+ Meer informatie

VOOR WIE IETS LEZEN WIL OVER DE TOEKOMST VAN ISRAËL EN HET DUIZENDJARIG RIJK

11 minuten leestijd

Vragen die actueel blijven

De bijbelse boodschap over de toekomst wordt verschillend verstaan. Dat merken wij allen wel, of wij ambtsdragers zijn of niet en of ons er wel eens vragen over gesteld worden of niet. We behoeven maar te denken aan de boeken van Hal Lindsey en de discussie daarover.

Gelukkig is het punt in kwestie niet, of onze verwachting zich moet richten op de wederkomst van Christus, maar het maakt wel verschil, of daar nog een herstel en een bekering van het volk Israël en een duizendjarig vredesrijk op aarde aan zullen moeten voorafgaan. Zo stellen de chiliasten het en onder hen vooral zij die een wezenlijkon-derscheid maken tussen de gelovigen in de kerk en Israël als volk van God. Men vindt dat het meest bij de dispensationalisten.

Nu hebben in ons blad al eens artikelen gestaan over het chiliasme en over de opvattingen van Hal Lindsey. We zouden de vragen die in geding zijn, ook wel kunnen benaderen met behulp van wat een Amerikaans theoloog schreef over de verklaring van de profetie.

In 1976 publiceerde Philip E. Hughes een kleine studie: Interpreting Prophecy. De ondertitel is: An Essay in Biblical Perspectives. Er is een herdruk verschenen in 1980. Hughes doceert theologie, maar hij heeft dit essay niet alleen voor theologen geschreven. Door de eenvoudige en heldere wijze waarop hij zijn onderwerp behandelt, maakt hij het zijn lezers mogelijk hem van het begin tot het einde te volgen. Het boek kon wel eens uit een serie artikelen zijn ontstaan. Misschien is het daarom minder systematisch en minder volledig dan men wensen zou. Het gaat mij echter niet om een beoordeling van dit geschrift als zodanig, maar om bepaalde gedachten daaruit die het overwegen waard zijn.

Wat zegt Hughes over Israël?

Volgens de Heilige Schrift leven wij in de laatste dagen. De wederkomst van Christus is ophanden. In elke generatie hopen christenen op Zijn verschijning en toch is Hij nog niet gekomen. Wij worden herinnerd aan wat in 2Petr.3 staat: De Here talmt niet met de belofte, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. De verlenging van deze laatste tijd is dus de verlenging van de genadetijd. Het is tevens de tijd voor de verbreiding van het evangelie. In het eerste gedeelte van de studie wordt ingegaan op de vervulling van de oudtestamentische beloften. De beloften van toekomstige zegeningen die door de profeten zijn uitgesproken, vinden hun verwezenlijking in en door Jezus Christus. Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het: Ja (2 Kor. 1: 20). Zo hebben wij in Hem, de eeuwige Zoon van God, die door Zijn vleeswording ook het „zaad van de vrouw” is ge-worden, de sleutel tot het verstaan van de moederbelofte. Ook van de belofte die aan Abraham is gegeven, geldt dat de lijn van de belofte heenwijst naar Christus en dat zij in Christus haar doel bereikt. Daarom kan Paulus Christus het zaad noemen. Alleen in Hem zijn wij zonen van God - door het geloof (Gal. 3: 16 en 26).

Is er een toekomst voor de Jood? Als alleen zij de ware kinderen van Abraham zijn, die door het geloof met Christus verbonden zijn, als de eenheid van de gelovigen in Christus het einde betekent van het eeuwenlange onderscheid tussen Jood en heiden, als de levitische offers vervangen zijn door het ene offer van Christus en de aardse tempel door de geestelijke tempel waarin God voor altijd woont, is het maken van onderscheid tussen Jood en heiden dan nog gerechtvaardigd?

Het antwoord is: ja en neen. Voor allen die één zijn in Christus, is dit verschil volkomen weggevallen. Maar in de aanbieding van het evangelie heeft het nog wel betekenis. Het evangelie is een kracht Gods tot behoud voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek (Rom. 1: 16).

Wat bedoelt Paulus in Rom. 11:12 met de volheid van Israël? In dit hoofdstuk wordt het beeld van de olijfboom gebruikt. De saprijke wortel is de aanduiding van hetver bond van God met Abraham en de daarmee verbonden beloften van genade die in Christus vervuld worden. Er zijn natuurlijke takken waarvan er om hun ongeloof weggebroken zijn en er zijn wilde loten die ertussen geënt zijn. Maar als de Joden niet bij hun ongeloof blijven, zullen zij opnieuw geënt worden op hun eigen olijf.

Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat. En aldus zal gans Israël behouden worden (Rom. 11: 25,26). Gans Israël is hetzelfde als de volheid van Israël. Zo is er sprake van een volheid van de heidenen en van een volheid van Israël.

De volheid van de heidenen zal bereikt worden, als de verkondiging van het evangelie aan alle volken van de wereld voltooid is. Ook de volheid van Israël zal volgens Hughes bereikt worden door de verbreiding van het evangelie. Er is een onderlinge samenhang. De Joden zullen ervan overtuigd worden, dat God, die rijk is in barmhartigheid voor ieder gelovige uit de heidenen, ernaar uitziet om de schatten van Zijn genade in Christus evenzeer aan hen te schenken. En tegelijk zal het feit, dat vele Joden Jezus als hun Messias zullen erkennen, een machtige geestelijke zegen voor de wereld zijn.

De verklaring die Hughes van de veelbesproken woorden van Paulus in Romeinen 11 geeft, is dus deze, dat het binnengaan van de volheid van de heidenen zal samenvallen (coinside) met het binnengaan van de volheid van Israël.

Dit dubbele doel zal op hetzelfde ogenblik bereikt worden en dat zal ook het ogenblik van de wederkomst van Christus zijn. Paulus verlangde ernaar deze vervulling nog in zijn dagen te zien en wij moeten ernaar verlangen haar te zien in onze dagen, maar het verlangen moet vergezeld gaan van een ijver voor de verbreiding van het evangelie die vergelijkbaar is met die uit de apostolische tijd.

Wie bij de woorden over gans Israël of over de volheid van Israël wil denken aan de bekering van alle Israëlieten vóór de dag van de wederkomst, zal bij de volheid van de heidenen waarover de apostel spreekt, ook moeten denken aan de bekering van alle heidenen. Dat is dan consequent. Maar dan gaat men in de richting van het universalisme, dat zowel met het verband (Rom. 11:17-22) in strijd is als met de hele leer van de Schrift.

Bovendien zou het geheel van het Joodse volk dat ten tijde van de wederkomst van Christus leeft, ook nog niet „gans Israël” zijn, maar om zo te zeggen alleen de „top van de nationale ijsberg” waarvan het grootste deel onzichtbaar is, omdat het behoort tot de generaties van het verleden.

Het gaat Paulus om het volle getal van de Joden die de boodschap van het evangelie door Gods genade horen en door het geloof aannemen. De volheid van de heidenen is het volle getal van de gelovigen uit alle volken. Samen vormen ze één volheid, de ontelbare schare van verlosten (Openb. 7: 9-17).

Wat zegt Hughes over het duizendjarig rijk?

Hoe beknopt deze studie ook is, in kort bestek brengt Hughes veel naar voren waaraan men niet voorbij moet gaan. Dat geldt niet alleen voor wat hij zegt over de toekomst van Israël, maar ook van wat hij opmerkt over het duizendjarig rijk of millennium.

Volgens het dispensationalisme zou het Oude Testament de tegenwoordige tijd van de christelijke kerk niet hebben voorzien of hebben voorzegd, maar gericht zijn geweest op de oprichting van het messiaanse koninkrijk voor Israël. Toen de Joden zich afkerig toonden van het rijk dat Jezus aan hen predikte, zou de stichting ervan zijn uitgesteld. Toen werd de periode van de kerk ingeluid, maar als een intermezzo. Aan het einde van die periode zal Christus komen voor Zijn heiligen, die opgenomen zullen worden om Hem tegemoet te gaan in de lucht. Dan volgt er een tussentijd van zeven jaren, waarin eerst vele Israëlieten Jezus als hun Messias zullen aanvaarden en een geweldig evangelisatorisch program zullen uitvoeren in de wereld, terwijl direct daarna de jaren van de grote verdrukking aanbreken. Na die zeven jaren komt Christus nogmaals weer, nu niet voor, maar met Zijn heiligen om dan gedurende duizend jaren met hen op aarde te regeren. Jeruzalem zal de hoofdstad van het rijk zijn. De tempel die de profeet Ezechiel zag, zal gebouwd worden en er zullen weer priesters en offers zijn. In dit rijk van vrede, orde en voorspoed zal de soevereine heerschappij van Christus over de aarde zichtbaar gevestigd zijn. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde zullen er pas zijn na het laatste oordeel dat op dit duizendjarig vrederijk volgt.

