+ Meer informatie

ONTWERP ALGEMENE BIJSTANDWET

6 minuten leestijd

Bij de Tweede Kamer is thans het ontwerp Algemene Bijstandwet ingediend. Dit wetsontwerp zal zeker in de komende tijd ook in de kerkelijke kring veelvuldig ter sprake komen. Daarom zullen de ambtsdragers ongetwijfeld gediend zijn met het hieronder volgende overzicht van de hoofdzaken, die in het stuk aan de orde zijn gesteld.

Het ontwerp is ingediend door de minister van Maatschappelijk werk, mej. dr M. A. M. Klompé. De Memorie van Toelichting is mede ondertekend door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Het ontwerp is bedoeld ter vervanging van de Armenwet, die van 1912 dateert, terwijl het ook een wettelijk kader wil bieden voor bijstand krachtens zogenaamde groepsregelingen. Uitgangspunt is de gedachte, dat de overheid een rechtsplicht tot financiële bijstand heeft. Deze overheidsplicht wordt als primair gezien. Het „subsidiariteitsbeginsel”, dat overheidsbijstand pas mogelijk maakte wanneer kerkelijke of particuliere instanties verstek lieten gaan, heeft in het nieuwe ontwerp geen plaats meer.

De beperkende bepaling van de Armenwet, dat de bijstand de kosten van hetgeen voor het levensonderhoud noodzakelijk is niet te boven mag gaan als in de toekomst verwerving van eigen bestaansmiddelen niet te verwachten is — zoals bij ouderdom, ziekte of blijvende handicap — keert niet terug. De bijstand dient in elk geval te strekken tot voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts moet de bijstand worden verleend bij een dreigend verlies van de mogelijkheid tot zelfstandige voorziening in het bestaan.

Beroep

Tegen een beslissing van het bijstandsverlenend orgaan zullen bezwaren kunnen worden ingebracht in verband met het niet verlenen van bijstand, de hoogte van de bijstand, voorwaarden etc. Nadat eerst bij de gemeente bezwaar tegen haar beschikking is gemaakt, staat tegen haar uiteindelijke beslissing beroep open op Gedeputeerde Staten. Tenslotte kunnen partijen in hoger beroep gaan bij de Kroon.

Groepsregelingen

Behalve individueel bepaalde uitkeringen zullen ook gefixeerde uitkeringen voor bepaalde groepen worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur of gemeentelijke verordening.

Rijksgroepsregelingen worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld op voordracht van de Ministers van Maatschappelijk Werk en van Sociale Zaken en Volksgezondheid tezamen (of, indien het in overwegende mate om voorziening in verband met de arbeid gaat, door de Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Maatschappelijk Werk tezamen).

De directe uitvoering van landelijke groepsregelingen, aldus de Memorie van Toelichting, zal in handen liggen van burgemeesters en wethouders onder departementale verantwoordelijkheid van de Minister van Maatschappelijk Werk.

Nieuwe regelingen, waarop het bovenstaande van toepassing zal zijn als het wetsvoorstel is aanvaard, zullen in de eerste plaats worden vastgesteld ter vervanging van de bestaande regelingen van de navolgende groepen:

— werkloze werknemers (behoudens de Sociale Voorziening A, alsmede degenen die een uitkering ontvangen gedurende een aaneengesloten periode van twee jaren na beëindiging van hun aanspraken krachtens de Werkloosheidswet of de Sociale Voorziening A);

— zelfstandigen (Zelfstandigenregeling);

— oorlogsslachtoffers (Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940—1945);

— gerepatrieerden (Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden);

— Ambonezen (Rijksgroepsregeling Ambonezen);

— blinden (Voorziening voor Blinden);

— gehandicapten (Gehandicaptenregeling);

— mindervaliden (Tijdelijke Bijstandsregeling voor Mindervaliden).

Uitvoering

De uitvoering van de overheidsplicht tot bijstandsverlening wordt opgedragen aan de gemeentelijke overheid, in casu aan burgemeester en wethouders. Het werd niet wenselijk geacht de bestaande burgerlijke instellingen van weldadigheid hiermede zonder meer te belasten, ook omdat het in de toekomst tevens de uitvoering van groepsregelingen betreft, waarmede deze instellingen nimmer bemoeienis hadden. Het wetsontwerp bevat dan ook regels tot liquidatie van de burgerlijke en gemengde instellingen van weldadigheid. Gezien de mogelijkheden welke daartoe de thans aanhangige wijziging der gemeentewet gaat bieden, is in het ontwerp-Algemene Bijstandswet niet afzonderlijk voorzien in de mogelijkheid dat de gemeenteraad een afzonderlijk college belast met de taak der bijstandsverlening. Wel schrijft het wetontwerp de instelling vóór, in elke gemeente, van een adviescommissie. Deze commissie heeft een algemeen adviserende functie in het gemeentelijk bijstandsbeleid en is geen zogenaamde gevallencommissie. Voor de toepassing van de groepsregelingen kunnen afzonderlijke adviescommissies worden aangewezen.

