+ Meer informatie

DOET DE OUDE KERK HET NOG?

28 minuten leestijd

Hoofdinhoud van een toespraak te Amersfoort gehouden ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de vormingscursussen in de Christelijke Gereformeerde Kerken, 22 maart 1980.

De vraagstelling

De bedoeling van de vraag waarop wij samen een antwoord hebben te geven, is naar het mij voorkomt geen andere, dan dat we de zin van het kerk-zijn voor ons bewustzijn weer eens duidelijk aan de orde stellen. Het is misschien niet overbodig om de vraag duidelijk te formuleren. Wanneer we hier samen over het kerkprobleem spreken, is dit niet om de eigen christelijke gereformeerde identiteit aan de orde te stellen in de zin van: doet de Christelijke Gereformeerde Kerk het nog? Dit is een zeer belangrijk en boeiend onderwerp weliswaar en we komen misschien zijdelings of bij wijze van toepassing op ons zelf er wel over te spreken, nl. voorzover de problematiek van het eigen kerkelijke leven samenhangt met de spanningen van het kerk-zijn zonder meer. Maar we begeven ons nu niet in een opzettelijke behandeling van deze vraag. We willen dieper graven met onze vraagstelling.

Wij bedoelen met de kwestie: „Doet de oude kerk het nog” evenmin een kerkhistorisch probleem. De oude, of liever gezegd de vroege kerk doet het nog altijd als model en voorbeeld namelijk, en wel een zeer ideaal voorbeeld waarnaar men in heimwee teruggrijpt. Voor de beoefenaar van de kerkgeschiedenis is het niet moeilijk om telkens in de kerkgeschiedenis pogingen aan te wijzen van mensen of groepen die met voorbijgaan soms van de eigen onmiddellijke geschiedenis trachtten terug te grijpen naar het voorbeeld van de kerk van het nieuwe testament of naar de vroeg-christelijke gemeente. En deze blijft altijd aantrekkelijk in haar jonge geestkracht. Zij blijft boeien als model van wat de Heilige Geest vermag. Maar dit lijkt me toch niet de vraag van nu: Doet de oude kerk het nog?

Naar ik aanneem is bedoeld de vraag of wij vandaag kerk kunnen zijn op dezelfde manier waarop de kerk het al jaren, al eeuwen is geweest. Het gaat om de zaak van het kerk-zijn. Kan dit nog op de oude manier van een kerk die zich presenteert met haar ambten en in de relatie van ambt en gemeente, met de accenten van Woord en sacrament en tucht, met de polen van plaatselijke kerk en kerkverband, met de visie op de verhouding tussen kerk en wereld die in feite afkomstig is uit de tijd van vóór de secularisatie. Doet de oude kerk het nog met haar duidelijke afgrenzing van de kerk ten opzichte van de wereld, met haar beslotenheid en warmte rondom de preekstoel en de avondmaalstafel? Moet de kerk niet binnenste buiten gekeerd worden? Is niet zowel de wereld als de kerk zelf gebaat bij een wereld-wording van de kerk, die haar gelijkenis vindt in de vleeswording van het Woord? Moet zij zich niet ten spoedigste ontledigen en de gestalte van de dienstknecht van de wereld aannemen? Dient zij haar identiteit zoals ze die tot nu toe vertoonde, niet zo gauw mogelijk op te geven en naar andere vormen van kerk-zijn te zoeken die meer aansluiten bij wat we in andere samenlevingsverbanden aantreffen? In die zin verstaan we de vraag: „Doet de oude kerk het nog?”

De werkelijkheid van de kritiek op de kerk

Wanneer we de vraag zo verstaan, geven we blijk van realiteitszin. Wie immers de werkelijkheid waarin wij leven, een beetje kent, verbaast zich niet over het vraagteken achter de kerk zoals dit vandaag door zo velen geplaatst wordt. De wereld heeft achter de kerk altijd al een vraagteken gezet. Zij begon daarmee op de Pinksterdag. Het geheim van de Geest die door Christus wordt uitgestort, brengt de wereld niet tot aanbidding, maar in het beste geval tot een wereldse goedmoedige spot. In het slechtste geval tot een brute lastering van wat de kerk is. En nu door de secularisatie heen de wereld zich steeds meer onverbloemd in haar ware gedaante openbaart, worden de vraagtekens ook gemarkeerd. De secularisatie behoeft ons geen enkele illusie meer te geven.

