+ Meer informatie

Commando's op overlevingsoefening

16 minuten leestijd

In vier dagen 180 kilometer lopen, onderbroken door maar twee of drie uur slaap per etmaal. Touwbanen nemen en tientallen kilometers peddelen in rubber bootjes. Klauteren over steile rotsen, via dunne kabels over diepe afgronden schuiven, met "tarzantouwen" van de ene rotspunt naar de andere slingeren, schuifelen door een aardedonker onderaards gangenstelsel. Enkele weken later. Gekleed in stinkende lompen buigt een ongeschoren vent zich over een vuilnisbak. Schuw blikt hij om zich heen. Hij wordt opgejaagd door speurhonden, helikopters en jeeps. Maar hij vergeet alles als hij tussen de troep een paar witte boterhammen ziet liggen. Een snelle graai en de sloeber duikt met de buit het nabije bos in. Kortom, Nederlandse commando's op overlevingsoefening. Ga er eens gemakkelijk voor zitten en huiver mee.

"Zorg dat je niet verdwaalt! Er zitten hier gaten van zestig meter diep." De waarschuwing van de sergeant klinkt nog na in mijn oren, terwijl ik als een blinde mol door een eindeloos lange en donkere gang schuifel, diep in de heuvels van de Belgische Ardennen. Mijn hoofd schuurt langs de lage zoldering en ik tast in het niets voor me. Mijn buikspieren knijpen wat onrustig. Hoe lang is deze gang? Dan doortrekt de adrenaline mijn vingertoppen. "Iets" is er veranderd. Te laat voel ik in het aardedonker de vage tocht, die wijst op een zijgang, en bots ik met mijn hoofd tegen een blinde muur. Gelukkig vangt mijn "mutsdas" de grootste klap op. Dit simpele hoofddeksel is beslist de meest belachelijke pet in heel het Nederlandse leger. Alleen de cursisten van de commando-opleiding dragen deze in elkaar gevouwen sjaal, totdat ze de felbegeerde groene baret hebben verdiend.

Zwaarste opleiding
Twee maanden lang leven de cursisten in een tentenkamp en krijgen ze de zwaarste militaire opleiding van Nederland. Afzien, pijn, zweet, kou en bitter weinig slaap zijn de ingrediënten. „Van een commando wordt verwacht dat hij op z'n tanden kan bijten en ook onder de moeilijkste omstandigheden zijn taak weet te volbrengen. Door een fysiek en mentaal zwaar programma ontwikkelen de cursisten hun incasseringsvermogen, zelfvertrouwen en doorzettingsvermogen en bouwen ze een goede conditie op", legt luitenant De Waard uit. Hij is commandant van de Elementaire Commando Opleiding (ECO). Tijdens de ECO worden de cursisten vertrouwd gemaakt met het buitenleven. Ze leren patrouilleren, verkennen, camoufleren en omgaan met kaart en kompas. Verder staan er lange marsen, sport en schieten op het programma. Daarbij leren de recruten leven zonder comfort. Geregeld maken ze op een vuurtje hun eigen maal en brengen ze menige (koude en dus slapeloze) nacht door in een zelfgemaakt onderkomen.

Uitputtingsslag
De opleiding wordt afgesloten met een 104 uur durende afmatting. In ruim vier dagen lopen de aspirant-commando's zo'n 180 kilometer, onderbroken door maar twee of drie uren slaap per etmaal. Tussen de marsen en lange kaartlees-oefeningen door nemen ze enkele touwbanen en peddelen tientallen kilometers in rubberbootjes. Wie dit alles weet te overleven loopt uiteindelijk bijna volledig gebroken en soms met tranen in de ogen de kazernepoort binnen. De groene baret is dan verdiend. Voordat het zo ver is, valt echter bijna de helft van de deelnemers uit. Tijdens de eerste we- > ken tentenkamp zijn de uitvallers vooral jongens die de opleiding mentaal niet aankunnen. Ze hadden een totaal ander beeld van een commando voor ogen. Tijdens de laatste weken van de ECO zijn het blessures waardoor mensen verdwijnen. Tot 1964 waren de groene baretten zwaar getrainde saboteurs die met kleine groepjes in vijandelijk gebied zoveel mogelijk verwarring stichtten. Sindsdien is de taak veranderd, maar toch denken nog veel mensen dat een commando een soort rambo is, die met een mes tussen de tanden en met bloeddoorlopen ogen door een bos sluipt. Nu moeten commando's in oorlogstijd zich ongezien in vijandelijk gebied begeven, waar ze bij belangrijke wegen een goed gecamoufleerde put graven. Via een radio geven ze informatie door over vijandelijke kolonnes. De eigen troepen weten dan met welk soort wapens de vijand wil aanvallen.

