+ Meer informatie

Samensprekingen buiten verband

6 minuten leestijd

Wij leven in een tijd van éénhcidsstreven en ’t is opmerkelijk, juist in déze tijd, neemt de verdeeldheid al meer en meer toe. Verdeeldheid, niet alleen in het politieke en maatschappelijke leven, maar ook in het kerkelijk leven. Binnen eigen kerken neemt de verdeeldheid al meer en meer toe, en ook in andere kerken worden de scheuren al dieper getrokken.

Bekend is de verontrusting in de Ger. kerken, en niet minder bekend is de scheuren die getrokken zijn in de Ger. kerken naar art. 31. Men spreekt daar zelfs van „binnenverbanders” en „buitenverbanders”.

Een droef verschijnsel dat zo langzamerhand wel gaat lijken op wat de wereld noemt: „kerkje spelen”. Vooral wanneer de een zowel als de ander zich vóór laat staan de „ware kerk” te zijn.

Wij kunnen ons daarover bedroeven, en gelukkig als dat bedroeven levende werkelijkheid voor ons mag zijn. Als wij leren vragen naar de oorzaak van dat alles. Als wij leren terugvallen op onze persoonlijke schuld, op onze kerkelijke schuld, op onze gemeenschappelijke schuld! Psalm 106 : 4 moge daarom de beleving van ons leven worden: „Wij hebben God op ’t hoogst misdaan. Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan. Ja, wij en onze vaderen tevens; Verzuimend alle trouw en plicht, Vergramden God de God des levens, Die zoveel wonderen had verricht”. Helaas is dat schuldbclijden maar weinig merkbaar, en inplaats dat men langs de weg van het schuldbclijden zoekt naar een geestelijke vernieuwing, blijft men voortgaan in het zoeken naar allerlei vernieuwing in de geestelijke structuren, waardoor de scheur juist al groter en groter gaat worden.

Te midden van al deze kerkelijke verwarring worden toch op verschillende plaatsen pogingen in het werk gesteld om tot meerdere éénheid te komen. Wonderlijk was het bericht, dat op een bepaalde plaats de Chr. Ger. Kerk contact zocht met de Gereformeerde kerken, om in de weg van samen-spreking tot eenheid te komen. Wonderlijk en onbegrijpelijk, of misschien ook weer wel te begrijpen, dat zelfs een predikant van onze kerken, met een deel van de gemeente overging naar de Gereformeerde kerken. Terwijl een groot deel van de verontrusten in de Ger. kerken zich afvraagt: kunnen wij nog wel in onze kerken blijven gaat een predikant, met een deel van zijn gemeente, naar deze kerken over. Wonderlijk en onbegrijpelijk, maar wel een bewijs wat er zo kan leven in onze afgescheiden kerken.

Anderzijds worden onze kerken op verschillende plaatsen geconfronteerd met de Ger. kerken art. 31 buiten het verband. Op verschillende plaatsen kwam het reeds tot een zekere vorm van éénwording door kanselruil. Ook hier zouden wij kunnen zeggen: wonderlijk, dat deze éénheid, ook in de leer van de toeëigening des heils, nu op eenmaal schijnt te zijn gebleken. Dcputaten hebben jaar in jaar uit geworsteld om die eenheid te kunnen ontdekken, maar zelfs de laatst gehouden Synode heeft dat allergrootste verschilpunt nog eens extra benadrukt. Nu schijnt het op eenmaal weggenomen te zijn. Vanzelf golden onze bezwaren toen voor de Ger. Kerken binnen het verband, maar zijn de „buitenverbanders” daarom apart gaan staan, omdat zij over de leer van de toeëigening des heils anders dachten, dan de „binnenverbanders„? Ik dacht van niet, en daarom zouden wij ook hier kunnen zeggen: wonderlijk!

Daar komt bij, hier liggen ook kerkordelijke vragen. Onze kerkorde kent een kerkelijk verband, en van dat verband heeft men ook kennis gegeven aan de Overheid. Hoc ligt dat nu met kerken, die zichzelf geplaatst hebben buiten het verband, en die bij de Overheid als zodanig ook niet bekend zijn. Kunnen wij dan toch nog blijven spreken over saamspreking met geordende kerken, of moeten wij hier terug vallen op leden van die kerken, die in de „verstrooiing” zijn geraakt? In deze lijn schijnt één van onze predikanten gedacht te hebben, die in zijn kerkbode schreef: „Laten wij maar rustig aan doen met die samensprekingen. Ik ben al van 1945 met deze mensen in verschillende plaatsen aan het samenspreken, en heb nog nooit enig resultaat gezien. De deuren van onze kerk staan open; als er geestelijke nood is moeten zij maar komen. Wij zijn in 1892 gebleven wat wij waren, ik wil het in 1971 ook blijven”.

Dit is, dacht ik, een goed geluid. Laten wij oppassen dat wij de kerkelijke verwarring niet honoreren met een kerkelijk gesprek, dat op een nóg groter verwarring dreigt uit te lopen. Een verwarring, waarvan ons eigen kerkelijk leven de dupe zou zijn.

Meer dan ooit heeft de kerk der afscheiding nu een grootse en schone taak, om het licht van Schrilt en belijdenis duidelijk te laten uitschijnen, en dat niet alleen in een uiterlijke belijdenis, maar ook door een innerlijke beleving.

Bekend is dat de kerk der afscheiding steeds het volle akeent heeft willen leggen, niet alleen op het voorwerpelijke, maar ook op het onderwer-pelijke, toepassende werk van God de Heilige Geest.

Dat werk des Gecstes is vooral Ln onze dorre, donkere geesteloze tijd zo nodig. Geklaagd wordt van alle kant dat alles zo geesteloos .en dor is, ondanks alle vernieuwingen die zijn aangebracht, ’t is een versiering van een dode vorm zonder geestelijke inhoud. Laten wij daarom die versiering niet voorop stellen, daarin opgaan en daarin ondergaan, maar laten wij in onze donkere tijd vóórop stellen: het in schuldbelijdenis zoeken naar een geestelijke vernieuwing, naar een geestelijk reveil waarbij het werk des Gecstes weer tot heerlijke openbaring kan komen in de bekering van zondaren, en in de geestelijke leiding van Gods volk. Dan zal ook de ware éénheid openbaar komen in Christus waarvan wij belijden: „Wij hebben Hem’ lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”.

M. Baan

P.S. Verschillende brieven bereikten mij over plaatselijke toestanden die moeilijkheden gaven. Hoe gaarne ik hierin raad en advies zou willen geven, maar het is mij heus niet mogelijk. Wij zitten allemaal in het donker en de Heere kan alleen licht en uitkomst schenken. Vergeten wij maar niet, wat wij in bovenstaand stuk gezegd hebben, hier ligt cen stuk van onze gemeenschappelijke schuld. Hier past alleen het gebed van Daniël: „Wij hebben gezondigd, en onrecht ge daan, en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd met af te wijken van Uwe geboden, en van Uwe rechten. En wij hebben gehoord naar Uwe dienst knechten, de profeten, die in Uwe Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands. Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten……

O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Bij de Heere onze God zijn de barmhartigheden en vergevingen alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben”. Dan. 9 : 5—9.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.