De grootse theologieën, die binnen de kerkelijke wereld toonaangevend zijn, poneren niet minder beslissend dit vraagteken achter de kerk. De Barthiaanse theologie gaat in het stellen van zulk een vraagteken niet minder ver dan de huidige wijd en zijd verbreide liberale theologie. Beide oefenden grote invloed op de kerkopvatting binnen de Wereldraad van kerk of doen dit ten dele nog. Daarbij zijn de resultaten vrijwel gelijk: een ontkenning van de waarde van het kerk-zijn naar goede gereformeerde opvatting.

Hierbij voegt zich de kritiek van de zijde van menige moderne reveilbeweging. In dergelijke kringen heeft men doorgaans de kerk afgeschreven. Zij is veel te statisch. Ze is verouderd. Men mist de vitaliteit van de Geest, de dynamiek van het nieuwe leven. De kerken zijn versteend en ze zijn verdeeld. Ze bieden geen enkel perspectief van hoop op eenheid en kracht. De gaven van de Geest komen niet tot hun recht. Zij worden door het instituut niet alleen miskend, maar ook doodgedrukt. De vrijheid van een christen wordt aan banden gelegd en zo wordt ook de Heilige Geest uit de bestaande kerken verdreven. Waar de Geest is, daar is vrijheid. Maar de kerken binden de mensen aan allerlei sleur en gewoonte. De kerkorde moet het in dit gezelschap vaak helemaal ontgelden.

Een bijzonder felle aanval op de kerk is er van de kant van de rijk geschakeerde Pinkstergemeenten en de vele groepen die zich al heel relativerend opstellen tegenover de kerk. Hun pleit voor de volwassenendoop ná belijdenis van het geloof voert tot een geheel ander gemeente-ideaal. Het zijn de losse groepen, de kerncellen die - zo luidt soms het advies - binnen de bestaande kerken moeten blijven en vandaaruit verder propagerende moeten doorwerken om hun eigen ideaal te verwerkelijken: een vrije gemeente, een enthousiaste groep, een levende kerk tegenover de dode vormelijkheid van de bestaande gemeente. Herhaaldelijk kan men deze propaganda beluisteren voor de Evangelische Omroep, hoeveel goeds er overigens vanwege deze Stichting door de ether komt. Heel duidelijk zijn hier de vraagtekens die men achter de Kerk plaatst: zij heeft geen toekomst. Een bijzonder extreem voorbeeld is dat van de gewezen predikant Hegger, die pleit voor een huisgemeente met voorbijgang van alle andere vormen van de kerk.

Wanneer men hierbij voegt de grote teleurstelling van een niet onaanzienlijk aantal welwillende en getrouwe gemeenteleden, die de huidige structuur van de gemeente volgens de gereformeerde kerkbeschouwing als een belemmering ervaren en die met de vragen van het kerkverband grote moeite hebben, dan is het beeld vrij compleet: ook hier stelt men sceptische vragen over de „oude” kerk en is men geneigd om de vraag of deze het nog doet, negatief te beantwoorden. Heeft zij het wel ooit gedaan? Onbehagen over eigen kerkelijk leven geeft aan de vragen soms een bepaalde, weinig verfrissende kleur. Hoe men er ook over denkt, het getuigt van zin voor de werkelijkheid, wanneer we deze vragen niet ontlopen, maar trachten erop in te gaan. De realiteit is niet anders dan dat de kerk zoals zij er vandaag is en zoals zij er reeds vele jaren en eeuwen geweest is, met allerlei vragen isomgeven.

Vragen staat vrij

„Doet de oude kerk het nog?” Er is reden voor deze vraag. En nu niet alleen omdat zij op een bepaalde manier van buitenaf ons gesteld wordt, maar vooral ook omdat deze vraag juist vanuit de kerk beschouwd gesteld dient te worden. Het is een kenmerkend trekje van de gereformeerde visie op de kerk dat deze vraag permanent aan de orde moet komen. Een kerk is dan pas waarlijk gereformeerd, wanneer zij voortdurend gereformeerd wil worden. Weinigen realiseren zich dat het vooral de mannen van de Nederlandse Nadere Reformatie waren die voor het eerst de vandaag zo actuele zegswijze formuleerden: Ecclesia reformata semper reformanda, dat wil zeggen: een gereformeerde kerk moet altijd gereformeerd worden. Zij moet voortdurend en steeds meer wórden wat zij is. Dat is volkomen onwerelds gedacht. Als ik in de wereld iets bèn, behoef ik het niet meer te worden. Daarom is een wereldling altijd bezig òf altijd gearriveerd, trots en hoogmoedig. Maar bij de kerk is dit geheel anders: wat zij is moet zij worden.