Uit het loslaten van het subsidiariteitsbeginsel vloeit voort dat in het stelsel van de Algemene Bijstandswet geen behoefte meer bestaat aan een regeling van de samenwerking tussen de kerkelijke en particuliere instellingen van weldadigheid en de overheid, terzake van de financiële bijstand. In het wetsontwerp keren de sociale raden dan ook niet terug.

Bij de Wet beperking verhaalsrecht, welke in 1961 op dit punt een wijziging bracht in de Armenwet, is de mogelijkheid van verhaal in aanzienlijke mate beperkt. In het ontwerp-Algemene Bijstandswet wordt een verdergaande beperking van het verhaalsrecht voorgesteld, en wel in deze zin, dat het verhaal in de betrekking tussen ouders en hun meerderjarige kinderen wordt afgeschaft.

Verhaal

De Armenwet 1912 gaat ervan uit dat de ondersteuning in principe eerst kan worden verleend, nadat de betrokkene heeft getracht voor de voorziening in zijn bestaan bij de tegenover hem alimentatieplichtige verwanten middelen tot zijn onderhoud te verkrijgen. De Armenwet voorziet dan ook in de mogelijkheid van verhaal van gemaakte kosten van ondersteuning op deze verwanten. Dit verhaalsrecht geldt niet alleen de overheid, maar ook de kerkelijke en particuliere instellingen van weldadigheid.

Een belangrijk motief bij deze verdergaande beperking, aldus de Memorie van Toelichting, is de overweging geweest, dat thans reeds de bijstand krachtens groepsregelingen voor 100% verhaalvrij is en dat de bijstand krachtens de Armenwet in 75% van de gevallen niet meer verhaald wordt. Deze praktijk hangt nauw samen met de maatschappelijke ontwikkeling van het gezin, waarbij zowel de eerdere zelfstandigheid van de kinderen als de langere levensduur de mogelijkheden tot het bijdragen in het onderhoud feitelijk beperken tussen ouders en meerderjarige kinderen. Ook verdwijnt het verhaal op de betrokkene zelf, behoudens in enige bijzondere gevallen (bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet vervullen van een voorwaarde). Gehandhaafd blijft de mogelijkheid van verhaal op de nalatenschap van de betrokkene.

Voorts blijft verhaal mogelijk op diegenen die bij rechtelijk vonnis tot onderhoud verplicht zijn, zoals bv. na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed.

Ontwikkeling

Vooral sinds 1945 heeft zich een belangrijke verschuiving voltrokken in de opvattingen over de taak en de verantwoordelijkheid van de staat en de overheid voor het welzijn van de burgers. Dit leidde tot een brede ontplooiing van moderne sociale voorzieningen. Tegen deze achtergrond groeide de behoefte aan een algehele herziening van de Armenwet 1912. In 1947 werd aan de Staatscommissie Vervanging Armenwet de opdracht verleend een onderzoek in te stellen omtrent de wettelijke regelingen welke op dit terrein dienden te worden getroffen. De Staatscommissie heeft destijds in haar eindrapport de hulpverlening van materiële en van immateriële aard in één wettelijke regeling willen onderbrengen. Om verschillende redenen is dit echter niet wenselijk gebleken. Onder meer is de opvatting, dat het verschijnsel der armoede in de regel zijn oorzaak vindt in moeilijkheden in de persoon en zijn milieu, in haar algemeenheid niet houdbaar. Anderzijds is de dienstverlening op het terrein van het maatschappelijke werk, de gezondheidszorg, arbeidszorg, sociaal-cultureel werk enz. ook in toenemende mate noodzakelijk voor diegenen, die geen behoefte aan financiële bijstand hebben. Verlerlei dienstverlening door het maatschappelijk werk vertoont voorts nauwe samenhang met de geestelijke aspecten van het menselijk leven en dient daarom in handen te worden gelaten van het kerkelijk en particulier initiatief. Minister Klompé stelt zich dan ook voor aan dit beginsel uitdrukking te geven, indien te zijner tijd een afzondelijke wet op het maatschappelijk werk tot stand komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.