Onaards
Tijdens de zesde week van de ECO gaan de recruten op bezoek bij hun Belgische collega's voor een rotsklimcursus. Een uur geleden klauterde ik over steile rotsen, schoof via dunne kabels over diepe afggronden en slingerde m'n lijf met "tarzantouwen" van de ene rotspunt naar de andere. Via zwaaiende indianenbruggen en andere obstakels kom ik met mijn medecursist aan bij een tochtige tunnel, halverwege de helling. Een norse instructeur neemt alles wat maar een spettertje licht geeft in beslag. Fototoestellen met flitser, zaklampjes, aanstekers en zelfs horloges en batterijen worden ingeleverd. Dan laat hij heel kort een kaart zien van het binnenste van een onderaards gangenstelsel, waarschuwt voor diepe afgronden en duwt ons dan naar binnen. Een paar bochten, een trap en de zoveelste zijgang links. „In totaal een kleine honderd meter schuifelen", schat ik optimistisch, terwijl ik de kaart in me opneem. Al na een paar meter verdwijnt het vage buitenlicht en lopen we op de tast verder. Een onwerkelijk gevoel komt boven, ook doordat het geluid van onze voetstappen op een onaardse manier echoot. Ergens "ploinkt" een druppel water in een plas. Ik verlies alle gevoel van tijd en afstand. Waar blijft toch die eerste zijgang? Soms wordt de gang wat breder en waag ik het de muur los te laten. Bijna val ik om, want de intense duisternis brengt zelfs m'n evenwichtsgevoel uit balans.

"Geen woord!"
Plotseling houdt de muur rechts op; een ijzeren buis verspert de toegang. Nieuwsgierig na de waarschuwing van de sergeant gooi ik er een steentje overheen. Pas na lange tijd ketst het in de diepte op de grond. Inwendig trilt het een beetje. Ik vertrouw er maar op dat de instructeurs weten waar ze ons in hebben gestuurd en schuifel voorzichtig verder. Terwijl mijn nek verkrampt door de zware bepakking en het voortdurend bukken, lopen we voorzichtig verder, zacht pratend om de zenuwen koest te houden. Dan knal ik na lange minuten tegen de blinde muur. Voor de enige zijweg zit een buis en het experiment met het steentje beneemt me de lust die weg in te slaan. Wat nu? Dan voel ik een touw langs een van de wanden. Naar boven dan maar, en ik hijs me in het stikdonker omhoog. Terwijl de spieren verzuren, slaat de twijfel toe. Hoe ver moet ik nog? Hoe diep is straks de val? Gelukkig voel ik opeens een opening en ik werk me naar binnen. Het volgende moment spartel ik weerloos op de grond. Mijn hart klopt zowat door m'n keel naar buiten, want een harige hand knijpt m'n keel dicht en drukt me stevig op de plassige bodem. „Geen woord!", sist een stem, terwijl ik piepend naar adem hap.

In de houdgreep
Ondertussen slaat door mijn plotselinge verdwijning bij mijn maat hevige twijfel toe. Minutenlang vreet hij zich op van de zenuwen, maar klimt uiteindelijk ook naar boven. Terwijl ik in een houdgreep wordt weggesleept, verraadt een gesmoorde kreet dat hij ook met succes is overvallen. Dan flitst een felle zaklamp aan. Totaal verblind en verrast krijgen we van een instructeur een veeg uit de pan, omdat we luid liepen te praten en ons zo gemakkelijk hebben laten overvallen. De sergeant duwt ons vervolgens een gang in en weer begint een eindeloze schuifeltocht. Nog twee keer komen we een stiekeme sergeant tegen, maar beide keren verraden ze zich door te snuiven of met kleding te ritselen. Verschillende keren struikel ik over gevallen puin, dan plotseling een trap en we waden door onzichtbare plassen water. Dan is daar eindelijk een uitgang, voor m'n gevoel na uren. We kruipen door een gat in een gemetselde muur en komen uit op een volledig verlaten binnenplaats. In de schemering rijzen de muren van een vervallen fort omhoog. Een gevoel van totale verlorenheid stijgt op en de zwarte gaten van vroegere ramen versterken de sfeer van doods verval. Onze kistjes maken slurpende geluiden in de modder, terwijl we tussen bergen afval door naar een poort lopen. Honderd meter verderop staat onder de bomen een viertonner (militaire vrachtwagen). Hopend op wat rust en een boterham versnel ik mijn pas. Maar ondertussen steekt het ECO-syndroom al weer de kop op. Die altijd durende onzekerheid: Wat gaan ze nu weer met ons doen?