Zij is de bruid van het Lam. Maar zij moet het ook steeds meer en meer worden. Zij is een heilig volk. Maar zij moet het steeds meer worden. Haar geheim ligt in haar roeping. Of anders gezegd: haar oorsprong en haar doel ligt in de belofte van God. Zij is gereformeerd, déze kerk. Maar zij moet het steeds weer worden.

Dit hangt op z’n minst samen met vier belangrijke zaken. In de eerste plaats met het feit dat Christus nog steeds bezig is met de kerk. Zij is niet een zelfstandig naamwoord maar een werkwoord, waarvan Christus het onderwerp is. Scherp is dit geformuleerd in het antwoord van de catechismus, waar gezegd wordt dat de kerk het werk van Christus is: Dat de Zoon van God zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, vergadert, beschermt en onderhoudt. Christus is permanent nog aan het werk. Hij heeft zijn werk in zekere zin volbracht aan het kruis. Maar Hij moet het nog volbrengen door zijn Geest. Dit hangt samen met de oer-gereformeerde onderscheiding tussen verwerving en toepassing. Deze mogen niet gescheiden worden maar zij moeten wel onderscheiden blijven. Wat het eerste betreft is alles gereed. Wat het tweede aangaat, staat er nog heel wat te gebeuren. En wat er gebeurt, staat ten dienste van het kerkewerk van Christus.

In de tweede plaats mogen we nooit vergeten, dat de kerk weliswaar uit het Woord geboren is, maar dat dit Woord haar ook altijd weer onder kritiek stelt. Wie Woord zegt, moet er altijd de Geest bijdenken. Daarom is het Woord niet en nooit alleen maar tekenend voor het begin van de kerk. Het tekent ook het beginsel waaruit zij leven moet. Het is een zaad. En een klein zaadje heeft een geweldige kracht in zich. Het Woord oordeelt. Het onderzoekt. Het brengt scheiding. In een woord: het werkt en het werkt op een onweerstaanbare manier door. Zo worden de dingen in beweging gebracht door het Woord. De traditie is, wanneer zij echt functioneert, niets anders dan het Woord dat een vaste vorm kreeg. Maar juist die vastheid staat onder het oordeel van het beweeglijke Woord van God.

In de derde plaats moet men bedenken, dat de kerk iets in zich heeft van de nieuwe toekomst. Zij is wedergeboren tot een levende hoop. Maar zij heeft tegelijk zo heel veel van de oude mens in zich en daarom moet zij permanent bekeerd worden tot wat zij is. Zij is nieuw, ja zelfs zijn voor haar alle dingen nieuw geworden. Maar juist daarom moet zij voortdurend ook vernieuwd worden, totdat de nieuwe hemel en aarde er werkelijk zijn.

Een vierde factor van betekenis noemen wij de wereld waarin zij leeft. Zij, de kerk, is uit de wereld geroepen. Maar zij kan niet uit de wereld eclipseren. Zij kan niet verdwijnen. De wereld gaat voorbij. Maar de kerk blijft. Maar zàl zij blijven wat zij is, het volk van God, dan heeft zij in die veranderende wereld zich permanent anders op te stellen.

Deze vier factoren zouden gemakkelijk kunnen worden uitgebreid met vele andere. Maar ze zijn nu voldoende om ons te doen beseffen, dat het ook van binnenuit gezien, d.w.z. vanuit de kerk zelf gezien wettig is om te vragen: doet de kerk het nog? Die vraag zou een angstige vraag kunnen zijn: werkt Christus nog wel onder ons? Het zou een verontrustende vraag kunnen zijn: functioneert het Woord wel voldoende kritisch onder ons? Enzovoort. Het is altijd een legitieme vraag die ons vrij staat te stellen.

Niet bij voorbaat positief beantwoord

Nu is er geen reden om bij voorbaat deze vraag met een „ja” te beantwoorden, omdat juist vanuit de gereformeerde visie op de kerk er alle reden is om te overwegen of wij mogelijk door òns kerk-zijn het werk van Christus belemmeren. Want dan gaat het niet om de kerk van Christus maar om ònze kerk. En er is geen groter gevaar dan dat van de geestelijke verblinding. Wij belijden met de catechismus dat de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, onvolkomen en met zonde bevlekt zijn. Met die belijdenis hadden de Remonstranten vroeger en hebben veel Pinkstermensen vandaag moeite. Tegen hen houden wij met beslistheid vast aan het feit dat we altijd en overal aangewezen zijn op schuldvergevende genade. Maar wanneer het gaat om de kerk als geheel vergeten we dikwijls deze belijdenis. We zoeken dan een kerk die volmaakt is en boven de genade uitgegroeid. De kerk moet wel een ware kerk zijn. Maar ze is op deze aarde nimmer een volmaakte kerk. Wanneer we het perfectionisme afwijzen, als het gaat om de persoonlijke heiligmaking, dan kunnen we het niet blijven hanteren in onze visie op de ware kerk.