Dat zijn de hoofdlijnen van het dispensationalistisch chiliasme. In de details is er nog wel enige variatie.

Wij vrezen, schrijft Hughes, dat de dispensationalistische wijze van verklaren geweld doet aan de eenheid van de Schrift en aan de continuïteit van Gods bedoelingen en dat zij op een onzorgvuldige manier het grootste deel van het apostolisch onderricht - vooral dat van de Handelingen en de Brieven - buiten beschouwing laat, als zou dat niet in verband staan met het perspectief van de oudtestamentische schrijvers.

Hij beperkt zich in hoofdzaak tot de betekenis van de duizend jaren en geeft zijn eigen zienswijze, al weet hij, dat Openbaring 20 een moeilijk hoofdstuk is om uit te leggen.

In de eerste plaats is het onbijbels om de kerk als een intermezzo te zien. De belofte van het nieuwe verbond kwam tot Israël en Juda, maar de vervulling ervan vinden we in de gemeente van God, die Hij kocht met het bloed van Zijn eigen Zoon (Hand. 20: 28). Dat bloed is het bloed van het nieuwe verbond.

De duizend jaren van Openb. 20 worden enerzijds gekenmerkt door de binding van de satan, anderzijds door het heersen van de gelovigen met Christus (Openb. 20: 2 en 4). De satan is gebonden, als hij de volken niet meer kan verleiden. Zijn macht over de volken is gebroken door de macht van het evangelie. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde en de Zijnen hebben daarom de opdracht ontvangen alle volken tot Zijn discipelen te maken (Matth. 28: 18-20).

Christus regeert als de verhoogde Here. Hij is gezeten aan de rechterhand van de Vader. Dat is nu al werkelijkheid en niet pas in de toekomst. Er is ook geen aanwijzing in Openb. 20 dat het een rijk zal zijn met een aards middelpunt.

Het is aan een boek als Openbaring eigen om symbolische taal te spreken. Daar zijn voorbeelden genoeg van te geven. Ook de getallen hebben symbolische betekenis, zoals 7 en 666. Maar dat geldt ook voor de duizendtallen, zoals 7000, 12000 en 144000. Waarom niet voor het getal 1000 in de uitdrukking „duizend jaren”?

Er is meer

Men kan hier of daar met een auteur als Hughes van mening verschillen. Maar de uitgangspunten van zijn verklaring zijn schriftuurlijk. Hij heeft oog voor de grote lijn van de heilsgeschiedenis en daarom is de tijd van kerk voor hem geen intermezzo. Hij beschouwt de profetieën niet op zichzelf, maar ziet ze geconcentreerd in de persoon en het werk van de Middelaar.

Hij doet ook in het minst geen pogingen om de profetieën van het Oude Testament en het boek Openbaring actueel te maken door er bepaalde data uit de wereldgeschiedenis bij te halen, zoals dat maar al te veel gebeurt in geschriften over de laatste dingen, waarin het soms wemelt van schema’s en tabellen.

Er is meer te noemen dat men met vrucht ter hand kan nemen. Zo is er van W. Hen-driksen - ook een Amerikaans theoloog - een boek in vertaling verschenen, getiteld: Uitzicht over de dood (1979). Het heeft een andere opzet dan dat van Hughes en het heeft het voordeel, dat het vollediger en overzichtelijker is.

En wij moeten niet vergeten, dat een theoloog uit onze eigen kring zich al jaren heeft bezig gehouden met het laatste boek van de Bijbel en er meer dan eens over heeft geschreven. In zijn studies wijst dr. J. de Vuyst ons de goede weg voor het verstaan van het boek. In een bijdrage van zijn hand over „Recapitulatie en/of successie in Openb. 4: 1-19: 10” (in de bundel Uw knecht hoort, 1979) gaat het wel niet direct over Openb. 20 en nog minder over de toekomst van Israël, maar wie nadenkt over wat gezegd wordt in de passage waarop deze studie uitloopt, vindt er juist dat inzicht in waarop het aankomt. We lezen daar: „Behalve herhaling is de geschiedenis echter tevens voortgang: God en het Lam zetten hun voltooiingsarbeid door naar de gelegenheid en de maat van elke tijd die Zij al werkend doen aanbreken, totdat het laatste sparen, het laatste dreigen, het laatste wreken plaatsgrijpen. Wie gelovig leeft bij deze zekerheid, wakend wachtend, verstaat heel de Openbaring in haar vermanende en bemoedigende strekking”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.