+ Meer informatie

KERKMUZIEK, WAT IS DAT?

8 minuten leestijd

“…Gij de Heilige die troont op de lofzangen Israëls.”

(ps. 22 : 4)

GEMENGDE GEVOELNS

‘Zingt vrolijk, heft de stem naar boven, rechtvaardigen, verheft den Heer’ Zo roept de ‘OB’ van psalm 33 de christelijke gemeente op in haar eredienst voor God. Nu mag ik al ruim vijftig jaar de zang van de gemeente in diverse plaatsen begeleiden, en dat met veel vreugde. Ik ervaar het als een feest wanneer de gemeente van harte Gods lof zingt. Want, zegt een bekend woord, is zingen niet twee keer bidden?

Maar het ‘ruime hemelrond’ vult zich lang niet altijd met klanken ‘uit blijde mond’. Er blijkt ontzaglijk veel gesteggel mogelijk over de vraag wat er klinken mag in de kerk. En dat is niet van vandaag of gisteren. Al in de vroegchristelijke kerk hebben kerkvaders zich uitgelaten over de vraag of je instrumenten gebruiken mag in de liturgie. Paus Gregorius I heeft zich in de 6e eeuw actief bemoeid met de ordening van kerkmuzikale zaken. Met de Reformatie zijn mannen als Luther en Calvijn intensief aan het werk gegaan met de vraag wat de gemeente zal zingen. Vanaf die tijd — de eerlijkheid gebiedt het te zeggen- is, zeker in de Nederlandse kerkgeschiedenis, de plaats van muziek in de kerk een zaak van getwist, geharrewar en eindeloze discussies geworden: over berijmingen, over ‘hele en halve noten zingen’, over psalmen én gezangen of juist niet, over koorzang of juist niet, over alleen orgelbegeleiding of ook anders, etc. Synodes van allerlei kerkverbanden zagen zich genoodzaakt keer op keer weer die kwesties op de agenda te zetten om vaak tot moeizaam genomen besluiten te komen. Ook de synode van onze kerken moest in 2004 constateren ‘dat al heel lang eenparigheid inzake het kerkelijk lied ontbreekt.’ En opnieuw beraad en discussie… Kun je dan nog wel stellen: ‘Zingt vrolijk..?’ Een nuchtere waarnemer zei me eens: ‘Zolang we discussiëren, zingen we niet; en wie zingt, kan niet tegelijk ook ruzie maken.’ Toch is ook in het landelijk kerkelijk beraad op dit onderwerp zeker niet alles kommer en kwel. Er zit, voor wie luisteren wil, ook muziek in! Ik kom daar nog op terug.

EEN BONT BOEKET

Het mag duidelijk zijn dat op de vraag wát en hoé de christelijke kerk van ‘alle plaatsen en alle tijden’ gezongen heeft, geen simpel, eenduidig antwoord valt te geven. Andere talen, andere culturen en andere theologische accenten — om maar een paar dingen te noemen — hebben voor een grote verscheidenheid gezorgd, en doen dat nog. In Gods kerk in deze wereld is het bepaald niet koekoek-één-zang! Psalm 87 maakt ons overigens duidelijk dat dat niet een zwaktebod is; integendeel, Gods glorie zal in heel de veelkleurigheid van zijn schepping tot uiting komen. Zo kon iemand zeggen dat de kerkmuziek een boom met vele takken is.

Intussen ontstaan wel in de loop der geschiedenis binnen al die onderscheiden culturen opvattingen en gewoontes die tot tradities leiden. Daar is op zich niets mis mee. Problemen gaan er wél komen wanneer die tradities verabsoluteerd worden of als enig verantwoorde vorm en norm worden aangemerkt, terwijl er geen Bijbelse onderbouwing voor te geven is. Twee voorbeelden daarvan. Voor heel wat kerkgangers in ons land is het orgel toch eigenlijk wei het enig aanvaardbare muziekinstrument in de kerk. Wel, hoe lief ik het orgel ook heb, geen haar op mijn hoofd denkt eraan om te gaan beweren dat de Bijbel dit voorschrijft. Het ís er, in onze westerse kerkcultuur, en dat zeker niet zonder reden, maar niet ‘op Bijbels bevel’. Het tweede voorbeeld is van veel oudere datum: nogal wat kerkvaders waren van mening dat het gebruik van instrumenten tot de ceremoniële tijd behoorden en dat deze ‘schaduwen’ sinds de komst van het Nieuwe Verbond voorbij waren. Dus helemaal geen instrumenten meer in de kerk ter begeleiding van de kerkzang! In de Oosterse kerken is dat nog steeds regel; zelfs Calvijn vermeldt dit standpunt nog.

Er zouden nog heel wat meer voorbeelden van misverstanden, eenzijdigheden en zelfs van wantoestanden te noemen zijn. Dat kan ons alleen maar bescheiden maken. Belangrijker is intussen de vraag of er met betrekking tot kerkmuziek geen uitgangspunten zijn aan te wijzen die fundamenteel richtinggevend zijn.