Daarbij komt nog een tweede kwestie. De geschiedenis leert ons duidelijk dat de mens in zijn grondige afkeer van de genade zich, als het enigszins mogelijk is, opstelt achter heilige dingen. De vijandschap tegen God is nooit zo geraffineerd dan waar ze zich kleedt op de manier van de farizeeër in het gewaad van kerkelijke vroomheid. Hier ligt een van de oorzaken waarom juist een gereformeerd mens voorzichtig zal zijn met een ongenuanceerd positief antwoord op de vraag of de oude kerk het nog doet. Er is integendeel alle reden om telkens weer ons in gemoede voor God de vraag te stellen of wij in onze arbeid voor de kerk en ook in ons denken over de kerk de dingen zien in het licht van wat Christus doet. Om zijn werk gaat het.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande is het ook gewenst om ons telkens door het Woord Gods onder kritiek te laten stellen. De kerk is uit het Woord geboren. En het Woord Gods is niet gebonden. Voor Paulus was dit in zijn gevangenschap een bijzonder sterke troost. Maar dit wil niet zeggen dat wij mensen er niet dikwijls op uit zijn om het Woord Gods te binden. Luther sprak in dit verband over de Babylonische gevangenschap waarin de kerk dan verzeild raakt. We hebben geen reden om aan te nemen dat ons dit niet kan overkomen. Daarom is het om onze levenswil noodzakelijk om ons blijvend onder kritiek van het Woord te blijven stellen.

Immers de kerk mag dan al beschouwd worden als het teken van Gods nieuwe toekomst voor deze wereld, maar de vraag is wel of dit úitkomt, d.w.z. of het naar buiten treedt. En misschien is de vraag nog veel dieper te stellen nl. of de kerk, de kerken samen en ook de gemeente waarin wij een plaats hebben ontvangen, inderdaad uit de toekomende eeuw begeert te leven, en of niet veeleer Gods toekomst ons niet aanspreekt omdat we geloven in het hiernumaals. De wereldgelijk vormigheid is een zaak van het hart dat leeft naar het schema van deze wereld. Dan ontbreekt het geheim van de gemeente: gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen. En waar dit onbekend is daar is het geheim verdwenen.

Zou het daarom ook zijn dat de gemeente niet weet in te spelen op de geheel veranderde omstandigheden waarin zij is komen te verkeren? Beschikt zij over de vitaliteit om het leven vandaag in ernst en in vrijheid tegemoet te treden? Of schippert zij onzeker langs onbekende wegen, niet wetende wat er van komt en zonder werkelijk vertrouwen?

Punten van kritiek

Zonder ook maar te streven naar volledigheid zou ik een aantal zaken willen noemen die in ons kerk-zijn vandaag kritieke punten zouden kunnen zijn. Men kan deze op drie trefwoorden samenbrengen: vervreemding, vereenzaming en verstarring.

Van vervreemding is sprake in tal van vitale relaties. De ambtsdrager ten opzichte van zijn eigen ambt, de ambtsdrager ten opzichte van de gemeente, de synode ten opzichte van het „grondvlak”, de éne groep tegenover de andere groep in de gemeente……het zijn alle te zamen relaties waarin de vervreemding kan werken.

Weten alle ambtsdragers nog wat een ambt, een opdracht, een roeping van Godswege is? Of is het voor velen misschien ook een bezigheid geworden waarin men in de letterlijke zin van het woord geen heil meer ziet?

En is er in de verhouding van ambt en gemeente ook niet sprake van een wederzijdse vervreemding? De mensen weten niet wat er in de kerkeraad omgaat. Zij hebben er geen idee van hoezeer de zorgen van het pastoraat kunnen drukken. Soms doet men over kerkeraadswerk schamper en cynisch. Soms is er sprake van grote onverschilligheid in de verhoudingen. Terwijl anderzijds bij sommige kerkeraden een houding is alsof men stond tegenover een schare die de wet niet kent. In een tijd van verschralend pastoraat dat met allerlei kunst en vliegwerk nagestreefd wordt, is er bij de ambtsdragers soms sprake van onkunde ten aanzien van de wezenlijke behoeften van de gemeente. Het huisbezoek is in vele opzichten een formaliteit geworden.

