+ Meer informatie

HET EVANGELIE VAN CHRISTUS

6 minuten leestijd

5.

Het gaat bij Paulus in de verkondiging van het Evangelie om het getuigenis van de Heilige Geest, dat opkomst uit het leven der genade.

Gezeten voor het aangezicht des Heeren bij het aanroepen van Zijn Naam, zoekt hij de gemeenten daarin te onderwijzen. En dan gaat het alleen om dit word: „En de Heere wrocht mede.” Door Hem alleen is het leven der genade te verwekken in het dode zondaarshart en tot wasdom te brengen.

Naar het oordeel van de valse apostelen kan op de arbeid van Paulus geen zegen rusten, omdat hij de heidenen niet bond aan het doen van de wet door het bloed der besnijdenis. De mens is vanwege de eigengerechtigheid van zijn bestaan uit het verbroken werkverbond er blind voor, daar hij alleen vanuit het souvereine werk van de genade die Christus heeft verworven, de vernieuwing des harten kan bekomen. Dat kan alleen zonder inzicht van des mensen waardigheid in hem verheerlijkt worden. En vanuit dat leven wordt de Heere verheerlijkt en Zijn deugden geprezen.

Paulus is in de gewesten van Syrië en Cilicië gekomen met de opdracht het Evangelie van Christus daar te verkondigen. Door de krachtdadige werkingen van de Heilige Geest werd het tot zegen gesteld. Paulus verplichtte hen met zich te laten besnijden. Hij verbond hen dus niet tot vergeving van de zonden. En zo werden zij levende getuigen van de Heere.

Het werd steeds groter wonder voor hen, dat de Heere tot hen gekomen was met Zijn opzoekende en trekkende liefde en dat zij door Hem vanuit de duisternis gesteld mochten worden in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht. Zij verwonderden zich dat zij gekocht waren met de dure prijs van Zijn bloed om Zijn eigendom te worden door de vernieuwing van het gemoed, opdat zij zouden beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij, in het gaan op de weg van heiligmaking.

En zie, daar kwamen de berichten van de valse boeders tot hen: „Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.” En dat bericht was een bevel, zonder enige vermaning tot behoud of onderwijzing uit het Woord des Heeren. Men had er zich onvoorwaardelijk aan te onderwerpen en zo niet, dan werd men buiten de kerk gesteld. En zo werden de oprechten door deze ontroerende berichten aan het wankelen gebracht, want zij konden niet zalig worden door alleen te vertrouwen op het bloed van Jezus Christus. Het stond onherroepelijk vast, daar viel niet eens over te spreken, het bloed der besnijdenis moest er aan toegevoegd worden tot verbinding aan de wet. Men had de ceremoniële wetten te aanvaarden en getrouw te onderhouden, want dat was nodig om bevrijd te worden van de straf en het eeuwige leven te verkrijgen.

Maar dat de wet der tien geboden haar totale verheerlijking in Christus had, zagen deze valse apostelen niet in. Daar waren zij blind voor. Dat kwam omdat die wet niet in hun hart geschreven stond door wederbarende genade. Ze hadden die wet niet lief en daarom zochten zij haar verheerlijking niet in Christus, maar konden zij het stellen met allerlei menselijke bepalingen waaraan dan eindelijk ook nog de offerande van Christus toegevoegd mocht worden. Maar in het hart van Paulus leefde dit word: „Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.”

Deze twist kwam als vanzelf uit het innerlijke leven van die Joden op, want zij konden niet vanuit hun verlorenheid in Adam naast de heidenen gaan zitten. Zij waren meer, het oude volk des Heeren en op grond daarvan gingen zij zich verheffen en mochten de heidenen in onderwerping aan de wet door de besnijdems in hun gemeenschap opgenomen worden. En dat kan niet met Gods gunst en goedkeuring gepaard gaan. Bij al de genade door de Heere geschonken hebben wij de vernedering des harten nodig om lokkend en vermanend werkzaam te zijn met de onbekeerden, opdat Christus ook in hun harten een gestalte zou mogen krijgen.

Het is te verstaan dat Paulus door de liefde van Christus werd aangespoord tegen die wettische godsdienst te strijden, opdat die ontroerende en wankelende zielen vertroost en versterkt mochten worden. Want die wettische broeders hadden de veidenkingen van het ongeloof en de bestiijdingen van Satan tot hulp, om die wankelende zielen nog meer te verdrukken en moedeloos te maken.

Maar niet alle Joden waren tegenstanders van Paulus. Dat wordt ons tot roem van Gods genade betuigd in dit word: „En ik was van aangezicht onbekend aan de gemeenten in Judea, die in Christus zijn. Maar zij hadden alleenlijk gehoord dat men zeide: Degene die ons eertijds vervolgde verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte.”

In het hart van deze Joden leefde dit word: „Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees teniet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, opdat Hij die twee in Zichzelve tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende; en opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.”

Bij al de tegenstand en scherpe verwijten die op Paulus afkwamen, omtrent het Evangelie van Christus, kreeg hij steun van degenen die hem naar het vlees nog onbekend waren; dat werd door hem gewaardeerd met deze erkentelijkheid; „En zij verheerlijkten God in mij ”

De genade Gods die daartoe in Paulus verheerlijkt werd, gaf deze Joden stof om God te verheerlijken. Daaruit blijkt ons dat zij hier niet met de vleselijke hand die hen aan Paulus bond werkzaam waren, maar met de band die hen bond aan Christus. Het was de innerlijke gemeenschap van de vrijheid die in Hem is door de totale verheerlijking van Gods wet.

Deze wet is geheel onderscheiden van de ceremoniële wetten waartoe men door de besnijdenis verplicht werd, die te onderhouden. Die dienden om de mensen te onderwijzen in het borgwerk van Christus. Maar de wet van Christus, daar zij door Hem is verheerlijkt, behoort tot de natuur van het geloof dat door de liefde werkt. En zo hebben de gelovigen een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens. Zij is niet te scheiden van het leven der genade dat uit God geboren is. En zij haat de wet der zonde die is in de verdorvenheid van ons bestaan. Het is de christelijke strijd die van Christus uitgaat en waarin men alleen door de kracht van Christus kan volharen tot den einde toe. Maar bij de minste verslapping daarin, wijken wij af naar een wettische godsdienst, om onszelf daarmee op de been te houden wat de ongerechtigheid in de hand werkt. Daarom worden wij door de Schrift opgewekt te volharden in het gebed, door Hem aan te kleven, want in Hem is de kracht van het geloof dat de wereld overwint.

Galaten 1 : 21-24

Soest

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.