+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

51.

Getrouw begon zich ten zeerste te verbazen over al hetgeen dat hij gehoord had van Mondchristen. Daar was in het luisteren naar zijn godsdienstig geredeneer niet de minste achterdochtigheid bij hem opgekomen. Vervuld met vreugde Ioopt hij naar de Pelgrim toe, want deze had al die tijd alleen gelopen, en zeide op fluisterende toon tot hem: „Wat een flinke man hebben wij daar ontmoet! Zeker, dat zal een uitnemend pelgrim zijn!” Maar neen, dat vond geen ingang. De Pelgrim glimlachte een weinig en zeide: „Die man met wie gij zo hogelijk zijt ingenomen, kan wel twintig mensen, die hem niet kennen, omver praten”.

Maar kent gij hem dan?vraagt Getrouw, om zich in zijn hoge verwachting van de voor hem onbekende man staande te houden. "Hem kennen? Ja, beter dan hij zichzelf kent!” Alle oprechte reizigers naar de stad van onze vreugde kennen Mondchristen wel, al kennen zij hem niet bij naam en van. Zij weten heel goed, dat er een groot onderscheid is tussen beschouwing en beleving, woord en daad. „Maar wie is hij dan?” vraagt Getrouw. „ Hij heet Mondchristen en is ook afkomstig uit onze stad. Het verwondert mij eigenlijk wel, dat gij hem niet kent, maar ik moet in aanmerking nemen, dat de stad zo groot is. En daarom is het mogelijk, dat gij hem persoonlijk nog nooit ontmoet hebt”.

„Maar wiens zoon is hij dan, en waar woont hij ongeveer? Nu, ik zal het u duidelijk zeggen en dan weet gij het voor altijd. Hoor maar: Hij is de zoon van een zekere Mooiprater; hij woont in de Praatbuurt, en al zijn bekenden noemen hem dan ook Mondchristen uit de Praatbuurt, maar al heeft hij nog zulk een gladde tong, hij is een gevaarlijk mens”. „Maar eerlijkheidshalve moet ik zeggen, geliefde Pelgrim: hij maakt toch geen slechte indruk”.

„Dat wil zeggen, broeder Getrouw, als men hem niet van nabij gadeslaat, want buitenshuis moge hij zich uitstekend weten voor te doen, te huis is het heel anders met hem gesteld. Gij zegt, dat hij geen slechte indruk maakt, en dat doet mij denken aan het werk van een schilder, wiens schilderijen uit de verte heel wat schijnen, maar van dichtbij gezien heel lelijk zijn”.

„Zou deze vriend, die met ons reist naar Sion, dan niet meer hebben dan een gedaante van godzaligheid? Is hij daneenhuichelaar?” „Ik zou het niet durven zeggen”.

„Maar ik geloof, dat gij niet in ernst spreekt, geliefde Pelgrim, want ik zie een glimlach om uw lippen”.

En bij deze hoogst ernstige zaak komt een glimlach niet te pas. Het gaat hier om het behoud van zijn onsterfelijke ziel.

Maar neen, die glimlach van de Pelgrim had zijn oorzaak niet*in de onoprechtheid van Mondchristen, doch in de na’iviteit van Getrouw. En dat zal de Pelgrim hem wel duidelijk maken.

„God verhoede”, en dan gaat hij met al de ernst van zijn hart dieper op de zaak in, „dat ik een zaak als deze in scherts zou bespreken (al glimlachte ik even), opdat ik iemand vals zou beschuldigen! Ik zal hem verder voor u ontmaskeren. Deze man kan zich in elk gezelschap op zijn plaats voelen en aan allerlei gesprekken mee doen; zoals hij nu met u spreekt, zo spreekt hij ook in het bierhuis; en hoe meer zijn hoofd verhitis door de wijn, des te meer heeft hij de mond vol van zulke dingen. De godsdienst heeft geen plaats in zijn hart, huis of gesprekken; al wat hij heeft zit hem op de tong, en zijn godsdienst bestaat hierin, dat hij daarmee veel drukte maakt”. „Zo? Dat heb ik niet geweten. Dan heb ik mij in die man al zeer bedrogen”.