Wat we constateren met betrekking tot ambt en gemeente is ook te zeggen als het gaat om de kerkelijke vergaderingen. In het algemeen gesproken is de belangstelling voor wat een classis of synode verricht in de gemeente niet groot. Wat er in een synodejaar aan belangstelling gekweekt wordt, soms in positieve, soms in negatieve zin, doet in de regel wat kunstmatig aan. Men spreekt soms over de top van het kerkelijk leven en over het grondvlak, termen die ontleend zijn aan de piramiden van Egypte, imponerend, maar het zijn grote grafmonumenten. Wanneer men de terminologie van deze bouwwerken overneemt, is het een teken van vervreemding die niet op een levende relatie wijst. Het gevaar van een synode als een administratief en ambtenaarlijk lichaam is niet denkbeeldig. Het is in staat om papier te verwerken en ook te produceren, maar wanneer de gemeente zelf uit de belangstelling verdwenen is of zich niet geïnteresseerd betoont, dan is er plaats voor een vraag: „doet de oude kerk het nog wel goed?”

Wat te zeggen van de groepsvorming binnen de gemeente en binnen de kerken? We weten allen dat het volkomen onbijbels is. En we hebben een sterke indruk dat alles kunstmatig opgeschroefd wordt, maar we vergeten dat Paulus groepsvorming in verband brengt met een van de ergste dingen die men in het geestelijk huis van God kan tegenkomen: ongeestelijkheid en vleselijkheid. Teken van verwereldlijking kan het zijn wanneer groepen zich tegen elkaar opstellen, dikwijls terwille van dingen waarvan soms allen zeggen dat zij behoren tot de christelijke vrijheid of tot de middelmatige dingen. Hoeveel van wat hier met strakke ernst wordt voorgedragen, verdwijnt in het uur van het sterven. Het geeft geen blijk van een leven „onder de gezichtshoek van de eeuwigheid” (Calvijn), wanneer de zaken zo staan in de gemeente. Is hier geen vervreemding ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de meest wezenlijke zaken in de gemeente? Dit alles hangt samen met het tweede kritieke punt in ons kerk-zijn: het is de vereenzaming. Zij is er bij de leden der gemeente ten opzichte van elkaar. Zij is er bij de ambtsdragers ten opzichte van de gemeente. En zij is er bij de ambtsdragers onderling. Vereenzaming, verenkeling is in strijd met het scheppingsdoel. Zij is evenzeer strijdig met het geheim van de verlossing binnen de gemeente. Wat wij belijden omtrent de gemeenschap der heiligen, iedere zondag maar weer opnieuw, zou in de praktijk deze vereenzaming moeten opheffen. Maar de werkelijkheid is anders. Ons ideaal van ambtelijke vergaderingen waar de broederschap beoefend moet worden is hoog gegrepen. Wij kunnen en mogen niet lager. Maar de werkelijkheid is anders. Onze visie op de functie van de ambten in het midden der gemeente is naar de Schrift. Ik heb geen gedeelte van de Schrift zo vaak horen lezen sinds de oorlog op allerlei kerkelijke vergaderingen en bijeenkomsten, op verenigingen en in studiegroepen als het gedeelte uit Ef. 4. Het is overbekend. Maar ook hier geldt: de werkelijkheid is anders. Ons individualisme breekt ons op.

Temidden van de onbeschrijfelijk snelle vaart der gebeurtenissen is er in de derde plaats sprake van een wonderlijke verstarring. Soms in of binnen de oude vormen en gewoonten van liturgie en eredienst, soms in een levenloze hantering van op zichzelf goede tradities, soms in het starre en kunstmatige dringen naar vernieuwing zonder meer. Men staat dan stijf van vernieuwingsdrang. Wat is het anders dan verstarring? Het schoppen tegen tradities kan ook een traditie worden. Maar altijd is deze verstarring, naar welke kant dan ook, een gemakkelijk doorzichtige camouflage van geestelijke armoede. Men praat gemakkelijker over het voor of tegen van een traditie dan over hetgeen wij in de traditie ontvangen ais een levend en eigen persoonlijk bezit. En een gesprek over het voor of tegen van allerlei vernieuwingen binnen de kerken verloopt meestal vlotter en warmer dan een werkelijk gesprek over de nieuwheid van het leven, over het nieuwe leven zelf.

Vervreemding, vereenzaming, verstarring……. blijkt dit niet de werkelijkheid te zijn van menig leven en van menige gemeente en ook van menige kerkelijke bijeenkomst?

