+ Meer informatie

TER OVERWEGING

14 minuten leestijd

Ds. P.N. Ribbers, Met het hart geloven… met de mond belijden… Een uitleg van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Uitgave van de Bond van Christelijke Gereformeerde Vrouwenverenigingen. Rotterdam 1984. 135 biz., f. 9,50.

Op de Bondsdag van de Bond van onze Vrouwenverenigingen, die in mei 1984 gehou-den werd, is een bundel schetsen over de belijdenis gepresenteerd, die ds. Ribbers oor-spronkelijk voor „Contact” geschreven had. Het is een goed idee geweest om het stu-diemateriaal in deze vorm aan te bieden. De uitgave ziet er heel verzorgd uit en we hebben hier nu eens te maken met een boek dat niet duur is!

Op de inleiding over de actualiteit van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de binding aan de belijdenis en de geschiedenis volgt een toelichting van de artikelen van de con-fessie in 38 beknopte schetsen. Telkens wijst de schrijver duidelijk aan, wat de kern en de bedoeling is. Meestal worden er geen namen van theologen bij genoemd, maar wel komt dr. H. Wiersinga erin voor en dat vanwege zijn afwijking van de bijbelse belijdenis van de verzoening.

Van de gehele verklaring is te zeggen, dat ze voor onze tijd gegeven is. Met Problemen en bedenkingen die juist nu naar voren komen, is rekening gehouden. Het werk wordt ook nog door een pastorale inslag gekenmerkt.

Het is een kunst eenvoudig te schrijven en tegelijk veel te zeggen, zoals dat hier ge-beurt. Via de discussievragen, die ik heel goed gekozen vind, komt er ook nog heel wat ter sprake.

Het zou jammer zijn, als alleen de leden van vrouwenverenigingen gebruik zouden ma-ken van deze gebundelde schetsen. Ook leden van andere verenigingen kunnen er winst mee doen. Maar bovendien is aan ambtsdragers te denken die hun inzicht in de belijdenis willen verrijken. Ze zullen vragen die wel eens aan hen gesteld worden, b.v. over de regering van God, de uitverkiezing, de kerk en de sacramenten, wellicht des te beter kunnen beantwoorden. Dit boek is dus aan velen aan te bevelen!

H. Faber (redactie), Pastoraat - balans en perspectief. 2, 209 biz. Uitg. Kok, Kampen 1984, f. 37,50.

Het eerste deel werd reeds besproken. We treffen hier drie afdelingen aan: Aspecten van het pastoraat, met als onderwerpen: Spreken over God en geloof in kerkdienst en pastoraat; Pastoraat bij sterven en verlies; De ziekenhuispastor bij de kinderen; Ervarin-gen met het begeleiden van religieuze leefgroepen; Gezinstherapie en pastoraat.

Daarna: Studies op het terrein van de godsdienstpsychologie. Het is mij niet helemaal duidelijk, waarom de bijdrage van dr. Zijlstra: „Pastor - een ,onmogelijk’ beroep”, hier een plaats heeft gekregen. Weliswaar behandelt de schrijver het onderwerp sterk vanuit de godsdienstpraktijk. Doch het is een bredere, en vooral bijbelser aanpak waard.

De laatste rubriek heet „Bezinning”. Waarom de bijdrage van Houtsma: „Groepspasto-raat: model uit de kerkgeschiedenis” hier een plaats heeft gekregen is mij opnieuw niet duidelijk. Het past mijns inziens beter bij de eerstgenoemde rubriek uit dit tweededeel. Blijkens de inhoudsopgave zijn twee bijdragen eerder elders versehenen. Dat geldt echter ook, hoewel niet aan het begin vermeid, van de bijdrage van Andriessen en mevr. Halkes, terwijl dr. Stang een samenvatting van zijn proefschrift schreef.

