+ Meer informatie

De oorsprong der zonde

4 minuten leestijd

DE VIJANDEN GODS (3)

Dat er een afval van God heeft plaats gehad onder cle heilige troongeesten en clat juist daar de oorsprong van alle zonde te zoeken is, wordt ons duidelijk in de Heilige Schrift geleerd.

Hoe een deel der engelen tot zonde geraakt is, moge in de Schrift niet met zoveel woorden vermeld staan, toch geeft diezelfde Schrift wel enig licht over het karakter van de afval der engelen. Van hen wordt immers gezegd, dat ze hun beginsel niet bewaard hebben, dat zij in de waarheid niet staande zijn gebleven. En deze beide uitspraken cler Schrift, waarbij nog gevoegd kan worden, wat Paulus schrijft in 1 Tim. 3 : 6, dat iemand, clie opgeblazen wordt in het oordeel des duivels valt, geven ons cle draad in handen, waarlangs wij kunnen nagaan, wat eigenlijk de eerste zonde, de engelenzonde geweest is. Die zonde kan niet anders geweest zijn dan hoogmoedig verzet tegen de souvereine God.

Om clit te verstaan moeten we ons enigszins indenken, hoe cle engelenwereld geschapen werd. Onder cle engelen is geen man en vrouw; is dus geen vermenigvuldiging. Het getal der engelen, hun tienduizendmaal tienduizenden, de duizenden in getal verdubbeld, werd opeens tegelijk door God geschapen.

Met de mens is dat anders gegaan. God schiep één man en één vrouw, uit wie langzamerhand het millioenental, clat nu cle wereld bewoont, is voortgekomen. Maar bij de engelen was het aantal ineens compleet. Ook werden zij in volle kracht, zonder enige ontwikkeling van kind tot volwassene geschapen. Al die heirscharen des hemels stonden bij de aanvang der schepping voor God hun

Maker, en allen hadden tot taak om dienende geesten te zijn, vaardig tot het volbrengen van Gods wil.

De mens daarentegen werd slechts in een tweetal geschapen; geen heirscharen van mensen omringden Adam en Eva. Zeker, het menselijk geslacht kon, na verloop van tijd machtig en talrijk en groot worden; maar zo was het in de aanvang nog niet. Tegenover de hoge, machtige God stond dit tweetal daar als schepselen met weinig kracht en macht tegenover de grote God.

Maar met de engelen stond het heel anders. Van meetaf stonden zij voor Gods troon in ontelbare menigten; toegerust met grote kracht en gaven; niet als een paar enkelingen, maar als machtige heirscharen, die geweldige dingen konden doen.

Gevoelt ge nu, hoe het voor de engelen nog zwaarder dan voor de mensen moest zijn om staande te blijven? Zeker, ze werden goed en heilig voor God geschapen, maar toch zó, dat ze evenals de mens vallen konden, en dat ook hun een proeftijd gesteld werd, waarin zij hun volstrekte onderworpenheid aan hun Schepper hadden te tonen. En wat nu voor de mens, met zijn geringe aantal van twee niet mogelijk was, dat was voor de engelen met hun machtige heirlegers wel mogelijk, dat namelijk hun groot aantal, en hun sterke toerusting er hen te spoediger toe brengen kon om in revolutie tegen God uit te breken, en hun kracht aan te wenden tegen God inplaats van vóór God.

En zo is het dan ook metterdaad geschied. Zij zijn in de waarheid niet staande gebleven. De waarheid, dat ze slechts dienstknechten Gods waren, en geen eigenwillige heersers mochten worden, hebben zij (althans een deel hunner) verlaten; en zij hebben de leugen (n.1. dat zijzelf heersers konden zijn) aangenomen. Het vergrijp van een deel der engelen is dan ook niet anders geweest, dan een moedwillig verzet tegen de Souvereiniteit Gods; zij wilden naast en boven God staan: heer in plaats van dienaar zijn; en die opgeblazenheid heeft hun het oordeel der uitbanning uit de hemel bezorgd.

Niet alleen cle Satan, één der machtigste troongeesten, hoog boven vele andere engelen met macht bekleed, maar evenzeer voor alle engelen kwam het erop aan te tonen, dat ze Gode in alles wensten te gehoorzamen. Aan die beslissende keus is niet één engel ontkomen; met het gevolg, dat een deel der engelen (een niet gering deel) met Satan aan het hoofd van God afviel, en dat een ander deel (zeker niet kleiner) is staande gebleven, en toen van valbaar door God onvalbaar is gemaakt, zodat ze nu en nooit meer in zonde kunnen vallen.

En toen cle Satan met zijn trawanten uit de hemel gestoten werd, is zijn toeleg niet anders geweest dan om met de leugen, die zijn bestaan verkankerde nu ook voortaan andere schepselen van God af te trekken naar het verderf.

Looft, looft den HEER gij Zijne [legerscharen, Wier lust het is, op Zijnen wenk te [staren. Dat hemel, aard', en zee, en berg, en [dal, Hoe ver men ook Zijn scepter ziet [regeren, Nu Zijnen naam en grote deugden [ eren; En gij, mijn ziel, loof gij Hem [bovenal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.