Het ideaal van de oude kerk

Wat was toch de kracht van de kerk de eeuwen door? Wat was haar ideaal en wat streefde zij na?

Terwille van de kortheid en duidelijkheid richten we de aandacht nu op twee dingen, die ten nauwste met elkander samenhangen. Naar onze, dat is uw en mijn stellige overtuiging gaat het hier om het hart van de zaak en om de vraag op welke manier deze zaak op een passende manier gestalte kan krijgen. Wezen en vorm, zo zou u het kunnen noemen.

Wanneer we in de kerk spreken over het hart van de zaak, dan zeggen we: dat is de prediking van Gods genade voor doodschuldige zondaren. En men kan over deze zaak niet spreken zonder te vermelden wat het cor ecclesiae, het hart van de kerk is, nl. het evangelie van Gods verkiezing in Christus, zijn verkiezende genade. Het is de belofte van het nieuwe verbond, die ons zegt dat het hart van de zaak tevens een zaak van het hart is, van het nieuwe hart waarin de Heilige Geest zelf de vreze des Heren schrijft op de rechtsgrond van de vergeving der zonden. Het is dit evangelie van Gods verkiezende genade, waarin de drieënige God tot ons komt met zichzelf om voor zichzelf plaats te maken.

En waar dit geschiedt, daar ontstaat Kerk, daar geschiedt zij, daar komt ze tot stand. Daar blijkt de kerk de moeder der gelovigen te zijn. En daar treedt de kerk tegelijk aan het licht als de vergadering der gelovigen. Daar worden mensen in Sion geboren: deze en die. En daar rechtvaardigt de Geest door het geloof de zondaar en vernieuwt hem. Daar zoekt het hart de Here en zijn dienst. Dàt noem ik het hart van de zaak en tevens de zaak van het hart. Maar dan van Gods hart dat in oneindige ontferming van eeuwigheid openstond voor zondaren en van het mensenhart dat zich gezocht en gevonden weet. En zij ontmoeten elkander zeer wezenlijk, wijl de akte van God uitgaat, in het Woord dat nabij is, het Woord des geloofs, dat wij prediken.

En hier werkt de Geest blijkens de Schrift ook een vorm die bij dit hart van de zaak past, een adequate vorm, gelijkwaardig aan de zaak en geschikt om deze juist als hart van de zaak niet alleen maar te bewaren, maar ook te laten doorwerken. Daar zijn de ambten. Daar ontstaat de gemeente, de gemeenschap der heiligen. Hier komen de diensten van de prediking. Hier staan de doopvont en de avondmaalstafel. Hier functioneert de onderlinge en de ambtelijke liefdevolle tucht tot Christus. Kortom hier werkt Christus de kerk als zulk een gemeenschap die als een kostbaar goed de waarheid Gods bewaart. Noem het evangelie, het Woord Gods de zaak, dan is de orde van de kerk er om als de orde van de Geest er voor te zorgen dat de orde van het heil, voorzover het in ons vermogen staat, niet zou worden geblokkeerd.

Hier ligt, naar ik stellig meen, het geheim van de oude kerk. Het is zakelijk. En het is ordelijk. Zakelijk, omdat het niet maar om ideeën gaat, maar om zaken, die berusten op de feitelijkheid van het heil. En het is ordelijk, niet maar omdat het heil geen terugval achter de schepping in de chaos is, maar het is ordelijk omdat het de Here behaagt, zoals Hij ons geopenbaard heeft, om zijn heil onder mensen, door mensen en aan mensen Zelf te werken. Kerkelijke orde is er opdat Gods orde geëerbiedigd en niet gebarricadeerd zou worden. Dat is het hoge en verheven niveau van het kerkrecht. Wie het lager plaatst en dan de hoge dingen van God eraan gaat toetsen vergrijpt zich aan de heilige dingen.

Zo dééd de oude kerk het

Zo gezegd en zo gezien kan de oude kerk het uitnemend doen. De grote lijnen in de kerkgeschiedenis zijn er om dit te onderstrepen. Wat zijn de beslissende factoren geweest die de kerk in tijden van vervolging en druk hebben doorgeholpen? Schrift, belijdenis en kerkorde. De vroege kerk heeft haar geheim gevonden in de Schrift, die zij als canon heeft ontvangen; in de Christus die zij in haar karakteristieke belijdenissen heeft beleden, en in haar orde die naar de Schrift het kerkelijke leven in moeilijke tijden kracht verleende.