Parachutesprong
Het volgende avontuur: Een overlevingsoefening in het Duitse Eifelgebergte. Het begint met een nachtelijke parachutesprong. De F-27 Troopship jaagt schuddend over de startbaan en stijgt op. De ingewanden van het vliegtuig zitten stampvol met zwaar beladen commando's. Door de donkere raampjes is niets te zien en slechts een kleine rode lamp verlicht zo'n dertig gespannen gezichten. Bewegen is onmogelijk. Dan is het tijd om te springen. Met moeite trek ik de veertig kilo zware rugzak mee, die tussen mijn benen bungelt. "Ready? Go, go, go", brult de afwerper en bij elke "go" slokt de open deur een commando op. De rij schuift op en ineens is daar het open gat met de bulderende wind. Een duw in de rug en ik stort in de diepte. De storm smijt met mijn lichaam tot de parachute met een ruk opengaat. Weg is ineens alle lawaai en in diepe stilte zweef ik naar de zwarte aarde. Ik trek aan twee haken en de rugzak valt tussen mijn benen uit. Hij blijft zes meter onder me aan een lijn bungelen. Gespannen tuur ik in het duister, maar ik zie niets. Waar is de grond? Opeens: plof! Onmiddellijk span ik al mijn spieren, want die plof kwam van de rugzak die in het gras kwakte. Nog geen seconde later raak ik zonder botten te breken de grond.

Diepvrieskip
We verzamelen aan de rand van de heide als de ochtend gloort. Nu is de spanning weg. „Wat gaat er nu komen", vraag ik de instructeur die ons opwacht, maar het oefenprogramma is geheim. „Inspectie", brult ineens een officier en bijna elke groene baret verslikt zich in een hap snoep: „Wat, nu al?" Er was op gerekend, maar toch staan de meeste commando's beteuterd te kijken als de instructeurs kilo's snoep en eten in beslag nemen, de persoonlijke noodvoorraad voor deze overlevingsoefening. Overal komt wat vandaan: kauwgom uit een veldfles, aardappelpuree uit een broekspijp en dextrosetabletten van onder een pet. „Tja, we maken er een realistische overlevingsoefening van", grijnst survivalinstructeur adjudant Bakker. „De mannen moeten de komende twee weken van het land zien te leven. Dan kan het natuurlijk niet de bedoeling zijn dat ze stiekem een hele vracht eten meesjouwen. Ze zijn van de diepvrieskipgeneratie die denkt dat je niets kunt eten wat niet uit plastic komt. Ze moeten nu afleren kieskeurig te zijn. Als je honger hebt leer je dat bijna alles eetbaar is, tot egels en regenwormen toe." „Het is een beetje een spel", vertelt even later een gefouilleerde commando, terwijl hij een schamel beetje niet-gevonden voedsel uit zijn schoenen, jasvoering en onderbroek haalt. „Wij smokkelen maximaal, zij proberen zo veel mogelijk te vinden. Uiteindelijk zijn we allebei tevreden." Intussen galmt het bos van de bijlslagen. Binnen een mum van tijd timmeren de voor het merendeel dienstplichtige soldaten de wonderlijkste onderkomens in elkaar. Het enige materiaal dat hen ter beschikking staat zijn dode takken, wat touw en stukken gevonden plastic. Als er een redelijke hut is gebouwd, camoufleren de commando's de boel perfect af Van enkele meters afstand is niet te zien dat er mensen huizen. In de meeste onderkomens valt goed te leven. Dat moet ook, want de komende drie dagen blijft het peloton op deze plek bivakkeren. Het dak bestaat meestal uit stukken plastic of takken met grote bladeren die dakpansgewijs zijn neergelegd. Het geheel is redelijk waterdicht. Omdat het 's nachts vrij koud kan worden, gooien de meeste soldaten grote hopen dennenaalden en takken op de vloer. Zo ontstaat een isolerende onderlaag waarop ze comfortabel kunnen slapen. In een hoek van elke hut bevindt zich een vuurplaats. Een enkeling maakt achter het vuur een klein muurtje van takken. Dat houdt de wind wat weg en kaatst bovendien een groot deel van de warmte terug het onderkomen in.

