staat: „Genade is uitgestort in Uw lippen, daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid”.

DOCH GIJ ZIJT HEILIG

Ps. 45 deed mij een ogenblik denken aan Ps. 22.

Iln Ps. 22 klaagt David zijn leed aan God uit. Hij gevoelt zich van God en mensen verlaten. God is voor hem een God, Die blind is, Die doof is, een God, Die van verreis en niet nabij. Hoe kan het geloof in zulke omstandigheden worden beproefd. Want als het er op aan komt, dan willen wij altijd een God hebben, met Wie wij doen kunnen wat wij willen, maar in geen geval een God Die met ons doet wat Hij wil. Danzijnweallenfamilievande vrouw van Job, die toen Job op deashoop zat en niet anders had dan wat gebroken scherven om zich daarmede te schrabben, ’t uitriep: „zegen God en sterf”.

Dat is de mens van nature.

Maar waar alle mensenwerk bezwijkt, daar treedt des te heerlijker het werk des Heeren in het licht. Temidden van deze bange lijdenspsalm immers lezen wij in het vierde vers een klein woordje, dat ons het werk Gods doet zien. In het vierde vers van deze 22e psalm immers lezen wij op eenmaal: Doch..... Doch Gij zijt heilig!

Doch! d.w.z. ondanks alles, ondanks dat ik God niet begrijp, ondanks dat ik mezelf niet begrijp, ondanks dat ik de leiding en het bedoelen Gods in mijn leven niet begrijp, ondanks alles..... „Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls”. D.w.z. al zat David dan zelf onder het stof, het kleed van Gods heiligheid is hem zó dierbaar, dat hij daarop geen smetje dulden kan. Hier valt David God toe in Zijnheiligheid, in Zijn rechtvaardigheid, en dan zegt hij in vers 26: „Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente”. Van U, die grote, vreselijke, majesteitelijke God. Van U, Wiens gangen niet zijn na te gaan. Van U, Wiens handen slaan, maar die ook weer helen. Van U, Die smarten aandoet, maar Die ook verbindt. Van U, d.w.z. hier denkt de psalmdichter niet eenzijdig over een God van enkel liefde en goedheid, maar hier denkt de psalmdichter ook over de God van majesteit en gerechtigheid. Kortom, hier denkt de dichter aan die God, waarvan wij zingen: Hoe groot, hoe vreselijk zijt Ge alom, Uit Uw verheven heiligdom, aanbiddelijk Opperwezen.

En nu is psalm 22 een Messiaanse psalm, d.w.z. onder het voorbeeld van David heeft Christus deze psalm beleefd. Ook dit vierde vers: Doch Gij zijt heilig! en zo is voor de kerk [ genade verdiend met handhaving van Gods recht en heiligheid, vandaar dat deze 22e psalm ook eindigt met deze woorden: omdat Hij het gedaan heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.