Wanneer we vragen waar het hart van de Reformatie ligt, dan zeggen we: Schrift, belijdenis en kerkorde. Het sola scriptura was voor de Reformatie zo vanzelfsprekend, omdat het voor haar het Woord was van de goede Herder die de zijnen bij name roept. En vooral de gereformeerde Reformatie heeft de ordening van het kerkelijke leven naar de Schriften van de grootste betekenis geacht. Nooit was de kerkorde het eerste. Altijd ging het eerst om de genade en om het antwoord dat door genade op de genade wordt gegeven: Schrift en belijdenis, zij komen in de gereformeerde traditie het eerst. Maar zij nemen de orde mee waarvan naar de Schrift in de belijdenis wordt getuigd dat de ware religie door de geestelijke regering van de kerk wordt bevorderd, evenals de zuivere prediking. Schrift, belijdenis en kerkorde.

We mogen niet aarzelen om deze drie zaken te noemen. Het kerkelijke leven in ons vaderland heeft in dagen van de verschrikkelijkste vervolging kunnen stand houden door de Schrift, door de belijdenis, maar niet minder door een ordening van het kerkelijke leven op een manier die reeds vele jaren, zelfs eeuwen van betekenis is gebleken.

En over eigen kerkelijk leven kunnen we niet spreken zonder deze vorm van de zaak en deze zaak van de vorm te bedenken. Waar anders hebben de kerken van de Afscheiding hun bestaan aan te danken dan aan het geheim van de genade, dat weer gepredikt werd en dat niet in woorden van menselijke wijsheid, maar in de kracht Gods de mensen wist te trekken? Het was de verkondiging van het Woord Gods naar de belijdenis van de kerk der Reformatie die de Kerk weer vergaderde. En ook al was het door veel strijd heen, toch hebben die afgescheiden kerken in een schriftuurlijke orde voor het leven van de gemeente een zaak gezien van de grootste betekenis. De strijd om de kerkorde was in de moeilijke beginjaren van de Afscheiding niet tevergeefs: in een vaste overtuiging zijn de kerken teruggekeerd tot de kerkorde die naar de gereformeerde visie op de kerk door de synode van Dordrecht was opgesteld. Schrift, belijdenis en kerkorde hebben die kerken door de zware begintijd van uiterlijke vervolging en innerlijke verdeeldheid heengeholpen.

Zou deze mogelijkheid vandaag uitgeschakeld zijn? De Schrift alleen…… zeggen we. En terecht. Maar die Schrift kennen we in zijn volle rijkdom zoals deze zakelijk in de belijdenis vertolkt is. Daarom Schrift en belijdenis. Niet meer en niet minder. Daarbij wil de orde van de kerk ons bewaren. En zal het naar die orde toegaan, dan zal de Schrift heerschappij hebben en de belijdenis zal geen dode letter zijn, geen versteend fossiel uit de gereformeerde voortijd, maar het zal levend materiaal blijken, dat ook vandaag de mensen kan bijeenhouden. In deze concentratie op de zaak, zeggen we, in deze bevrijdende gerichtheid op wat voor alle tijden de hoofdzaak is, dóét de oude kerk het nog.

Ze doet het nog

Maar dan dient het hart van de zaak ook werkelijk centraal te staan. Is er misschien daarom zo veel onderlinge vervreemding, omdat we niet meer weten wat het is om een vreemdeling voor God te zijn? In een van de eerste catechisatieboekjes die ik als kind had te leren, stond het versje dat ook deze regels bevatte: eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart. Déze vorm van vreemdelingschap is ons in grote lagen onbekend geworden. Daarom is er zoveel sprake van uiterlijke en oneigenlijke vervreemding, waarin er niet of nauwelijks plaats is voor het wonder van de genade, dat God in Christus naar vreemdelingen, vervreemd van de verbonden en van de belofte omziet.

Is er wellicht ook daarom zo veel vereenzaming, omdat we de diepste eenzaamheid van een mens verloren voor God niet meer verstaan en ook geen weet hebben van de zeer persoonlijke verbondenheid aan de Here Christus. Voelen we ons niet vaak alleen, omdat we in kerkelijk opzicht te veel van onszelf uit denken en niet vanuit het machtige werk van Gods genade?

Loutere verbondenheid aan Christus en een zuivere begeerte om voor Hem te leven en niet voor onszelf is het geheim van de kerk. En de kerkorde wil niets anders dan deze weg bewaren en openhouden voor Gods Geest.