Lesje konijn
De volgende ochtend staat er een lesje konijn op het programma. Instructeur Bakker legt uit dat je in een overlevingssituatie niet kieskeurig kan zijn wat eten betreft. „Als je van de beschaving bent afgesneden is elke hap voedsel van belang om je op krachten te houden. Je kan het je dan niet permitteren om alleen 'sportieve' jachtmethoden te gebruiken. Het zetten van strikken en andere stroperstechnieken zijn dan geoorloofd. Bij het zetten van een strik is het belangrijk dat je er een goede plaats voor uitzoekt, bijvoorbeeld voor de ingang van een hol of op een plaats waar een dierenpad tussen obstakels doorloopt. Bovendien moet je de mensengeur verwijderen door de strik in de rook van je kampvuur te houden of hem in te smeren met de keutels van het dier dat je wilt vangen." Als er eenmaal een beest is verschalkt moet het geslacht worden. Een andere instructeur haalt een konijn te voorschijn, aait het tot het rustig is en slaat het dan met een stevige stok in een keer dood. „Geen onnodig dierenleed", maakt hij duidehjk. „Bovendien is de smaak van een doodsbang en gestresst beest veel slechter." Vakkundig trekt hij even later het konijn zijn jasje uit, ontdoet het van ingewanden en maakt het panklaar. „Vrijwel alle delen van het konijn zijn bruikbaar in een noodsituatie", legt Bakker uit. „Het vlees eet je natuurlijk op en van de botten maak je soep. De ingewanden kunnen dienen als aas in een val of aan een vishaak. Van de vacht maak je een muts of handschoenen."

Lekkere klaver
Na deze uitleg krijgt elk groep je van vier commando's een konijntje uitgereikt. Een beetje onwennig gaan we aan het werk, maar al snel pruttelt er boven de houtvuurtjes konijnesoep. Niet in een pan, maar in een gevonden conservenblik natuurlijk. Roeren gebeurt met een zelfgesneden houten lepel. Het vlees snijden we in flinterdunne repen die boven het vuur bijna twee dagen lang gerookt worden. Het is dan wekenlang houdbaar geworden. Intussen begint de honger goed voelbaar te worden. De laatste stukjes meegesmokkelde chocolade zijn op en de gezonde boslucht laat de maag rommelen. Commando Marco van Hoogdalem herinnert zich de lessen over eetbare planten en gaat op jacht naar paardebloemen, weegbree en klaver. „Smaakt lang niet gek", verbaast hij zich, als hij op een mondvol jonge klaverblaadjes kauwt. „Lijkt op zure appeltjes. Alleen jammer dat het zo slecht vult. Ook al krijg je genoeg voedingswaarde binnen, je blijft met een lege maag zitten. Die paardesla is trouwens niet te eten. Veel te bitter, al denken de Belgen er anders over. Zij verkopen die paardebloemblaadjes gewoon in de winkel als "molsla"."

Forel vangen
Een andere ploeg heeft intussen ontdekt dat er in een nabij gelegen beekje forellen zitten. Omdat ze geen haakje en visdraad bij zich hebben, vangen ze de vissen op een heel andere manier. Van dun koperdraad uit een kapotte dynamo maken ze een soort lasso. Met een lange stok brengen ze de lus onder water in de richting van een stilstaande forel. Het beest herkent de stok niet als een gevaar en zwemt niet weg als de ruime lus om hem heen glijdt. Op dat moment trekt de visser aan het koperdraad en de strop snoert de vis halverwege z'n lijf vast. Even later ligt het beest te sudderen in de hete as. Erboven wordt een blik met brandnetelthee warm. Toch wel een andere maaltijd dan patat met... Zo scharrelen we ons kostje bij elkaar, terwijl we ons voorbereiden op het tweede deel van de oefening. Daarin zullen we worden opgejaagd als wilde dieren. Van wat oude lappen maak ik een soort slaapzak en een primitieve rugzak. Anderen hebben wat stof over en naaien een overjas in elkaar met een voering van droog gras. Van een lap plastic maak ik een poncho tegen de regen.

