+ Meer informatie

IK STA AAN DE DEUR EN IK KLOP De onopgeefbaarheid van het Bijbelse huisbezoek

8 minuten leestijd

ONOPGEEFBAAR

Als het gaat om de onopgeefbaarheid van het huisbezoek roept dat bij mij twee dingen op: 1. er zijn kritische stemmen over het huisbezoek in zijn huidige vorm, 2. toch zijn er goede redenen om aan het huisbezoek vast te houden. Op beide punten ga ik in het vervolg van dit artikel in.

Het gaat in dit artikel over de onopgeefbaarheid van het Bijbelse huisbezoek. Daar horen een paar kanttekeningen bij. Want het jaarlijkse huisbezoek zoals wij dat kennen, komt in die vorm in de Bijbel niet voor. De huidige kerkelijke praktijk gaat terug op de tijd van de Reformatie. Toen waren de huisbezoeken nauw verbonden met het avondmaal. Ouderlingen konden aan huis geloofsonderricht geven opdat niemand zou aangaan zonder voldoende ‘geestelijke bagage’. Gaandeweg is hieruit het jaarlijkse huisbezoek ontstaan. In artikel 23 K.O. is de lijn naar het avondmaal nog duidelijk te herkennen in de omschrijving van de dienst van ouderlingen. Naast het geestelijk gesprek rond het avondmaal zijn er tegenwoordig allerlei andere onderwerpen die ook aan de orde kunnen komen. Niet alleen geloofsvragen, maar ook levensvragen waarvan verwacht wordt dat de ouderlingen er op een pastorale manier mee om weten te gaan. Ook al heeft het huisbezoek een bepaalde historische achtergrond, dat neemt niet weg dat er belangrijke Bijbelse elementen in opgenomen zijn. Zo kunnen we toch spreken over Bijbels huisbezoek. Voor mij houdt dat in: een manier van huisbezoek doen waarin de Bijbel centraal staat als bron van geloven, denken en leven.

KRITISCHE STEMMEN

In de regel hebben ouderlingen geen speciale theologische opleiding gevolgd. De meesten zijn ook geen geschoolde hulpverleners. Toch komen zij met allerlei geloofs- en levensvragen in aanraking. Is huisbezoek nog zinvol als nauwelijks verwacht mag worden dat ouderlingen in staat zullen zijn ‘deskundige’ hulp te verlenen? Is het niet beter om het huisbezoek anders in te richten, of het helemaal over te laten aan de ‘deskundigen’: de predikanten? Als ook de predikanten onvoldoende deskundig zijn, kunnen we dan niet beter het huisbezoek helemaal opgeven?

Los van de vraag naar de deskundigheid, kan ook de vraag gesteld worden of de vorm waarin het huisbezoek plaatsvindt, geschikt is om met elkaar over de diepere dingen van het geestelijke leven in contact te komen. Voelen gemeenteleden zich niet vaak opgelaten tijdens het huisbezoek? Is het niet veel te formeel? Ineens ‘moet’ er gepraat worden over de diepste dingen van het hart met iemand die men niet zelf uitgekozen heeft en waar men misschien geen echte band mee voelt.

VERBINDINGSLIJNEN

Zijn er argumenten aan de Bijbel te ontlenen die verder kunnen helpen? Ik meen van wel. Want er zijn verbindingslijnen van Christus als Pastor naar het pastoraat van zijn volgelingen. Het Bijbelse huisbezoek wil langs die lijnen verder werken in de gemeente.

JEZUS IS DE GOEDE HERDER

Het OT spreekt al van God als Herder (b.v. Ps. 23 en Ezech. 34). In Ezech.34 worden de leiders van Israël aangeklaagd omdat zij geen goede, maar siechte herders zijn. Tegenover hun falende zorg belooft de Here dat Hij Zelf naar Zijn volk zal omzien (Ezech. 34:11-12) en dat Hij Zelf hun Herder zal zijn. In Christus zijn deze woorden op een bijzondere manier werkelijkheid geworden. Hij is de Goede Herder bij uitstek (Joh. 10:1-18). Want Hij zet zijn leven in voor de schapen en de schapen leren door Hem de Vader kennen 0oh. 10:14-15); zij worden door Hem behouden en zij ontvangen leven en overvloed (Joh. 10:9-10).

In het pastoraat of herderschap van Christus is een aantal typerende kenmerken aan te wijzen:

1. Hij stelt zich in liefde dienend op (Mk. 10:45; Luk. 22:27). Hij is open. Hij is beschikbaar voor mensen en gaat naast hen staan.

2. Hij gaat heel persoonlijk om met de mensen die Hij ontmoet. Dat hangt samen met het kennen van de schapen zoals zijn schapen Hem omgekeerd ook kennen (Joh. 10:14;27). Mensen zijn bij Jezus geen nummer. De liefde van Hem en tot Hem is een hele persoonlijke zaak (Matt. 19:20; Mk. 7:24-30; 10:17-27; Luk. 24:13-32.

3. Hij zoekt het verlorene. De herderlijke zorg van Christus richt zich niet allereerst op de succesvolle mens die zichzelf prima kan redden, maar op mensen die op een of andere manier zijn mislukt of vastgelopen (Mk. 2:17; Luk. 5:32; 15:1-2; Joh. 4:1-42).

4. Hij verkondigt het Koninferijfe van God. Hij brengt dat Rijk ook en maakt de helende en heilbrengende krachten ervan voelbaar. Zijn pastoraat is erop gericht mensen in dat Rijk te doen delen (Matt. 11:25-30; Luk. 18:9-14; Joh. 8:36).

