+ Meer informatie

MOET EEN PREDIKANT NOG HUISBEZOEK DOEN?

8 minuten leestijd

Op het eerste gezicht is de vraag die als titel dient, een merkwaardige vraag. Elk gemeentelid in ons kerkverband zal die vraag meteen bevestigend beantwoorden. Een dominee die niet op bezoek komt bij de gemeenteleden—dat is toch een onmogelijkheid? We hebben toch geen predikant beroepen om alleen maar wat te preken, te catechiseren en te vergaderen !

In de tweede plaats is de vraag merkwaardig door het woordje ‘nog’. Alsof een gewoonte van vroeger vandaag niet meer mogelijk is. Vroeger kon dat, vroeger gebeurde dat, maar vandaag niet meer.

Of zit de crux van de vraag in het woord ‘huisbezoek’?

Laten we eens kijken naar de achtergrond en de bedoeling van de vraag.

De opdracht

In het formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, zoals we dat vinden in de Liturgische Formulieren, vastgesteld door de generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1968/69, 1971/72 en 1974, staat: ‘Tot het herderlijk werk behoort het bezoeken van de gemeente in getrouwheid, met zorg en liefde, naar de opdracht van de grote Herder der schapen’, met een verwijzing naar Johannes 21,15–17, waar de opgestane Heiland Petrus de drievoudige opdracht geeft om de lammeren en de schapen van de kudde te hoeden en te weiden.

Het ‘bezoeken van de gemeente’ is de vijfde taak die in het formulier genoemd wordt, na het verkondigen van het Woord, het bedienen van de sacramenten, het aanroepen van de naam des Heren en het onderrichten van de jeugd.

In de kerkorde vinden we in artikel 16, waar het gaat over de taak van de dienaren des Woords, geen expliciete vermelding van het bezoeken van de gemeente, c.q. het doen van huisbezoek. Impliciet staat het er wel, als we lezen ‘dat zij tucht oefenen met de ouderlingen’. En tucht is toch allereerst, dat er vermaand wordt.

In het reglement op de kerkvisitatie (bijlage 25 bij art. 44) wordt in hoofdstuk I over de dienst des Woords en der sacramenten—ambtswerk predikant(en)—in vraag 8 wel duidelijk het huisbezoek en de pastorale arbeid aan de orde gesteld, wanneer daar in drie zinnen gevraagd wordt: Legt de predikant ook huisbezoek af? Bearbeidt hij elk gezin/adres van de gemeente? Is hij trouw in zijn pastorale arbeid?

Samenvattend kan gezegd worden, dat het bezoeken van de gemeenteleden in de artikelen van de kerkorde genoemd wordt in het kader van de tucht; dat in het bevestigingsformulier de ‘massieve’ uitdrukking ‘het bezoeken van de gemeente’ gebruikt wordt en dat in het reglement op de kerkvisitatie het woord huisbezoek gebezigd wordt.

Huisbezoek en huisbezoek zijn twee

Het woord huisbezoek wordt in ons kerkelijk spraakgebruik gebezigd voor het jaarlijkse (?) bezoek, dat door twee ambtsdragers bij elk gezin/adres van de gemeente gebracht wordt. Het is het bezoek, waarin geïnformeerd wordt naar de vrucht op de prediking, het verlangen naar het gebruik van de sacramenten, het meeleven in het gemeentelijk leven, de zorgen en de vreugden van het gezins- en geloofsleven.

Toen onlangs een catechisant bij het binnenkomen tegen me zei: ‘Dominee, het is vanavond dubbelop, want straks krijgen we huisbezoek’—dan weten we allemaal, ouderen en jongeren, wat er bedoeld wordt.

De titel van dit artikel raakt de vraag, of één van die twee ambtsdragers de predikant (nog) moet zijn.

Wanneer een predikant op bezoek gaat in de gemeente, dan vallen zijn bezoeken in tal van categorieën uiteen. Hij gaat op ziekenbezoek, ziekenhuisbezoek, verpleeghuisbezoek, bejaardenbezoek, kraambezoek (al dan niet vergezeld van zijn vrouw), doop-bezoek, felicitatiebezoek, condoleantiebezoek en ga zo maar door. Als het goed is, is elk van die bezoeken een pastoraal bezoek, waarin de predikant in de gestalte van de herder zijn schapen opzoekt in hun onderscheiden noden en behoeften.

Dat hij zich daarbij niet mag laten leiden door zijn eigen voorkeur—zodat hij alleen op bezoek komt bij zijn vriendenkring of, zo men wil, fanclub—is de achtergrond van de visitatievraag: bearbeidt hij elk gezin/adres van de gemeente? De herder heeft altijd weer te maken met schapen die de herder niet zo welwillend gezind zijn, die hem om zijn persoon of zijn woord niet zo graag mogen. Toch is het opdracht van de Opperherder, dat hij getrouw is en ook daarheen gaat, waar hij liever voorbij zou gaan.

Afgezien van een ziekenhuis- en een verpleeghuisbezoek vinden de bezoeken van een predikant meestal aan huis plaats en kunnen dus huisbezoeken genoemd worden.

Het zal duideiijk zijn, dat we over twee soorten huisbezoeken spreken. Om echter zuiver te zijn in ons taalgebruik: als de predikant op bezoek gaat in de gemeente, wat voor soort bezoek dat dan ook is, noem ik dat een pastoraal bezoek; wanneer de ambtsdragers op het jaarlijkse bezoek komen, noem ik dat een huisbezoek.

