+ Meer informatie

De mens als stamhoofd en bondshoofd

De werken Gocls (9.)

4 minuten leestijd

In gedachten hebben we reeds vertoefd bij de werken Gods, die in de schepping van de mens zo heerlijk aan de dag traden; en daarbij bijzonder gelet op het feit, dat de mens gesteld werd als beelddrager Gods en als heer der aarde.

Behalve die twee waardigheden, waarmede de Schepper de mens bekleedde, moeten we in 't kort nog op twee andere zaken letten, en wel deze, dat de mens gesteld werd tot stamhoofd en hondshoofd van het menselijk geslacht. Die twee: stamhoofd en bondshooid moogt ge niet met elkander verwarren of vereenzelvigen. Het eerste ziet op de stoffelijke, het tweede op de zedelijke betrekking tussen Adam en zijn nakomelingschap.

Omdat Adam ons stamhoofd is, zijn wij allen zijn kinderen; wij zijn zijn vlees en bloed deelachtig; wij erven over, wat er in beginsel in Adam leefde.

Indien Adam kinderen gewonnen had, vóór zijn val in zonde, dan zouden die kinderen een reine, zondeloze menselijke natuur van hem geërfd hebben. Maar aangezien Adam eerst zondigde en daar-

na kinderen gewon, is de smet der zonde, die in Adams ziel en lichaam insloop, door overerving ook de onze geworden. Er is in elk mensenhart van vóór de geboorte af reeds een inklevende verdorvenheid, die wij van ons eerste ouderpaar als een zware erfenis in de wereld meebrengen. De betekenis van Adam als stam-of geslachtshoofd wordt zo treffend door Job weergegeven: „Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet één! „En ook David gewaagt daarvan in Ps. 51 als hij zegt: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. „En de Heere Jezus zelf spreekt van een kwade boom, die geen goede vrucht kan voortbrengen; terwijl de apostel Jakobus de mens ziet als een bittere fontein, waaruit geen zoet water kan opwellen. Al wat er aan zonde en verdorvenheid naar ziel en lichaam in ons woont, vanaf de geboorte, is een gevolg hiervan, dat wij afstammen van Adam; in dat stamhoofd, dat onrein door de zonde werd, zijn wij allen onreinen, melaatsen van de hoofdschedel af tot aan de voetzool toe. Maar ook als hondshoofd heeft Adam betekenis voor heel het menselijk geslacht. Met hem heeft God een verbond opgericht, dat onze vaderen noemden: het werkverb o 11 d, omdat Adam door goede werken te doen voor zich en zijn nakomelingen het eeuwige leven verdienen kon. Dit nu ziet op een zedelijke betrekking. Adam was de man, die tegenover God zijn Schepper heel het menselijk geslacht vertegenwoordigde. Hij had te handelen, niet slechts voor zijn eigen persoon, maar in naam van heel het mensdom. Bleef Adam staande, dan verdiende hij voor U en mij en voor iedereen het eeuwige leven; maar viel hij van God af, dan viel heel de wereld in en met hem mee. Adam was dus een hoogst verantwoordelijk persoon, omdat hij het lot en het leven van al de duizenden en miljoenen, die 11a hem geboren zouden worden, in zijn hand had. En doordat Adam tot die vreselijke val gekomen is, heeft hij heel het mensdom met zich in die heilloze val meegesleept.

De schuld van Adam werd alzo onze schuld. Al zou er geen verdorvenheid in ons vlees wonen, dan nog zouden wij verdoemelijk zijn, omdat wij de schuld geërfd hebben, die Adam op zich laadde. En zo vat ge ook eigenlijk het verschil, dat er bestaat tussen smet en schuld. De eerste: n.1. de smet der zonde, de werkelijke verdorvenheid van elk onzer, is ons deel geworden, omdat wij door geboorte van ons stamhoofd afkomstig zijn. De tweede, n.1. de schuld, de toerekening der strafwaardigheid is over ons gekomen, omdat Adam als ons hondshoofd in ons aller naam zich schuldig stelde tegenover de wet des Heeren. De smet der zonde heeft ons van de heiligheid beroofd. De schuld der zonde heeft ons van onze gerechtigheid ontdaan.

Het is met de toerekening van Adams zonde, krachtens zijn bondshoofd-zijn, gelijk als met de verhouding van een koning tot zijn onderdanen. Als er tussen twee mogendheden een conflict rijst, dan treden de staatshoofden van die twee volken met elkaar in overleg.

Wordt de vrede getekend, dan handelt de koning in naam van zijn onderdanen, en krijgt elke onderdaan deel in de zoete vrede. Wordt daarentegen het conflict niet opgelost, doch de oorlog tussen de twee volken verklaard, dan doet de koning dat ook in naam en voor rekening van zijn volk, en dan wordt dooide enkele handtekening van de vorst heel het volk in de bloedige krijg gewikkeld. Dat alles geschiedt omdat de koning het representerend, het vertegenwoordigend hoofd van heel het volk is. De koning heeft dus een zeer verantwoordelijke positie, want hij brengt door zijn handeling vrede of strijd, zegen of vloek over zijn volk. E11 zó stond Adam nu als ons verbondshoofd voor God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.