+ Meer informatie

In aanraking met

1 minuut leestijd

Het Hof maakte in de beginperiode van de EEG snel duidelijk dat het EEGrecht voorrang heeft boven het nationale recht, dus ook boven het grondwettelijk recht van een lidstaat. Lidstaten hebben daardoor niet meer de bevoegdheid om zelf te bepalen of zij zich aan de uitspraken van het Hof zullen houden. Het EEG-recht geldt namelijk direct < voor alle lidstaten op gelijke wijze en dient in het nationale recht verankerd te worden. Er zijn reeds verschillende beleidsterreinen in aanraking gekomen met uitspraken van het Hof. Soms met grote gevolgen voor de lidstaten.

Het Hof heeft bij voorbeeld met zijn uitspraken de reikwijdte van artikel 128 van het Verdrag dusdanig vergroot, dat thans vrijwel het hele hoger onderwijs, het beroepsonderwijs en grotendeels ook de volwassenen-educatie onder de werking van het verdrag vallen. Aangezien het Europees recht voorrang heeft boven het nationale recht, is de zeggenschap van de EEG over het Nederlandse onderwijs sterk toegenomen. Zo moet de toegang tot het hoger en universitair onderwijs voor migranten gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden openstaan als voor de inwoners van het gastland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.