+ Meer informatie

OM BEURTEN BUITEN STAAN

9 minuten leestijd

Een van de middelen, die de gereformeerde kerkorde hanteert om toezicht te oefenen op het kerkelijke leven in het algemeen en op de dienst van de ambtsdragers in het bijzonder is de kerkvisitatie. Niet altijd zijn de gereformeerden daarvan zulke warme voorstanders geweest. In 1581 stond de synode van Middelburg wat aarzelend tegenover de instelling van inspecteurs of superintendenten, die jaarlijks de kerken zouden bezoeken. Men vond het niet nodig en men koesterde zelfs bezwaren: het had te veel weg van het bijzondere ambt van een bisschop. En al stond men aan de Nederlandse kerken in Engeland noodgedwongen toe, dat deze superintendenten hadden, men wilde in Nederland die kant beslist niet uit. Vandaar dat de synode toen opmerkte, dat de classes hun taak zelf moesten vervullen. Blijkbaar dacht men aan de rondvraag die op iedere classisvergadering moest worden gehouden. Maar de synode van Den Haag 1586 dacht er al heel anders over. De organisatie van het kerkelijke leven was van die aard, dat een regelmatig onderzoek van de kerken moest plaats hebben. Zo kwam in artikel 40 van de Kerkorde van Den Haag (1586) de bepaling: „De classis zal waar nodig is, de vrijheid hebben enige van haar dienaren van de ene tot aan de volgende classisvergadering te autoriseren (d.i. met gezag bekleden), om opzicht te nemen op de leer en het leven van de predikanten, en de stand van de kerken, die onder de classis ressorteren, om daarvan op de volgende vergadering rapport te doen”. Dit artikel is later enigszins uitgebreid en in de Kerkorde van Dordrecht opgenomen.

Hierbij moeten twee opmerkingen worden gemaakt. De eerste: de kerken hebben geen afzonderlijk ambt van kerkvisitator ingesteld. In later tijd kreeg men van de kant van de independenten nog al eens het verwijt, dat men in de gereformeerde kerken óók een soort bisschopsambt had, nl. dat van de kerkvisitator. De gereformeerden hebben dit altijd ten stelligste tegengesproken. Een kerkvisitator is niet meer dan een deputaat van de classis met een welomschreven opdracht: het verrichten van toezicht op de dienst des Woords o.a. De zuiverheid in de leer vormde daarbij een belangrijk motief. Daarom mochten volgens de synode van Den Haag de kerkvisitatoren soms gaan luisteren naar de preken der dienaren en informeren naar de manier waarop zij dit deden. Natuurlijk moesten het ervaren mannen zijn, niet de pas afgestudeerde predikanten, die op deze manier aan wat ervaring moesten komen.

De tweede opmerking die van belang is, geldt de beslistheid, waarmee een en ander werd uitgevoerd. Daarom lezen we in een van de eerste reglementen op de kerkvisitatie (1586): „Zij (d.i. de visitatoren) zullen met alle beleefdheid en voorzichtigheid vernemen, hetzij ter plaatse zelve daar de Dienaar staat, of op andere plaatsen naar gelegenheid der zaken, aan de ouderlingen en diakenen, of anderszins aan diegenen die lidmaten van de kerken zijn, of de dienaar naarstig is in de opbouw van de kerk en in de uitoefening van de christelijke discipline en of met dat doel de kerkelijke vergaderingen gehouden worden”. Wanneer men bij dit onderzoek enige „opmerkelijke fouten” ontdekt, zullen de kerkvisitatoren hen eerst afzonderlijk vernemen, en helpen. Als dit niet afdoende is zal men een en ander bij de classis rapporteren.

Zó hebben de kerken het middel van de visitatie gebruikt om te komen tot een goed functionerend kerkelijk leven. Men ziet dat dit middel steeds duidelijker gezien werd met het doel, dat de zuiverheid in de leer en alle goede orde in de gemeente van God onderhouden zou worden. De particuliere synode van Zuid-Holland stelde in 1621 een „Forme der Inspectie” vast (Acta der P.S. van Zuid-Holland 1621-1700, uitg. W.P.C. Knuttel, I, ‘s-Gravenhage 1908, blz. 36 v.).

De inhoud van dit formulier werd in hoofdzaak door verschillende classes, niet alleen in Holland, maar ook daarbuiten overgenomen. En in verschillende classicale handboekjes uit de 17e en 18e eeuw vinden we deze regelingen, soms aangepast aan de plaatselijke situatie terug. Nu is het niet de bedoeling om hier het groot belang van de kerkvisitatie te betogen. Wel wil ik er op wijzen dat het een onmisbaar middel is voor de opbouw van een geregeld kerkelijk leven. Prof. J. Hovius heeft indertijd in verschillende publikaties op het belang ervan gewezen. En terecht heeft ds. J.H. Velema in zijn bijdrage, afgedrukt in een vroegere aflevering van dit tijdschrift daarheen verwezen, zodat dit hier niet behoeft te worden herhaald.