Het is meer een bundeling van verscheiden bijdragen dan studies rond het thema. Men krijgt een behoorlijke oriëntatie in de gedachtenwereld van de hedendaagse pastorale theologie, zowel in haar theorie als in haar praktische toepassing. Het slothoofdstuk van prof. Faber is karakteristiek voor de teneur van heel de bundel. De pastorale Psychologie is vanuit Amerika opgezet, gestimuleerd en verbreid, maar is - min of meer - in de eerste fase blijven steken. Europa moet nu vanuit eigen situatie, die anders is dan in Amerika, aan de gang, in dialoog met Amerika. Daarbij moet met de geseculariseer-de wereld en het anders zijn van de niet-westerse culturen rekening gehouden worden.

De conclusie is schraal, maar eerlijk. Kennelijk bevinden de geleverde bijdragen zieh ook nog in het stadium dat aan de bezinning voorafgaat. Daarmee heeft de eindredac-teur het boek beter getypeerd, lijkt me, dan een recensent het kan doen! Of wreekt zieh in dit oordeel opnieuw het feit dat ook deze bijdrage reeds eerder en nog wel voor Amerikaanse lezers, werd geschreven?

We missen ook nu de duidelijke relatie tussen Bijbel en godsdienstpsychologie/pastora-le Psychologie.

Drs. O. Mooiweer, Geschenk en Opdracht. Bijdragen over de prediking, de eredienst en het gemeenteleven. 102 biz., f. 14,50. Uitg. Van den Berg, Kampen 1984.

Dit is een mooie bundel opstellen over de genoemde onderwerpen. Op heldere wijze behandelt de auteur verschillende facetten van de prediking, van de eredienst en van het pastoraat. De hoofdstukken zijn eerder als artikelen versehenen of als voordrach-ten voor Studenten en gemeenteleden gehouden.

Ik waardeer deze bundel als een handzame hulp voor bespreking van genoemde onderwerpen in een kring of op een vereniging. Ambtsdragers kunnen er hun winst mee doen. Ik zou de schrijver niet willen nazeggen dat de samenvatting van de wet door Christus in Mattheus 22 slechts een herhaling is van de decaloog en daarom beter achterwege kan blijven in een kerkdienst (biz. 55). De samenvatting geeft uitdrukking aan wat Paulus in Romeinen 13:10 zegt: de liefde is de vervulling van de wet. Gaarne maak ik ambtsdragers op dit eenvoudige en tegelijk inhoudsvolle boekje attent.

Drs. Th. Peppink, Bijbelse overdenkingen. Oude Testament. 90 biz., f. 14,-. Uitg. Van den Berg, Kampen 1984.

Tal van oudtestamentische teksten worden in dit boekje bemediteerd. Ik vermoed dat weekopeningen en weeksluitingen van een bijeenkomst de plaats zijn waarvoor deze overdenkingen werden geschreven. De auteur opent soms verrassende perspectieven. Hij gebruikt de taal van vandaag. Naar mijn gedachte zou een aantal formuleringen nog wel eens overwogen mogen worden. Te spreken van: geen ingrijpgod (biz. 38) in verband met Ikabood, lijkt me te populair gezegd, gezien de ernst van die situatie. Zou Jona bang geweest zijn om voor een leugenprofeet te worden uitgemaakt (biz. 83)? Zit het niet veel meer vast op zijn weigering om heidenen in het heil van God te zien de-len? De uitdrukking: „een verbond sluiten is geen kunst; het te houden zoveel meer” (biz. 32) lijkt me door de schrijver zelf op biz. 34 te worden weersproken. Ik gaf enke-le voorbeelden. In elk geval een boekje dat tot nadenken, en soms tot het maken van tegenwerpingen prikkelt. Ik denk dat het juist daarom is geschreven.

Anno Domini 1983. Het jaar 1983 in woord en beeld. Een jaarboek op basis van het Nederlands Dagblad, met nieuws per dag, commentaren en nieuwsachtergronden. 144 biz., f. 28,50. Uitg. De Vuurbaak, samen met het ND, Amersfoort 1984.

