+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

Nog denken wij terug aan het onderwijs dat ons is gegeven in de bediening van het Evangelie. Ambtelijk wordt ons het Woord der zaligheid verkondigd, gepredikt in de Naam des Heeren. Wij moeten weten waarom wij naar de kerk gaan. Waarom het zo groot is te leven onder deze Goddelijke bearbeiding. Het stelt ons onder een grote verantwoordelijkheid. Op het Goddelijk vragen: „Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?” kan geen verzuim worden aangetoond.

Nu leidt Uitlegger ons met de Pelgrim in een andere kamer, in een grote kamer die niet ontsloten hoeft te worden. Het is een kamer zonder slot of grendel, waar niets te stelen valt.

Eens was deze kamer Gods woonkamer hier op aarde. De mens toch was met zijn edele ziel het pronkjuweel van de schepping. Het hart was versierd met Zijn beeld, gebonden aan Zijn wet en gesteld op Zijn zoete gunst en zalige gemeenschap. Dat was de staat der rechtheid.

Maar met de moedwil van onze ongerechtigheid hebben wij van deze kamer een kamer der ongerechtigheid gemaakt, zoals ons hier getoond wordt. Hierin leeft nu een wereld van boosheid en bitterheid, en van nature treurt niet één mens daarover. Nooit heeft de persoon, in wiens hart wij hier blikken, de vernieuwing des harten gezocht in degenadevan het Evangelie. In deze kamer heerst een dodelijke stilte. De stem van het onuitroeibaar besef dat er een God is, Die het waardig is gediend te worden, is verlamd door er niet naar te luisteren. Het geweten dat voorheen nog getuigde tegen het kwaad dat bedreven werd, is tot zwijgen gebracht daar men die waarschuwingen kwam te houden voor bangmakerij. Door geveinsdheid en liegen heeft men de mond van zijn geweten als met een brandijzer toegeschroeid. Deze persoon heeft zijn historisch geloof, de overtuiging dat Gods Woord waarachtig is, niet produktief gemaakt. De dienst der wereld had de overhand. Naar het oordeel van het zorgeloze hart was het nog veel te vroeg zich daarover te bekommeren, zodat het hart niet luisterde naar de lokstem van het Evangelie.

Bij het staan in deze grote kamer zag de Pelgrim dat alles bedolven lag onder het stof van de zonde. Van jaar tot jaar was dat steeds erger geworden; daar werd nooit naar omgezien.

Wat leeft de mens toch oppervlakkig en lichtzinnig voort, door niet te letten op de innerlijke gesteldheid van zijn hart. In deze kamer geen plaats voor de Heere, voor Zijn licht niet en voor Zijn vrede niet. Zonder een woord te spreken zagen deze mannen om zich heen. Wat is het toch noodzakelijk naar binnen te kijken, met ernst te letten op de innerlijke gesteldheid van het hart. In de eerste plaats moet het ons toch duidelijk worden dat het zo niet mag blijven, dat wij met deze gesteldheid van het hart geen ingang kunnen bekomen in de eeuwige heerlijkheid.

En gelukkig, er wordt wat aan gedaan. De persoon, waarop hier gedoeld wordt, onderwerpt zich aan die behandeling. Maar de knecht, die hier aan het werk gesteld is, doet het niet op een rechte wijze. Hij is met de bezem der wet werkzaam op een wettische wijze. Met alles wat in hem is, veroordeelt hij de zonde, met een geweldige stem veroordeelt hij de boosheid der ongerechtigheid. Hij zoekt het hart te verbrijzelen tot verbreking van de kracht der zonde. Maar met dat alles wordt het veel erger, het stof der ongerechtigheid leeft het leven van vijandschap tegen God, vervult de gehele kamer, laat haar prooi niet los. En toch gaat de knecht maar door met het vegen, hij weet niet dat de wet de kracht der zonde is.

Onder deze wettische prediking is het niet uit te houden, de hoorders krijgen het benauwd, tot stikkens toe benauwd. Die knecht bidt niet om genade en spreekt niet van ontferming. Deze onhandige knecht meent het heel goed te doen, is het nog echt niet moe om verder te gaan. Het hart van deze onboetvaardigezon-daar moet toch eerst verbroken en verbrijzeld worden door de wet en dan pas kan van de genade gesproken worden.