EEN ONMISBAAR VERTREKPUNT

Met discussies over ‘goeie smaak’ en de vóórs-en-tegens’ van allerlei muziekstijlen van onze tijd lopen we naar mijn overtuiging alleen maar vast of we verzanden in vruchteloze stellingnamen. Er is voor een antwoord op de vraag wat muziek in de kerk is maar één wezenlijk uitgangspunt, en dat is de eredienst, de liturgie. Ik heb de indruk dat er bij heel wat kerkgangers een soort koudwatervrees bestaat voor het woord liturgie. Het zou goed zijn als die vrees eindelijk overwonnen wordt, want ze is onterecht. Want wat is liturgie? In de ruimste zin is het aanduiding van de dienst die gelovigen in hun leven wijden aan God. In die dienst gaat het om de relatie tussen God en zijn volk. Het hoogtepunt daarin is de zondagse eredienst; daar verschijnen de gelovigen gezamenlijk voor Gods heilig aangezicht. Waartoe? Om in die samenkomst Gods grote daden in schepping en herschepping te gedenken. Het gaat daarbij niet om ons, maar om God die roept. En alle onderdelen van die eredienst staan in het teken van dié ontmoeting: groet — schuldbelijdenis — gebeden — offerande — lofprijzing — verkondiging — sacrament — zegen. Het moet gezegd: wie een kerkdienst alleen maar ziet als het gaan horen van een preek, doet schromelijk tekort aan alles wat God ons in de ontmoeting met Hem wil geven. Daarbij staat niet ‘onze stichting’ voorop, maar de eer aan God. Alles wat in die eredienst, die liturgie gebeurt, zal moeten beantwoorden aan deze eis: wat past in deze ontmoeting? In de beantwoording van die vraag is de Schrift maatstaf. Dan valt het bijvoorbeeld op dat muziek in de eredienst zowel in het Oude als Nieuwe Testament in de eerste plaats vocaal is: er wordt gezongen, ‘zing de Here een lied.’ Dat die zangdienst van hoge kwaliteit dient te zijn, leert ons de inrichting van de tempeldienst. Maar toch vooral eerst dit: kerkmuziek is: wát zingen we, oftewel de vraag naar het kerklied. Het lied dat de gemeente, in verbondenheid met de kerk van alle tijden, zingen zal en zingen kan.

Kortom, wie vruchtbaar wil nadenken over zingen in en dóór de gemeente moet zicht hebben op:

• het bijbelse spreken over muziek en zang;

• de eigen aard van de eredienst;

• het lied als eenheid van tekst en melodie;

• de traditie van de christelijke kerk.

Dat wil zeggen dat eerlijke studie en vakmanschap op diverse terreinen nodig zijn, eisen die zowel Luther als Calvijn stelden aan muziek in de eredienst.

EEN GOEDE STAP VOORUIT

Het is verheugend dat na en naast alle zorgelijke geluiden die in onze synodes geklonken hebben, ook heel constructieve en richtinggevende dingen gezegd zijn. Zo heeft de GS van 2004 niet alleen uitgesproken — en terecht! — ‘dat de psalmen van onschatbare waarde zijn’, maar ook criteria vastgesteld waaraan kerkliederen hebben te voldoen. Die liggen helemaal in de lijn van de hierboven genoemde punten en onderstrepen ook nog eens de eis van kwaliteit.

Wat dit synodebesluit vooral siert, is dat men het hier niet bij gelaten heeft: er werd het deputaatschap opgedragen tot een ‘nadere concretisering’ te komen van die criteria. Het deputaatschap heeft zich van die taak heel consciëntieus gekweten en aan de synode van 2007 een rapport aangeboden dat de kerken zeer goede diensten kan bewijzen. Zo oordeelde ook de synode, die uitsprak dat dit rapport ‘voor de kerken een bruikbare handreiking is bij het beoordelen van liederen op hun geschiktheid om in de eredienst gezongen te worden.’ Van groot belang is ook dat deputaten de opdracht krijgen deze handreiking aan de kerken toe te zenden en te werken aan instructiemateriaal hoe deze criteria in de praktijk kunnen functioneren ‘om zo kerkenraden zoveel mogelijk bij te staan in het beoordelen van de liederen.’

Het mag duidelijk zijn dat ik blij ben met deze handreiking; ik heb er grondig kennis van genomen en ik kan niet anders zeggen dan dit: ‘deputaten, laat dit werk van u zo spoedig mogelijk de gemeenten bereiken. En kerkenraden, bestudeer die handreiking, ontwikkel met behulp hiervan ook uw visie en vind vormen om hier met uw gemeente over te spreken’. Er is een helder kader neergezet voor een beleidsvorming m.b.t. het kerkelijk lied dat ertoe dienen kan om ‘de lofzang gaande te houden.’ En dat is geen hobby, maar roeping van de gemeente.

Tot besluit van dit artikel wil ik met veel instemming enkele citaten uit het deputatenrapport weergeven:

‘Goede kerkliederen wortelen niet in de gelovige mens, maar hebben diepe wortels in de Schrift.’

‘Liederen zijn een gezongen vorm van verkondigen en belijden van de heilsdaden van God in Jezus Christus.’

‘Wanneer we spreken van een liturgisch verantwoord lied, dan bedoelen we dus dat het qua vorm en inhoud past in het geheel van de eredienst en dus in de liturgie van de gemeente kan functioneren.’

Nog één ding: ik hoop ook dat uit dit rapport de les wordt opgepakt dat het in zaken van liturgie en dus ook van het kerkelijk lied niet om liefhebberij gaat, maar om Gods eer. Dat moet m.i. minstens betekenen dat er strikte eisen gesteld worden niet alleen aan wát er gezongen wordt, maar ook hóe er gezongen én gespeeld wordt. Willen we ook vakmanschap erkennen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.