Met veel genoegen kondig ik de verschijning van dit boek aan. Het geeft een overzicht van wat er per dag aan nieuws was in de kranten van 1983. Daarnaast vindt men ge-deelten van commentaren uit het ND en foto’s. Een inleidende beschouwing en een overzicht van het weer, ontwikkeling in de werkeloosheid, overzicht van de Nederlandse kabinetten en van het Europees Parlement.

Ik vind dit een waardevol foto- en commentaarboek van het jaar 1983. Wie de voor-gaande bundels heeft, zal deze ook willen bezitten. Wie er nog niet mee begonnen is, kan nu een begin maken. Het is een mooie serie.

Drs. A. Kamsteeg, Vrede in beweging. ND Cahier nummer 3. 84 biz., f. 9,85. Uitg. De Vuurbaak, Groningen 1984.

In dit boekje zijn 14 artikelen gebundeld die de auteur in het ND heeft geschreven over de vredesbeweging. Feitelijke gegevens en gebeurtenissen worden becommentarieerd. Enkele interviews (o.a. met Luns) zijn erbij. Het boekje geeft een aardig inzicht in wat er zo al rondom de plaatsing van kruisraketten is gezegd en gedaan, in ons land en in Europa. Het is een handig en instructief boekje.

Drs. P.M. van Haeften e.a.. Sociale zekerheid. 93 biz., f. 12,90. Uitg. De Vuurbaak, Groningen 1983.

Dit boekje bevat de referaten die gehouden zijn op een congres dat in gereformeerde (vrijgemaakt) kring werd gehouden (GSEV en GMV). Het is een terzake kundig, maar hier en daar vrij technisch boekje met gegevens over de sociale voorzieningen, ontwik-kelingen, vooruitzichten en een gewenste koersbepaling. De globale schets over de ont-wikkelingen in het Nederlandse stelsel lijkt me waardevol. Zo ook de bijdrage van de hoofdredacteur van het ND, drs. De Vries, over Sociale zekerheid 1957 -1982.

Een al te duidelijke conclusie wordt niet getrokken. Wel wordt gewezen op de ontwik-kelingen binnen eigen kring en daarbuiten. Het zou goed zijn als minstens een van de diakenen van dit alles goed op de hoogte is. Deze broeder vindt hier goed instructie-materiaal.

B.J.ZijI, Adoptie. Korte handreiking over de ethische aspecten van adoptie. 16 biz., f. 3,95. Uitg. Stark, Texel.

Blijkens de laatste bladzijde is deze brochure bedoeld als een artikel. Het handelt voor-al over de vraag waarom we in de Bijbel vrijwel nergens voorbeelden van adoptie tegen-komen. Uitzonderingen zijn Mozes, zonen van Jozef en Esther. Indeomliggende landen werd geadopteerd op gronden die voor Israel onaanvaardbaar waren. Gods openbaring wees een heel andere weg. Hoe men vanuit die Openbaring toch tot de aanvaarding van adoptie kan komen, wordt hier niet besproken. De ondertitel is dan ook veel te breed en dekt de inhoud niet. De historische vergelijking is interessant. Verder stelt dit geschrift teleur.

E, Hofman, Literatuur met de Bijbel. Een beknopt overzicht van de literatuur tegen de achtergrond van de Gereformeerde Gezindte. Deel 11 uit de Reformatie Reeks, 135 biz., f. 19,90. Uitg. Kok, Kampen 1984.

De schrijver is neerlandicus te Gouda en voorzitter van „Schrijvenderwijs”. Dat is een kring van auteurs, die afkomstig zijn uit de gereformeerde gezindte en daartoe ook willen behoren.

Over hun werk èn ter stimulering van hun werk is dit boek geschreven. Die Stimulans is nodig, gezien de soms negatieve reacties op hun werk. Een nieuwe aanpak of verwoor-ding wordt dogmatisch beoordeeld; of zij komen zelf niet boven dogmatische, traditio-nele verwoording uit.