Wél is het de moeite waard om op een klein onderdeel van de kerkvisitatie te wijzen, dat op de laatste vergadering van de generale synode in discussie kwam, en dat, hoe dan ook, door de synode belangrijk genoeg geacht werd, om de hele instructie, die betrekking had op de kerkvisitatie terug te laten gaan naar de part. synode van het Oosten. Of liever gezegd, de afgevaardigden van deze part. synode namen, gehoord de bespreking, de instructie terug. Dit kleine onderdeel betrof de vraag of het om beurten buiten staan der ambtsdragers diende te worden gehandhaafd. Het is een oude gewoonte, die tot nu toe geschiedde. In bijna alle reglementen op de kerkvisitatie, die ik daarover raadpleegde is ervan sprake, en men moet toegeven, dat het naar de oude gereformeerde opvatting erbij hoort.

Zó is het geweest sinds de tijd van de Reformatie. Van Calvijn weten wij dat hij er op stond, ook als het hem zelf betrof. Toen hij ouder was geworden en zijn jongere collega’s voorstelden, dat Calvijn zelf niet buiten zou staan tijdens het onderzoek, verlangde hij zelfs dat men voor hem geen uitzondering zou maken.

Ook andere reformatoren ondergingen dit niet als een soort inquisitie over hen en zonder hen, maar zij werkten er loyaal aan mee. Men mag wel zeggen, dat dit er voor hen wezenlijk bij behoorde.

Daarom hebben ook de Nederlandse kerken dit gebruik overgenomen. Een uitzondering vond ik in de „Ordonnanties en Wetten des E. Classis van Deventer” (Deventer 1701), blz. 20. Daar besloot men: „De Omvragen en Vermaningen sullen geschieden, in ‘t bijwezen van de Predikanten en voorstanders van de Gemeinte, sonder dat iemant behoeft buyten te staan, ten zij het in hoog nodige zaken anders goedgevonden werd”. Zó besloot men daar althans op 15 april 1645. Maar blijkbaar vond men dit besluit toch niet goed. Want op 9 april 1700 werd bepaald: „Wanneer na des Predikants gedrag vernomen word, sal deselve, om te meer vreiheid aan de Leden des Kerkenraads te geven, buyten staan: Gelijk ook de Ouderlingen en Diaconen, wanneer aan de Predikanten na haar gedrach vernomen word, van gelijken buijten staan sullen”. Opzettelijk heeft men zich toen weer begeven in de gangbare en juiste sporen.

Het uitvoerigst op dit punt is wel het visitatie reglement van de classis van Voorne en Putten, ten volle goedgekeurd den 4 October 1746, Den Briel 1747, blz. 264:

„Om wyders de byzondere onderzoekingen met volkoome vryheid, en onverhinderd te moogen verrigten, zullen D.D. Deputati (d.i. kerkvisitatorer)) Den E: PREDIKANT op eene heusche en beleefde wyze verzoeken, dat voor een weinig gelieve buiten te staan, ten einde naar zynen E: Dienst, gedrag en leeven in vryheid mogten verneemen?”

In afwezigheid van de predikant worden dan, zoals ook bij ons gebruikelijk is, de vragen over zijn dienst en prediking gesteld.

Het is overbodig, om meer voorbeelden aan te halen, omdat het door niemand wordt ontkend dat dit de praktijk is geweest tot nu toe. Daarom vindt men het ook op deze manier in onze Kerkorde bij het Reglement op de kerkvisitatie omschreven. En in de verklaringen van de Kerkorde wordt deze praktijk dan ook verdedigd. Joh. Jansen schrijft daaromtrent (Korte Verklaring van de Kerkorde, Kampen 1952, blz. 201): „Het heeft met achterklap ook niets te maken, ‘t Geldt hier een kerkelijk onderzoek. Visitatoren kunnen eventuele bezwaren controleren en misverstand uit de weg ruimen; in geval van persoonlijk bezwaar de klager vermanen er broederlijk met de betrokkene over te spreken; in geval van ernstig bezwaar tegen leer, leven of ambtstrouw vragen of de anderen het delen; zo neen, dan kunnen zij de bezwaarde terecht wijzen; zo ja, dan kunnen visitatoren in naam van de kerkeraad het ernstig en waardig met de betrokken ambtsdrager bespreken hem zo nodig „broederlijk vermanen” en trachten het uit de weg te ruimen”.