„Bedrogen! Daarvan kunt gij zeker zijn, Getrouw. Denk slechts aan het woord: Zij zeggen het, maar doen het niet. Maar het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht. Hij spreekt over het gebed, over berouw, over geloof, over wedergeboorte, maar hij kan over deze dingen slechts spreken. Ik ben in zijn huiselijke kring geweest, ik heb zo te huis als daarbuiten waargenomen en ik weet, dat hetgeen ik van hem zeg de waarheid is. Zijn huis is evenzeer van godsdienst ontbloot als het wit van een ei smakeloos is. Daar is geen gebed, geen zweem van schuldgevoel; wat meer is, het redeloze vee dient op zijn wijze God beter dan deze man. Hij is een schandvlek voor de godsdienst bij alien die hem kennen; door zijn schuld is de godsdienst in minachting, vooral in het gedeelte der stad waar hij woont. Het volk zegt van hem achter zijn rug: „Hij is een heilige voor de mensen, maar een duivel in huis”. Zijn arme huisgenoten ondervinden zulks maar al te goed; hij is zo ruw en zo onredelijk in de omgang met zijn ondergeschikten, dat zij niet weten hoe te doen of hoe hem aan te spreken. Mensen, die zaken met hem moeten doen, zeggen: „Men kan beter handelen met een Turk dan met hem, want dan zullen zij stellig eerlijker behandeld worden”. Deze Mondchristen zal, zo hij er kans toe ziet, hen verdrukken, bedriegen en te kort doen. Bovendien leert hij zijn zonen in zijn voetstappen te treden en zodra hij in hen een dwaze schroomvalligheid ontdekt (want zo noemt hij het geringste spoor van een teder geweten), noemt hij hen dwazen en dommerikken, en wil hij ze tot niets gebruikenof hen bij anderen aanbevelen. Wat mij betreft, ik ben van oordeel, dat hij door zijn goddeloos leven de oorzaak is geworden, dat menigeen tot een val is gekomen en, indien God het niet verhoedt, zal hij nog menigeen in het verderf storten”.

„Wel broeder Pelgrim, ik moet u wel geloven; niet slechts omdat gij zegt hem te kennen, maar omdat gij als een christen de mensen beoordeelt. Want ik weet, dat gij deze zaken niet vertelt om kwaad te spreken, maar omdat zij inderdaad zijn zoals gij zegt”.

„Indien ik hem niet beter gekend had dan gij, broeder Getrouw, dan zou ik misschien even gunstig over hem geoordeeld hebben als gij deedt. En kwamen deze getuigenissen alleen van personen, die aan de godsdienst vijandig zijn, dan zou ik ze voor laster hebben gehouden, daar ik uit eigen ervaring bewijzen heb, dat hij aan alles, waarvan hij beticht wordt, schuldig is. Wat meer is, ik weet, dat goede mensen zich voor hem schamen — het is hun onmogelijk hem als broeder of vriend te bejegenen; zij blozen verlegen als zijn naam ook maar in hun midden genoemd wordt, als zij hem eenmaal kennen”.

„Ja”, zegt Getrouw, „ik zie in, dat zeggen en doen twee dingen zijn, en later zal ik het onderscheid nog beter begrijpen”. Zij zijn inderdaad twee, en dat wordt door de Pelgrim met nog meer kracht bevestigd: „Zij zijn evenzeer van elkander verschillend als de ziel van het lichaam; want evenals het lichaam zonder de ziel dood is, zo is ook het spreken over geestelijke dingen, zonder meer, slechts dood. De ziel van de godsdienst is de beoefening ervan in het dagelijkse leven”.

De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: weduwen en wezen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbevlekt bewaren van de wereld. Nu schijnt Mondchristen zich daarover niet veel te bekommeren. Hij denkt, dat horen en spreken iemand tot een goed christen maken, en op die wijze misleidt hij zijn eigen ziel. Het horen is slechts het uitstrooien van het zaad, spreken bewijst nog niet, dat het vrucht heeft gedragen in hart en leven. En wij kunnen er verzekerd van zijn, dat in de dag des oordeels de mensen zullen worden gevonnistnaar devruchten, die zij hebben voortgebracht. Er zal niet alleen gevraagd worden: Hebt gij geloofd?maar wel: Bestond uw geloof alleen in woorden, of ook uit daden? En daar naar zult u geoordeeld worden. Het einde der wereld wordt vergeleken bij de oogst. En nu weet u, bij de oogst telt niets mede dan de vrucht. Niet dat iets Gode zou kunnen behagen, wanneer het niet is uit het geloof, maar ik zegu dit slechts om u aan te tonen hoe geheel waardeloos al het praten van Mondchristen in die dag bevonden zal worden”.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.