De titel van het boek is ingewikkeld en te breed voor de bedoeling van de auteur. Ik noem nu eerst de titels van de hoofdstukken: na de inleiding (1), Een vuist vol visies (2), een verkenning in opvattingen over wat christelijke literatuur is. Terug naar de bron (3), aan de hand van analyse van een vroeg Nederlands (voorćalvinistisch) gedieht een poging om het begrip bijbelse literatuur te omschrijven. Norm (4), nadere uitwer-king van het voorgaande hoofdstuk. Rondblik (5), bespreking van namen van schrijvers en dichters die tot de gereformeerde gezindte behoren, met een zeer summiere type-ring van hun werk. Kernen (6), inhakend op hoofdstuk 3 en 4, een bespreking van het verschil tussen getuigenispoëzie en bijbelse poëzie met literaire waarde, literaire kritiek (haar opdracht en haar feitelijk functioneren in de gereformeerde gezindte), het literaire klimaat in de gereformeerde gezindte.

De auteur is zeer belezen. Erstaan opmerkingen en overzichten in dit boek die waarde-vol zijn. Bepaalde gegevens zullen voor velen onbekend zijn.

Ik heb wat moeite met de opbouw van het boek. Een zieh herhalende uitbreiding, ter-wijl in het laatste hoofdstuk heel verschillende Problemen onder één noemer worden samengevat. Wat maakt nu een produkt tot kunstwerk? Wat is het verschil tussen literatuur en lectuur? Alleen de taalbeheersing en de persoonlijke worsteling? Hoort hier-bij ook niet (om met dr. De Gier te spreken) dat er minstens twee lagen in het werk zitten? Dat er meer betekenissen aan het ene gegeven ontdekt kunnen worden?

Ik vroeg mij af of het terecht is, dat er op biz. 128 gesproken wordt van een meege-sleept worden in het kielzog van neo-calvinisten. Van wie geldt dat? Waarin blijkt dat? Welke neo-calvinisten zijn bedoeld, van vóór 1950 of van daarna?

Niet alles is mij even duidelijk. Niettemin heeft de auteur een moedige poging gewaagd om een handreiking te doen. De gereformeerde gezindte zou meer waardering (en gebed!) moeten hebben voor hen die uit haar opkomend, worstelen om literair bezig te zijn. Dit boek heeft iets van een spiegel, waarin te zien ons beschaamd maakt.

Dr. G.L. Goedhart, Gemeenteopbouw, om dienende, vierende, lerende en delende gemeente te worden. 140 biz., f. 22,50. Uitg. Kok, Kampen 1984.

De vier trefwoorden uit de ondertitel zien op diaconaat, op verkondiging en liturgie, op het leeraspect van dienen, vieren en delen, op delen in de zin van deel hebben aan Jezus Christus en deel krijgen aan elkaars leven.

Wie dit overzicht op zieh laat inwerken, wordt getroffen door de eerste plaats van het diaconaat. Het vieren gaat in het tweede hoofdstuk vooraf aan de dienst van het Woord. Lerende gemeente zou kunnen zien op de catechese, en doet dat ook. Tegelijk wordt in bredere zin de betekenis van het leerproces hier behandeld. Dit is eigenlijk een thema dat alle hoofdstukken raakt. Het vierde hoofdstuk „delende gemeente” overlapt voor een deel het eerste hoofdstuk: „dienende gemeente”. Ik schrijf dit niet om tegen-over de auteur onvriendelijk te zijn. Al lezend vroeg ik me telkens af, met welk thema we nu bezig zijn. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat er veel dubbel behandeld wordt. Het karakter van de gemeente, theoretische en praktische betekenis van het leerproces, zouden m.i. apart behandeld moeten zijn. Dan zouden verkondiging, viering, catechese en dienst aan de orde kunnen zijn gekomen. Op biz. 132 lezen we: dit (vierde) hoofdstuk had ook heel goed het eerste van het boek kunnen zijn. Hier wordt de structuur van de gemeente besproken (biz. 118-120). Doch is die ook niet reeds in hoofdstuk 1 aan de orde geweest? Ik zou de schrijver niet willen nazeggen: pastoraat is geen aparte dimensie van het gemeente-zijn, doch behoort tot het wezen van de gemeente als gemeenschap (biz. 131). Wat dan met het ambtelijk pastoraat? En bovendien, is een wezenskenmerk niet zelf een dimensie?