De praktijk

Het is me op kerkvisitaties nogal eens overkomen, dat de broeders op de eerste vraag van 1,8 een ontkennend antwoord gaven—nee, onze dominee gaat niet mee op huisbezoek -, terwijl ze op de tweede en derde vraag een voluit bevestigend antwoord gaven: hij probeert elk gezin/adres van de gemeente te bearbeiden en is getrouw in zijn pastorale arbeid.

En dan zijn we precies bij de vraagstelling van dit artikel. Zouden de broeders op die eerste vraag ook positief moeten antwoorden? Was dat in vroeger jaren dan wel het geval?

Om met dat laatste te beginnen: ik vermoed van wel. Harde cijfers heb ik daar niet voor. Wel herinner ik me de verhalen uit m’n eerste gemeente, dat één van mijn voorgangers ‘s ochtends op tijd van huis ging—op zijn Solex -, een ouderling oppikte en in de buitengebieden van de gemeente huisbezoeken aflegde, de hele dag lang, terwijl ze dan onderweg bij een gezin bleven eten.

Of het verhaal uit een genabuurde gemeente, waar de predikant na de zomervakantie huisbezoeken deed tot het moment dat de catechisaties begonnen. Dat was dan niet na de jeugdzondag, maar na de dankdag; er werden catechisaties gehouden van dankdag tot biddag. Daarvan zeggen we vandaag: dat was wel een heel kort seizoen, maar dat terzijde. Hoewel de eerlijkheid wel gebiedt te zeggen, dat je natuurlijk zonder catechisaties heel wat avonden tot je beschikking hebt tussen de tweede zondag van september en de eerste woensdag van november.

Heel voorzichtig durf ik wel de conclusie te trekken, dat het vroeger gebruikelijker was dan tegenwoordig, dat een predikant meeging op de jaarlijkse ronde huisbezoeken.

Wenselijk? Mogelijk?

Moet dat vandaag nog gebeuren? Is het noodzakelijk of wenselijk? Of moeten we het er helemaal maar niet over hebben?

Het lijkt me zonder meer een goede zaak, wanneer de predikant deelneemt aan het ‘gewone’ huisbezoek en wel om drie redenen.

In de eerste plaats om het feit, dat hij dan ook in ‘normale’ situaties in gezinnen komt. Met opzet staat het woord normaal tussen aanhalingstekens. Wordt de pastorale agenda niet al te vaak gevuld met ‘bijzondere’ gevallen van ziekte, geboorte, jubilea, sterfgevallen? Is het voor hem geen uitermate goede zaak, wanneer hij op het huisbezoek verneemt, wat het Woord dat hij brengen mag doet in het gewone leven van elke dag, zonder dat er speciale omstandigheden zijn?

In de tweede plaats kan het huisbezoek ook voor de predikant een leermoment zijn. Wanneer de predikant met een ervaren ouderling, die, ik zeg het maar heel gewoon, zijn pappenheimers kent en die weet wat er op het huisbezoek aan de orde moet komen, op stap gaat en luistert, dan kan hij daarvan leren. Ik kom daar straks in de conclusies op terug.

In de derde plaats, maar dat is een bijkomend voordeel, kan ook tijdens het samen afleggen van huisbezoeken de band groeien tussen de dominee en zijn ouderlingen. Je leert als dominee dan ook je ouderlingen kennen en wat kan het niet goed zijn om na afloop van het huisbezoek het gesprek samen te evalueren.

Of het ook mogelijk is?

Die vraag is veel moeilijker te beantwoorden. Want dat hangt van zoveel factoren af. Van de grootte van de gemeente, van de zaken die in het gemeentelijk leven aan de orde zijn, van de werkkracht van de predikant, van het feit, of hij taken gekregen heeft van bredere kerkelijke vergaderingen.

Ik kan voor een ander niet beslissen. Dat hoeft ook niet. Persoonlijk kom ik er niet aan toe om mee te draaien op de reguliere huisbezoeklijst. Ik heb het wel geprobeerd en ik denk daar toch wel met vreugde aan terug. En als een wijkouderling mij aanschiet en vraagt: Wilt u meegaan naar dat adres, dan ga ik mee.

Conclusies

Het geheel is in een drietal conclusies samen te vatten:

1. Laten predikanten die in hun eerste gemeente staan, hun best doen om met hun ouderlingen op huisbezoek te gaan. Zij hebben doorgaans niet de grootste gemeenten en zij hebben nog niet het werk van deputaatschappen en bredere kerkelijke vergaderingen. Zij kunnen er veel van leren.

2. Laten kerkenraden van grotere gemeenten en van predikanten die ook andere taken in het kerkverband gekregen hebben, het hun predikanten niet kwalijk nemen als zij niet meedraaien in het huisbezoek. Maar ouderlingen in die omstandigheden moeten er tegelijkertijd niet voor terugdeinzen om, wanneer zij dat wenselijk en noodzakelijk achten, een beroep te doen op hun predikant om eens mee te gaan op huisbezoek.

3. Laat het van alle dienaren des Woords gelden, wat de apostel Paulus zei tot de ouderlingen van Efeze op het strand van Milete: Gij weet, hoe ik niets nagelaten heb van hetgeen nuttig was om u te verkondigen en te leren in het openbaar en binnenshuis (Hand. 20,20).

Ds H.J.Th. Velema (1954) dient sinds 1995 de gemeente van Zierikzee; daarvoor diende hij de kerken van Dokkum (1978) en Ermelo (1988).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.