„Doch daar was geen stem en geen opmerking”. En wat was dat een bittere teleurstelling voor Gehazi. Hij dacht de staf wel te kunnen hanteren opdat de jongen uit de slaap des doods zou ontwaken. Maar nee, daar was geen stem en geen opmerking.

En wat was daarvan toch wel de oorzaak? Wel heel eenvoudig, Gehazi kende zich niet afhankelijk van Gods genade, bad niet om ontferming. Het was een onhandige knecht. En zo is het nu ook hier gesteld met de knecht, die meent wat tot stand te kunnen brengen met de bezem van de wet.

Maar gelukkig is er een dienstmeisje bij de hand, dat enige kennis heeft van het Evangelie. Zij is nog wel jong, ik denk dat ze nog naaide catechisatie gaat. Maar dat doet niet ter zake. De leeftijd brengt een mens niet tot de kennis van het Evangelie, en de jonkheid kan ons van dat Goddelijk onderwijs niet afhouden. Naaman is toch ook door een dienstmeisje onderwezen in de Evangelieleer van Elisa en dat was hem tot zegen en zaligheid. Daar moest het water van vrije genade ook aan te pas komen, gelijk als hier in deze grote kamer.

Het dienstmeisje kent door Goddelijk onderwijs de kracht van het water der genade, de genade van het Evangelie was haar dierbaar geworden. Met de handigheid van het geloof wordt de vloer besprenkeld met het water van het Evangelie en zie, de kracht van het stof wordt er door gebroken.

Zo lang de kracht van de zonde niet gebroken wordt in het hart, is het niet mogelijk te komen tot de onberouwelijke keus de Heere te vrezen en in Zijn wegen te wandelen.

Maar is dat dan niet krenkend voor Gods heilige wet? In geen geval, want door de genade van het Evangelie wordt Gods heilige wet in het hart geschreven, de liefde Gods er in uitgestort. En dat geeft een dode zondaar stem en opmerking, tekenen van een nieuw geestelijk leven.

De man die de kamer dacht te reinigen met de bezem van de wet, meende dat te moeten doen tot voorbereiding voor het deelachtig worden van een nieuw leven. Zolang de mens door de wet niet gebracht is tot boetvaardigheid, is er geen plaats voor het Evangelie. Hij dacht dit te moeten doen om de wet in ere te houden.

En zeker, de wet moet in de eerste plaats haar recht, haar plaats weer bekomen in ons hart, maar dat kan alleen door het Evangelie. In het Evangelie gaat het om de verheerlijking van Gods wet en daar zij verheerlijkt is door Christus, kan zij alleen door Zijn (ieest geschreven worden in het hart tot onze vernieuwing.

Christus onderwijst ons in zondag twee in de wet der liefde, opdat wij de boosheid van onze vijandschap zouden leren belijden en bewenen voor God. De wet is geestelijk en daarom heeft zij in het geestelijk leven van Godswege de plaats die haar toekomt. God heelt haar gesteld in de hand van Christus tot haar totale verheerlijking. Laat ons in het licht van de Schrift letten op de Goddelijke kracht en in verband daarmee op degezegendeuitwerking van het Evangelie.

In dit grote zondaarshart is de levendmakende kracht van het Evangelie verheerlijkt. Deze persoon is vanuit de staat der ellende gesteld in de staat der genade. Het Evangelie was het zaad der wedergeboorte voor dit zorgeloze hart.

Bij de ingeschapen kennis van God heeft het hart nu door de vernieuwing van de Heilige Geest ook de zaligmakende kennis van God verkregen. Het is versierd met Zijn beeld. De consciëntie is gereinigd door het bloed van Christus en in ere hersteld. Nu oefent het hart zich in het wandelen met een onergerlijke consciëntie voor God en de mensen.

Nu heeft het hart niet alleen een historisch geloof, maar het oefent zich ook in het zaligmakend geloof. Maar hiermee wordt het zaligmakend geloof niet gesteld naast het historisch geloof zoals sommigen ten onrechte menen. Men heeft aan de beschouwing van zijn historisch geloof niet genoeg, het moet worden een geloof dat de Heere aankleeft. Het hart smaakt in de werkzaamheden van het geloof, in de arbeid der liefde en de verdraagzaamheid van de hoop op onze Heere Jezus Christus, door onze God en Vader, Zijn verkiezende liefde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.