Waar we dit van harte begeren worden we bewaard voor een hiërarchie van synode en kerkeraad over de gemeente en tegelijk voor de keerzijde ervan, voor die vorm van hiërarchie die we independentisme noemen. Christus is koning over zijn kerk. Hij regeert. Wij niet. Hij alleen. Zo varen we veilig tussen collectivisme en individualisme, tussen verstarring en verwarring.

Zo zullen we ons ook zeer bewust richten op het functioneren van ambt en gemeente in een hartelijke samenwerking voor God, met als uiteindelijk doel de opbouw van de gemeente. Zo blijft er plaats voor een zeer persoonlijke geestelijke leiding die gemeen-schapvormend werkt en voor een vitaal leven niet van een altijd weer in grote angstvalligheid uitgebalanceerde middenweg, maar van de koninklijke weg van Woord en Geest in verantwoordelijkheid aan de Here en in vrijheid van en voor de mensen. Zo mag men de zegen van de Heilige Geest verwachten die ons bindt aan de middelen der genade en die ons zo zijn heil wil doen zien.

Neen! Tenzij……

Doet de oude kerk het nog? De vraag kan positief worden beantwoord. Indien wij weer zeer bewust najagen wat het geheim van de oude kerk was en wat het geheim van de eeuwig jonge kerk blijft: dat der genade. Positief ja dus.

Toch eindigen we met een Neen! Tenzij……

Het doet ons denken aan een vraag uit de catechismus, waar het tenzij betrokken wordt op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte. Dat is een evangelisch tenzij, omdat het herinnert aan het woord van Christus: Niemand kan tot Mij komen, tenzij……… Wat wij niet kunnen, dat doet Christus. Maar Hij doet het aan al de zijnen. En met dit laatste moet ik eindigen. De oude kerk zal het niet doen, wanneer dit alles niet gepaard gaat met een hartelijk en oprecht zoeken van allen die met ons een even dierbaar geloof deelachtig zijn geworden. Dit geldt allereerst naar binnen. Tot mijn grote schrik verneem ik soms links èn rechts opmerkingen die mij doen denken aan de taal van een vakbondsleider: de beuk moet er maar in!

Sterker voorbeeld van verwereldlijking in de meest bijbelse zin van het woord laat zich moeilijk denken. Hier spreekt de wereld. Soms komt er bij goede bedoelingen nog vlees en wereld bij. Maar hier is alleen wereld en wereldtaal. Daarop rust slechts vloek. Neen, de oude kerk doet het niet en nooit wanneer deze taal toonaangevend wordt. Wij hebben elkaar vast te houden binnen de gemeenten en binnen het kerkverband op de basis van Schrift, belijdenis en kerkorde. Niets daarbij, om elkaar niet te overvragen. En niets daaraf, om elkaar te kunnen blijven aanspreken als broeders. Dit is het eerste tenzij.

Het tweede geldt niet minder. En het wordt hoe langer hoe duidelijker. Ook naar buiten zullen we met inspanning van alle krachten zoeken waar te maken wat de Akte van Afscheiding ons voorhoudt: wij bieden de hand aan elke op Gods Woord gegronde vergadering. Hebben we daarmee ten volle ernst gemaakt?

We zullen het nu moeten doen. Niet om een kerk te zoeken waar alles uniform is. Maar om aan de kerkontbindende illusie van de pluriformiteit te ontkomen, die in feite zegt dat een ieder op zijn eigen manier in zijn eigen kerk naar zijn eigen begeren wel kan zalig worden. Op basis van dezelfde belijdenis echter is er plaats voor een rijke verscheidenheid. Zonder moeite zal dit in Nederland niet gaan. Maar de zegen kon ons wel eens onthouden blijven zolang wij het niet in ernst proberen. Christus heeft zijn bloed gegeven om de verstrooide schapen van het huis Israëls bijeen te vergaderen. Het kan slechts schade voor de kerken zijn, wanneer we ook hier niet zouden trachten om met Hem mee te vergaderen. Het kon zijn dat heel wat binnenkerkelijke problemen op een totaal andere schaal en in ieder geval op een ander niveau kwamen te liggen. Onvoorstelbaar was de zegen waarop we mochten hopen. Groots het perspectief dat zich zou openen: één kudde, één Herder. Alleen de roeping waarmee we geroepen zijn, zou voldoende moeten wezen: want tot eenheid zijn we geroepen. Men zou verbaasd zijn wanneer men zag, hoe goed de oude kerk het dàn zou doen.

Is het te hoog gegrepen? Is het te idealistisch gedacht? Maar zijn Gods geboden dan niet onze hoogste begeerte? Slechts zo behouden we een uitzicht op de grote schare voor de troon en voor het Lam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.