Er worden veel praktische aanwijzingen gegeven. Wie ze temidden van de toch wel ver-warrende opzet weet op te pikken, kan er zijn winst mee doen. De tendens van het boek zou ik willen typeren als: uit de functies blijkt het wezen. Dat lijkt me geen juist ver-trekpunt. Het ambt is zo eigenlijk ook niet meer dan een functie van de gemeente. De centrale plaats van het Woord en de Woordverkondiging heeft onder het uitgangspunt te lijden. Belangrijk acht ik het bezig zijn met bijbelse noties door heel het boek heen. Deze worden echter opgenomen in de functionalisatie, waaraan de gemeente wordt on-derworpen. Tegenover een star, statisch gemeente-zijn, biedt dit boek tegenwicht. Het is echter doorgeslagen naar de tegenovergestelde kant. Waardevol acht ik de brede lite-ratuurverwijzing achter elk hoofdstuk. Ons ouderlingenboek ontbreekt in die lange rij.

Handboek van de wereldgodsdiensten. Nederlandse bewerking H.T.Wolters en L.Wol-ters-Burghout. 448 biz., f. 49,95. Uitg. J.N. Voorhoeve, ’s-Gravenhage 1983.

Dit boek behoort tot een serie, waarvan we reeds bespraken: „Handboek bij de Bijbel” en „De geschiedenis van het Christendom”. De opzet gelijkt op die van genoemde boe-ken. Twee of drie kolommen tekst per bladzijde, foto’s. tabellen met jaartallen en gegevens over de betreffende godsdiensten (op bruin papier gedrukt). Soms citaten uit godsdienstige geschritten of uit belangrijke studies over de betreffende godsdienst.

De delen zijn getiteld: De ontwikkeling van de godsdienst (1), De oude godsdiensten (2), De primitieve godsdiensten (3), De oosterse godsdiensten (4), De godsdiensten van het geschreven woord (5), Jodendom en Islam, Godsdienst of de vervulling van de godsdienst (6), Het christelijk geloof, Begrippen, namen en feiten (7) (biz. 389-436). Tenslotte register (biz. 438-447).

Meer dan 50 geleerden hebben bijgedragen aan dit interessante, breed informerend boek. Het heeft iets weg van een encyclopedie, maar leest als een roman. Door over-zichtelijkheid en goede registers vindt men snel zijn weg er in. Ik kan me voorstellen, dat het door velen gebruikt zal worden. Het is populair, met een wetenschappelijke ondergrond. De moeite zit voor mij in de vaagheid waarmee de dingen worden weerge-geven; met name waar het gaat over de openbaring van God, het exclusieve van Jezus’ persoon en werk. Jezus Zelf „beweerde” de weg, de waarheid en het leven te zijn (blz. 361). De christen zoekt overal naar sporen van de Geest van Jezus. Ook bij de aanhan-gers van andere godsdiensten, en het verheugt hem als hij ze vindt (blz. 362). De Zoon was afhankelijk van de Vader (blz. 351). De verering van de mens Jezus als de Zoon van God vindt zijn oorsprong in de diepe indruk die hij op zijn discipelen maakte (blz. 342). Het belijdende karakter ontbreekt aan dit boek. Men kan verschillende opvattin-gen aantreffen, soms ook weergave van orthodoxe meningen. Ze worden echter opgenomen in een groter geheel. Wij betreuren deze breedheid en algemeenheid. Het is een boek, dat bewondering wekt, ook al delen wij het uitgangspunt van de schrijvers niet. Wie het kritisch weet te gebruiken, zal er een schat van informatie in vinden. Als voor-beeld noem ik het artikel over het geloof van de Sikhs (blz. 197-206). In kort bestek krijgt men inzicht in wat de Sikhs beweegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.