+ Meer informatie

De pen met de humor van een haai

Conrad Busken Huet zocht, als kind van zijn eeuw, menselijke kunst

7 minuten leestijd

„Zullen wij dan altijd kinderen blijven en ons vermaken met speelgoed? Ziehier een roman, de slordigste die de heer Van Lennep ooit geschreven heeft, (...), een ellenlang verhaal met niet één weldoordacht hoofdstuk er in, niet één fijne of welsprekende bladzijde, krielend van onwaarschijnlijkheden, krakend aan de gang gehouden door de grove mechaniek ener poppenkast-intrige, voor de ene helft gestoffeerd met monsters en duivelinnen, voor de andere met huisbakken engelen van beiderlei geslacht; een roman uit de werkelijkheid, doch waarin de werkelijke dingen en de werkelijke mensen gemist worden, vijf delen vol onbeduidendheden en gemeenplaatsen". Dat is een beoordeling die er niet om liegt. Je zult maar een boek geschreven hebben dat „speelgoed" voor „kinderen", „onwaarschijnlijk", „slordig", „krakend" en „onbeduidend" genoemd wordt!

De schrijver van deze woorden is Conrad Busken Huet (1826-1886), de befaamde — voor menigeen beruchte— negentiende-eeuwse criticus. Over diens kritische werkzaamheid verscheen enige maanden geleden een omvangrijk proefschrift: "Gezond verstand en goede smaak: de kritieken van Conrad Busken Huet", geschreven door Olf Praamstra.

Stijl en durf

De passage hierboven is te vinden in Busken Huets kritiek op "De lotgevallen van Klaasje Zevenster" van Jacob van Lennep. De Kritiek verscheen in de periode dat Busken Huet nauw betrokken was bij Potgieters tijdschrift De Gids, de "blauwe beul". In dat tijdschrift kreeg hij alle ruimte —zoveel ruimte dat dit tot conflicten leidde. In deze kernperiode van zijn l^ritische werkzaamheid vestigde hij zijn naam als scherp en gevreesd criticus.

Minstens twee aspecten van zijn kritieken komen in het gekozen citaat duidelijk tot uiting. Allereerst zijn stilistisch vermogen. Busken Huet kon schrijven. Wie zijn stukken leest, zal —ook al is men het er inhoudelijk niet mee eens— steeds zinnen en beelden, omschrijvingen en typeringen tegenkomen die stilistisch meesterschap verraden.

In de tweede plaats had Huet de moed gevestigde reputaties omver te kegelen. Misschien zag hij het zelf niet eens als durf en waarschijnlijk had hij zelf lang niet altijd door hoe scherp zijn pen — met de humor van een haai— was. Inschattingsvermogen was niet zijn sterkste kant! Het ging de criticus namelijk om niveau en daarbij hanteerde hij een Europese norm. Nederlandse poëzie en romans beoordeelde hij met in zijn achterhoofd het werk van Goethe en Byron, van George Ehot en Victor Hugo. En dat verklaart voor een goed deel zijn felheid: literair werk dat ver beneden het Europees peil bleef of werk dat beneden het kunnen bleef van een auteur moest aan de kaak gesteld worden.

Leven en werk

De studie van Praamstra geeft een uitvoerig overzicht van Huets kritische arbeid —en de verschuivingen daarin — van 1855 tot 1886, toen Huet in Parijs stierf met de pen in de hand. Daarnaast ' geeft het boek de hoofdfasen van Huets leven waaraan die arbeid gekoppeld is: de periode als predikant van de Waalse gemeente in Haarlem (tot 1862), de periode van De Gids (tot begin 1865), de Indische jaren (1868-1876) en ten slotte de laatste periode in Parijs (1876-1886). Praamstra's opzet is enigszins vergelijkbaar met Huets kritieken: in het voetspoor van de Franse criticus Sainte-Beuve plaatste Huet het te beoordelen werk steeds tegen de achtergrond van leven, levensbeschouwing en maatschappelijke omstandigheden van de auteur. Die aanpak was toen modern en had tot doel tot meer psychologisch inzicht van de auteur te komen en tot meer begrip van het literaire werk, maar is nu al lang achterhaald. Deze benaderingsmethode kon leiden tot een zeer scherpe veroordeling. Men leze bij voorbeeld~zijn opstel over Jacobs Cats.

Religie en kunst

Busken Huet is begonnen als criticus met een duidehjke protestants christelijke achtergrond. Tijdens zijn predikantschap was hij overigens geen vertegenwoordiger van de orthodoxe richting. Als student onderging hij grote invloed van J. H. Scholten, sedert 1846 hoogleraar in Leiden en vertegenwoordiger van de modernistische stroming. Het modernisme in de negentiendeeeuwse theologie heeft zijn wortels in de achttiende-eeuwse Verlichting en zijn uitlopers naar het twintigste-eeuwse vrijzinnig-protestantisme.

Op basis van de moderne wetenschapsbeoefening werd het gezag van de Bijbel sterk ondergraven. Het ging om feiten. Wonderen zoals de Bijbel die tekent waren voor de modernist geen feiten. Openbaring moest wijken voor verstand. Een vergaande bijbelkritiek was het gevolg. En dit kon weer leiden tot het verlaten van de kerk en vervolgens het vaarwel zeggen van het christelijk geloof.