In het „Ouderlingenblad” schreef H. Bouwman in gelijke geest (9e jrg., mei 1930. blz. 1151) en zijn argumenten vindt men in het tweede deel van „Gereformeerd Kerkrecht”, blz. 182. Daaruit citeer ik nog een belangrijke zinsnede: „ln de regel zal het blijken, dat er geen bijzondere klachten zijn, en geen aanmerkingen behoeven gemaakt te worden. Maar wanneer het in bepaalde gevallen noodig geacht wordt, dat de predikanten, de ouderlingen en de diakenen zich verwijderen, zal het, wanneer het bestaande gebruik zou zijn afgeschaft, een pijnlijke indruk kunnen maken, wanneer gevraagd werd, dat bepaalde ambtsdragers zich verwijderen, wanneer het onderzoek wordt ingesteld”. Het blijkt dus niet een zinledige traditie te zijn, die met het „buitenstaan” samenhangt. Als men het eenmaal afgeschaft heeft, zal men er niet gemakkelijk toe over gaan om het opnieuw weer in te voeren, zoals in 1700 in de classis Deventer gebeurde. Daarom zullen de kerken de argumenten wel moeten wegen. Zou het niet samenhangen met een algemene tendens, die ook aan ons kerkelijke leven niet voorbijgaat, wanneer men dit punt laat vallen? Het is de vraag, of de kerkvisitatie als zodanig wel goed functioneert als middel van toezicht. Reeds Voetius verzet zich tegen het gebruik om de visitatie door alle predikanten te laten plaats vinden, ongeacht hun leeftijd of ervaring. Niet voor niets spreekt de Kerkorde over de oudste, meest ervaren en geschiktste predikanten. Zij worden niet zo maar aangewezen, maar gekozen, zegt hij: Dit is bij ons al lang verleden tijd. En dit is te betreuren. Op wijsheid, op ervaring, op tact om met mensen, met medebroeders om te gaan komt het aan en vooral op het besef dat het een middel is, waardoor op tijd verkeerde dingen kunnen worden tegengegaan en waardoor jongere broeders werkelijk geholpen kunnen worden. In een vertrouwelijk gesprek b.v. ná de op de goede manier gehouden visitatie, kan men elkaar werkelijk helpen.

Het argument, dat het niet meer zou passen in de manier waarop wij met elkaar omgaan in deze moderne tijd, zegt heel weinig, of misschien heel veel juist!

Gaan wij dan niet met elkaar om? Broederlijk gelijk het behoort? Is er zo veel gebrek aan echte broederlijke gemeenschap? Of zou de laatste misschien van die aard zijn, dat wij ten diepste elkaar niet vertrouwen? Daardoor kon het wel eens zijn dat we er tegen opzien, wanneer er zonder ons over ons wordt gesproken. Dan moet men dit middel niet afschaffen, maar de kwaal genezen.

Het argument, dat hier en daar een kerkeraad moeite er mee zou hebben, kan met het vorige samenhangen. Maar wanneer een kerkeraad zegt: Wij doen het niet, mag dit niet gelden als een reden om in dit stuk van zaken een goed gebruik af te schaffen. Dit is geen kerkelijke handelwijze. Men kan zich in ieder geval niet indenken wat de consequenties zouden zijn ten aanzien van andere kerkordelijke bepalingen, wanneer dit een argument zou zijn. Het zou er op neer komen, dat het kerkelijke leven zou worden blootgesteld aan willekeurige inzichten en dit mag toch niet het geval zijn, zeker niet als het gaat om het broederlijk toezicht op elkander.

Wanneer men zou stellen, dat er in een gesprek met kerkvisitatoren nimmer sprake kan zijn van ernstige bezwaren tegen een broeder die buiten staat, heeft men daarin volkomen gelijk. Dàn zullen die bezwaren reeds eerder in de kring van de kerkeraad zelf ter sprake zijn gebracht. En wijze en ervaren visitatoren zullen de eersten zijn om dit op te merken. Maar stel dat het om deze dingen zóu gaan, dan kan soms zo heel veel in een broederlijk gesprek worden recht gezet, wat anders de kiem van verwijdering in zich heeft, en ook zonder dit middel die kiem zou laten groeien.

Merkt men op, dat het gelukkig altijd meevalt, dan betekent dit niet dat het daarom onbelangrijk zou zijn. Het is bijzonder pijnlijk, wanneer een broeder, als hetgeen regel is, wordt uitgenodigd om zich te verwijderen. Zulks voorkomt men, wanneer men zich ook formeel aan deze regel blijft houden. Daarmee voeren we geen pleit voor formaliteiten, maar voor een ordelijk leven van de kerken naar de regels, die ook in dit opzicht eeuwen lang heilzaam hebben gewerkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.