+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

5 minuten leestijd

(29.)

Uit een oud reisboek.

Ons volk is al zeer vroeg vertrouwd geweest met de zee. Het is bekend, dat de Hollanders de vrachtvaarders van Europa werden genoemd. En zeer bekend is de uitdrukking, dat de Nederlandse vlag wapperde op alle zeeën. Er was. om in die tijd zeeman te zijn, veel durf en vastberadenheid nodig; jongens, die liever bij moeders pappot bleven, zouden op zee 't niet kunnen harden. Het schippersvolk was ruw en onverschrokken. Denk alleen maar aan de mentaliteit der Waterguezen. Het zeemansleven maakte geen weke melkmuilen. De zeelieden werden te vaak voor hete vuren geplaatst, en velerhande ontberingen staalden ze tot mannen van stavast. Maar... haast over de hele linie geloofden ze niet aan een noodlot, maar wisten en gevoelden ze, dat de Voorzienigheid Gods over alle dingen gaat.

Laten we enige bladzijden lezen uit één der vele reisbeschrijvingen, die ons uit die tijd zijn nagelaten. Het reilen en zeilen der zeevarenden komt daarin goed uit. In 1598 werd te Amsterdam een boek gedrukt onder de lange titel (zoals ze in die tijd gewoon waren te doen): „Waarachtige Beschrijving van drie Zeilagiën, ter wereld nooit zo vreemd gehoord." De schrijver was Gerrit de Veer, die de bekende tocht naar Nova-Zembla heeft meegemaakt. Het boek is opgesteld in de vorm van een dagboek. Velen, die maar heel weinig van de vaderlandse geschiedenis afweten, zullen toch zeker wel gehoord hebben van de overwintering op dat onherbergzame eiland in de buurt van de Noordpool, waar de psalmen van Datheen hebben geklonken.

Gerrit de Veer schrijft dan:

„De 17e Juni 's morgens als wij wat gegeten hadden, zo kwam 't ijs wederom zo vreselijk op ons aandringen, dat ener de haren te berge stonden zo ijselijk was 't om zien, alzo dat wij de schuit en bok 1 ) niet redden konden, en meenden dat het onze laatste heenvaart beduidde, want wij dreven zo schrikkelijk met het drijfijs heen, en werden zo dapper gekneld tussen een schots in, dat het scheen dat de schuit en bok aan honderd stukken zou barsten, daardoor wij malkander vast deerlijk aanzagen: want goede raad was duur, en zagen elk ogenblik de dood voor onze ogen.

Eindelijk in dusdanige verbaasdheid en nood werd er gezeid, zo wij een tros of touw aan 't vaste ijs konden vast krijgen, zo zouden wij de schuiten daar bij derwaarts mogen optrekken, om alzo uit het principaal drijven 2 ) van 't ijs te zijn, maar alzo die raad wel goed was, zo was ze met zodanig perikel gemengd dat het op de hals aan kwam3), en zonder 't zelvige te doen, zo was 't oogmerkelijk geschapen 1 ) dat wij allen vergaan moesten.

De raad was wel goed, maar niemand dorst de kat de bel aanhangen, vrezende verslonden te worden, nochtans eiste de nood dat men 't doen moest, en 't meeste moest 't minste opwegen.

Zijnde in deze uiterste nood en dat een gedrenkt kalf 5 ) goed te wagen is, zo heb ik als de lichtste van allen zijnde, bestaan een tros aan 't vaste ijs te brengen, kruipende van de ene drijvende schots op d' ander en kwam alzo door Gods helpende hand aan 't vaste ijs, daar ik een tros vast maakte aan een hoge heuvel. Toen trokken degene die in de schuiten waren, dezelve daarbij op naar 't vaste ijs toe, en kon een man meer bedrijven als zij alle te samen te voren mochten doen. En komende aan 't vaste ijs, hebben wij met sneller haast de zieken daar op gebracht, te voren enige lakens en ander gereedschap leggende daar ze op rusten mochten, en lasten mede al 't goed daar uit, en sleepten de schuit met de bok mede op 't ijs, daardoor men op die tijd van dat groot perikel verlost waren, achtende ons uit des doodskaken ontrukt te zijn, als 't in der waarheid was.

De 18e Juni hebben wij onze schuiten wederom gerepareerd en voorzien, want ze zeer gekrenkt en geradbraakt waren door de geweldige ijsschuivingen, alle de naden hebben wij mede moeten voorzien en dicht maken, en diverse presenninge 0 ) leggen, daar toe ons God de Heere middel van hout gaf, dat wij het pek mochten smelten, en alles toe bereiden daar toe dienende.

Daarna gingen enigen van ons landwaarts in, om eieren te zoeken, daar de zieken zeer naar verlangden: maar konden geen bekomen, dan vonden daar vier vogels maar 't zelvige geschiedde op lijfs perikel, tussen 't ijs en 't vaste land, daar wij altemet in braken"), en in geen klein gevaar waren."

INDEX.

!) De schuit is de grote boot; de bok is wellicht een walvissloep. 2) uit de ergste aandrang. 3) het leven stond er bij op het spel. 4 ) het was blijkbaar zo gesteld. 5 ) verdronken kalf. 6 ) verscheidene slecht-gebreeuwde naden met een reep waterdicht stoppen. 7 ) waar wij ons nu en dan tussen drongen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.