Zo ging het bij Busken Huet. Zo ging het ook —om nog enige namen te noemen— bij Allard Pierson en Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Na 1860 gaat bij Huet kunst de plaats innemen van de godsdienst. In de steeds pessimistischer levensvisie van Huet bleef nog één troost over: de kunst. Zo werd kunst als het ware zijn nieuwe religie, zijn 'enige troost' in dit leven, in een tijd van neergang, en zonder zicht op een ander leven.

Christelijke kunst?

In 1864 —zo lezen we in Praamstra's boek— is Huet zover opgeschoven dat hij niet meer gelooft in de toekomst van het christendom en evenmin in een kunst die christeFijke waarden uitdraagt. Overigens kon hij het belijdende, orthodoxe christendom na zijn levensbeschouwelijke wending méér waarderen dan het modernistisch christendom waartoe hijzelf had behoord. Zo had hij waardering voor de schrijfster Bosboom-Toussaint, al was hij van mening dat haar godsdienstige overtuiging haar kunst in de weg stond.

christelijke kunst die gedrevenheid uitstraalt —in zijn terminologie: passiewees hij niet af. Wél was hij ervan overtuigd dat alleen menselijke kunst toekomst had.

In 1864 sprak hij de volgende woorden die het bovenstaande onderstrepen: „(...) Ik ben ervan overtuigd dat er een tijd was, waarin de christelijke kunst een macht was. Ik denk bovendien dat de grote en magnifieke tradities van de christelijke kunst door een hele groep kunstenaars wordt voortgezet, (...). Ik ontken het bestaan van de christelijke kunst niet, hoewel ik heel andere voorkeuren heb; ik ben voor de menselijke kunst. Ik ben een kind van deze eeuw". Zo is Huet niet "de schaamte voorbij", maar wel het christendom voorbij.

Relatie tot Tachtigers

De studie van Praamstra bevat zeer veel gegevens. Slechts enkele aspecten heb ik kunnen aanroeren. Helaas werken de vele details versnippering in de hand. De grote lijn dreigt door de grote hoeveelheid details nogal eens onder te sneeuwen. En de opzet van het boek —de verbinding van leven en werk— brengt veel herhalingen met zich mee. Bij een sterkere concentratie op de hoofdzaken had het boek zeker 100 pagina's minder kunnen bevatten. In elk geval wordt duidelijk dat Huet als criticus verschillende perioden heeft gehad —niet losstaand van zijn levensbeschouwelijke ontwikkeling— en dat hij verschillende optieken hanteerde.

Verder moet zijn relatie tot de Tachtigers genuanceerd worden. Tachtig heeft hem te zeer ingelijfd of latere geschiedschrijvers hebben hem te gemakkelijk bij Tachtig geplaatst. Duidelijk is dat Huet een vergaand realisme —met aanstootgevende passages— afwees, al schoof hij in dit opzicht ook op. Een kunstenaar moest in het weergeven van de werkelijkheid volgens Huet een zekere terughoudendheid betrachten. Ook wees hij het "l'art pour l'art" in zijn uiterste consequenties af, omdat het in strijd was met zijn ideeën over het schone, ware en goede, een soort platonisch ideaal. Realisme op zich schoot in de visie van Huet te kort; het moest samengaan met idealisme.

Invloed

Conrad Busken Huet was „schrijver van beroep en roeping", zoals Jan en Annie Romein hem typeren. Hij stierf in 1886 in Parijs —Nederland was hem te benauwd— met zijn wapen in de hand: zijn vrouw Anne vond hem dood aan zijn schrijftafel.

De invloed van I-Iuet is het grootst op de literatuurgeschiedenis. Daarin werken zijn oordelen door. Zijn 25 delen Litterarische Fantasiën en Kritieken vormen de kern van zijn kritisch oeuvre, maar Praamstra heeft veel meer kritieken boven water gebracht die niet gebundeld zijn. Wie de grote literaire handboeken leest -bij voorbeeld dat van Knuvelder—, zal daarin nogal eens oordelen en verwijzingen tegenkomen die teruggaan op Busken Huet.

In zijn visie op het christendom -hij tekende het christelijk geloof als een "psychologisch verschijnsel" en de christelijke beschaving zag hij als iets wat onvermijdelijk zou teloorgaan- is hij 'modern'. Men denke aan Nietzsche.

Wie de ontwikkelingen in de litera»fe>f | tuur van de twintigste eeuw beziet —onder meer gekenmerkt door het feit dat de christelijke levensbeschouwing steeds meer een gepasseerd station is- en verbindingslijnen trekt met auteurs in de negentiende eeuw zoals Multatuli en de Tachtigers, zal ook niet voorbij kunnen gaan aan Busken Huet. N.a.v. "Gezond verstand en goede smaak. De kritieken van Conrad Busken Huet", door Olf Praamstra, 476 pagina's; Uitg. Ernst & Co; Amstelveen, 1991; prijs 65 gulden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.