Nachtelijke diefstal
Tijdens het tweede deel van de oefening wordt de situatie nagespeeld dat we uit krijgsgevangenschap zijn ontsnapt en ons nu zonder uitrusting diep in vijandelijk gebied bevinden. Met niet meer dan ons uithoudingsvermogen en de kennis van overlevingstechnieken moeten we dan in staat zijn naar de eigen troepen terug te keren. Overdag liggen de ploegen in een schuilbivak, maar elke nacht lopen we dertig tot veertig kilometer. Daarbij worden we opgejaagd door speurhonden, helikopters en oefenvijand met jeeps. Wie gepakt wordt verdwijnt naar een krijgsgevangenondervraging en dat is beslist geen pretje. Daarom mijden we gebaande wegen en beperken het stoken van een vuurtje tot het minimum. Juist nu komt het gerookte konijnevlees goed van pas, omdat dat koud goed te eten is. Ook een gevonden suikerbiet of een weggegooide boterham verdwijnt zo in de hongerige magen. Waar een mens al niet toe in staat is, na twee weken honger. Beschaamd moet ik terugdenken aan de nachtelijke diefstal van een krop sla en wat aardappels uit een moestuintje in een gehucht waar we doorheen slopen. Als iemand ons gezien mocht hebben zou hij z'n ogen waarschijnlijk niet geloofd hebben. In dit stadium van de oefening lijken we meer op prehistorische holbewoners dan op soldaten van Oranje: bemodderde laarzen, besmeurde broeken, flodderig landbouwplastic als regenjas, een jute aardappelzak als rugzak en als kroon een klef konij nevel. Daaronder ingevallen wangen, maar felle ogen: ze krijgen ons niet klein!

De helikopter!
Dan is na twee weken afzien het einde in zicht. We maken in groepjes contact met een 'partisaan', die vertelt dat we met een helikopter zullen worden opgepikt. Rond twee uur 's nachts verzamelen we bij een bosrand op de top van een kale heuvel. Het is bitterkoud en iedereen is doorweekt van de gutsende regen. De maan schijnt, maar gaat de helft van de tijd schuil achter voorbijjagende wolken. De meeste mannen zitten gewoon op de vochtige bosgrond te wachten tot het tijd is. Natter kunnen ze toch niet worden. Uit het dal klinkt het gebrul van bronstige herten. Je gaat je er eenzaam door voelen, zo midden in de wildernis. Vijf minuten voor de oppik loopt een sergeant met een zaklamp het veld op om de helikopter binnen te loodsen. Precies op tijd horen we het kloppen van wieken, ledereen springt overeind, klaar om de laadklep van de enorme Chinook binnen te lopen. Eindelijk is de ellende voorbij. Een half uurtje vliegen en dan: warme soep!

Verbijstering
Dan schiet de schrik ons in de benen. In de verte zien we de heli rond een andere heuveltop cirkelen. Staan we verkeerd? Dat betekent vijf uur lopen naar een punt waar we met vrachtauto's zullen worden opgehaald. We zijn verbijsterd, want de Chinook vliegt inderdaad weg en verdwijnt in een dal. Iemand zegt een lelijk woord. Het begint nog harder te regenen ook. Verder wachten heeft geen zin en we beginnen maar weer te lopen. Dan davert volkomen onverwacht de helikopter over de heuveltop heen. M'n oren doen zeer en ik sla bijna tegen de grond door de wind uit de straalpijp. We seinen vertwijfeld en juichen als de enorme machine naar beneden komt. Blijkbaar heeft hij eerst een andere ploeg opgehaald. Water en kluiten waaien omhoog en slaan in de gezichten als iedereen tegen de storm van de wieken in naar de laadklep loopt. Een schone en volgegeten piloot steekt z'n duim omhoog. „Wat stinken jullie vreselijk!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.