+ Meer informatie

God bestuurt alles; is de zonde Zijn wil?

"Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten." Psalm 51:6

4 minuten leestijd

Heeft God de zonde gewild? Toen u ontdekt werd aan uw doodstaat en er een levend Godsgemis kwam, toen leefde die vraag niet zo. Het werd immers ingeleefd: „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad was in Uw ogen." Gods recht werd toegevallen en een andere vraag werd geboren: „Is er nog enig middel, waardoor ik de eeuwige straf zou kunnen ontgaan en wederom tot genade komen." Er kwam een tere droefheid naar God, een bedelen om vergeving door het bloed van Christus. En u meende, dat u nooit meer zou terugkeren tot de wereld en de wenteling in het slijk der zonde. U mocht meer zonden laten, ook al zou u toen niet hebben durven zeggen een kind van God te zijn. En toen? Toen kwam de zonde... In volle hevigheid, sterker in haar verzoeking dan ooit: aantrekkelijker dan u ze immer gevonden had. U bad, streed. Misschien weende u wel. U ging meer lezen, preken luisteren. U werd nog radicaler in de godsdienst, vooral tegenover uw huisgenoten. En u? U viel in de verzoeking... en u viel weer...

Hoe kan dat nu? Walging van uzelf, verdriet en wanhoop streden om de voorrang. Heb ik me dan toch bedrogen? En het enige dat u moest doen liet u na: vernedering en verbreking voor God. U ging redeneren dat u genade gestolen had en u geloofde werkelijk dat u eerdaags als een schijngelovige openbaar zou komen. Ook dacht u: Als God alle dingen bestuurt, heeft Hij deze zonden dan soms gewild? U schrok van uzelf, want u wist veel te goed dat we God nooit tot auteur van de zonden mogen maken. Misschien bent u het wel, lezer, die zo in uw ongeluk loopt. Mogen we u de bevinding van David dan eens voorhouden? In Psalm 51:6a belijdt hij smartelijk dat hij niet alleen een gebod had overtreden, maar tegen God Zelf had gezondigd. Weinigen zien dit, maar u mocht dat door genade wel beleven, al schijnt dat nu tevergeefs te zijn. Lees nu echter eens verder, want wie schetst onze verbazing! Nadat hij gezegd heeft: „Tegen U alleen heb ik gezondigd", zegt hij ook: „opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten"...

Dat begrijp ik niet; u wel? Als er nu gestaan had: „zodat Gij...", dan was het duidelijk. Want dan zou hij immers zeggen: Ik heb gezondigd tegen U, zodat u rechtvaardig bent in het uitspreken van Uw vonnis over mij. Er staat echter het woordje "opdat", een woordje dat een doelzin inleidt. Hij zegt dus: Ik heb tegen U gezondigd met het doel dat U rechtvaardig bent in Uw vonnis uitspreken, en smetteloos bent in Uw richten van mij! O, laat nu toch niet na, wat David hier deed. Hij vernederde zich schuldverslagen voor God, redeneerde niet, al was zijn karmozijnrode zonde zeer bitter, en... tijdens dit gebed werd Gods rechtvaardigheid al witter. Wonderlijke omkering nietwaar? Satans doel was u tot wanhoop te brengen, door uw vallen in zonde. Maar nu wordt in uw verslagen geest Gods doel bereikt: U aanbidt Gods schitterende gerechtigheid.

Paulus haalt deze tekst aan in Rom. 3:4 en zet elk mens, u dus ook, voor leugenaar, maar prijst God in dit zielsvernederend werk als Overwinnaar. Ontredderde zondaar: „onze ongerechtigheid bevestigt Gods gerechtigheid!" (vs. 5) en „de waarheid Gods wordt door mijn leugen overvloediger, tot Zijn heerlijkheid!" (vs. 7). O ja, schijngeloof zegt hier: „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome", maar zulke mensen zullen een rechtvaardige verdoemenis ontvangen (vs. 8). Een waar kind van God gruwt immers van zulke redeneringen. Hij verstaat nu immers, dat God de zonde niet wilde, maar wel toeliet tot verheerlijking van Zijn rechtvaardigheid. Job, die tot deze zalige hoogte mocht opklimmen, zei: „Nu ziet U mijn oog" en zonk tegelijk in die zoete vernedering: „Daarom verfoei ik mij en ik heb berouw in stof en as" Gob 42:6). Hoeveel te meer mag vandaag Gods kind, daar Jezus Christus ons geopenbaard is, 's Vaders rechtvaardigheid in het straffen van de zonde in Zijn Zoon bewonderen, en zich over de onmetelijke liefde van de Zoon verwonderen. Worden nu Zijn bloed, tranen en lijden niet dierbaar in uw oog? Zeg dan eens: „O, dat mijn verschrikkelijke zonden er toch aan mee moesten werken om als een overwonnene aan Uw voeten te komen. Mijnjezus, 'k heb als een schaap gedwaald, maar U hebt voor mij betaald. Lieve Vader, hoe schittert Uw rechtvaardigheid in den Hoge; 'k zal straks nog eeuwig Uwen Naam verhogen!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.