5. Hij vraagt om geloof alleen (Mk. 5:36; 10:52, vgl. Matt. 8:10; Luk. 7:50).

6. Hij verzamelt de kudde om zich heen. Zijn tegenstander verstrooit (Matt. 12:30; Joh. 10:12), maar Jezus brengt bijeen (Mat. 10:6;28:19; Joh. 10:4;16).

HET PASTORAAT VAN DE VOLGELINGEN

In de kring van de volgelingen van Christus is een aantal leerlingen die een bijzondere roeping hebben ontvangen. Zij worden toegerust om apostelen te zijn. Zoals Christus door de Vader gezonden was, zo worden zij door Christus in de wereld gezonden (Joh. 20:21, vgl. Matt. 28:18-20). Hun uitzending staat niet op zichzelf. Ook de Heilige Geest wordt uitgezonden om als de andere Trooster bij hen te zijn (Joh. 14:16). Zo krijgt de zending van de Zoon een vervolg in de zending van de Geest en van de gemeente. Door de Heilige Geest wil Christus present zijn in het werk van hen die geroepen en uitgezonden zijn. Een van de aspecten van dat veelkleurige werk is het pastoraat.

Er zijn in het NT vele woorden en begrippen die te maken hebben met het pastoraat in de gemeente. Een paar licht ik eruit:

a. Herder-zijn. Het als een herder hoeden of weiden van de gemeente is volgens Hand. 20:28 de taak van de oudsten van de gemeente. Hun werk strekt zich uit over de hele gemeente, ook de dwalende schapen. Zij moeten de gemeente beschermen tegen grimmige wolven die dwalingen verkondigen (Hand. 20:29-30). De taak van het herderschap dient volgens 1 Petr.5:2-3 niet te gebeuren met een autoritaire houding, maar met de instelling van de liefde die dient. Er is een directe lijn naar het herderschap van Christus, want Hij is de Opperherder (1 Petr. 5:4). Deze wijze van herder-zijn komt overeen met de kenmerken 1,3 en 6 van het pastoraat van Jezus.

b. Opziener zijn. Christus is naast Herder ook Opziener (1 Petr. 2:25). Voor de oudsten geldt dat ook (Hand. 20:28). In Fil.l:l worden de opzieners naast de diakenen genoemd. 1 Tim. 3:1 noemt het werk van een opziener een voortreffelijke taak. In 1 Tim. 3:1-16 en Tit. 1:5-9 wordt aangegeven aan welke vereisten een opziener dient te voldoen. Hieruit komt naar voren dat een opziener onderwijs en leiding moet kunnen geven aan de gemeente. Inhoudelijk zal dat onderwijs gericht zijn op Christus, het geloof in Hem en de volheid van het heil dat van Hem te verwachten is. Het opziener-zijn betekent ook oog hebben voor elk van de schapen. Dat komt overeen met de kenmerken 2,4 en 5 van het pastoraat van Jezus.

Andere woorden die kenmerkend zijn voor de inhoud van het pastoraat in de gemeente zijn: vermanen, vertroosten, versterken, toerusten, terechtwijzen, opbouwen. In al deze begrippen zijn verbindingslijnen aan te wijzen naar het pastoraat van Christus. De conclusie mag zijn dat Christus als Opperherder ‘gebruikt maakt van de dienst van mensen aan wie Hij een bijzondere taak toevertrouwt’ (bevestigingsformulier van ouderlingen en diakenen). Zij dienen hun werk te doen in de lijn van de ambtelijke dienst van Christus. Alleen dan kan voluit gelden: wie ontvangt die Ik zend, ontvangt Mij (Joh. 13:20).

Schriftuurlijk

Wat het huisbezoek onopgeefbaar maakt, zijn de elementen die door en door Schriftuurlijk zijn:

1. het ambtelijke karakter van het huisbezoek. Ambtsdragers zijn geroepen en uitgezonden om hun dienst te verrichten. Daarmee stellen zij zich in dienst van Christus, de Opperherder. Een andere ‘deskundigheid’ hebben zij niet. Toch mag er grote verwachting zijn van Christus die werkt in de mensen die Hij zendt.

2. het herderlijke karakter van het huisbezoek. In navolging van Christus mag het huisbezoek in dienst staan van het bijeen brengen van de kudde. Wat verloren is of verloren dreigt te gaan, mag met herderlijke fijngevoeligheid en beslistheid opgeroepen worden om het behoud in Christus te zoeken. Zo wordt de gemeente bijeen vergaderd rondom de Opperherder.

3. het persoonlijke karakter van het huisbezoek. In de gemeente zijn er allerlei activiteiten die in gezamenlijkheid plaatsvinden. Het huisbezoek is bij uitstek de plaats waar heel persoonlijk gesproken kan worden, van hart tot hart. Zoals Christus persoonlijke aandacht had voor mensen, zo ook de ambtsdragers die namens Hern op bezoek komen.

4. het geestelijke karakter van het huisbezoek. Op huisbezoek kunnen allerlei onderwerpen aan de orde komen. Daar moet gepaste ruimte voor zijn. Maar steeds zal onder het hele leven bekeken worden onder het gezichtspunt van het Koninkrijk van God en het geloof in Christus.

Het vraagt wijsheid en gebed om op huisbezoek aan deze elementen recht te doen. Het maakt ambtsdragers en gemeenteleden afhankelijk van Christus en Zijn Geest. Zo is er juist de volle ruimte om te beseffen dat Hij aan de deur van het hart staat en klopt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.