+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

47.

Daarna riep de Vorst de oude edelman, die tevoren registermeester in Mensziel was geweest, te weten de heer Consciëntie. Zeide hem dat Hij hem tot een leraar in en voor de Godvruchtige stad aanstelde dewijl hij in de wetten en de regering van de stad ervaren en wel ter tale was, en zijns Meesters wil en alle aardse en op de dienstbetrekking hebbende zaken, nauwkeurig wist uit te drukken. Om haar in alle wetten, statuten en rechten van de stad te onderwijzen.

„Gij moet”, zei de Vorst, „u bepalen tot het leren van morele deugden, burgelijke en natuurlijke plichten, maar gij moet niet zo vermetel worden, dat gij zoudt willen openbaren en ontdekken de hoge en bovennatuurlijke verborgenheden, die in de boezem van Mijn Vader El-Schaddai zijn opgesloten; want deze dingen weet geen mens, niemand kan die openbaren dan Mijns Vaders Secretaris alleen”.

„Gij zijt een ingeborene van Mensziel, maar de heer Secretaris is van Mijn eeuwige Vader; derhalve gelijk gij kennis hebt van de wetten en gebruiken van de ingezetenen,.zo heeft Hij kennis van de wil Mijns Vaders”.

„Derhalve, o Consciëntie! schoon Ik u tot een leraar in Mensziel gemaakt heb, nochtans moet gij in betrekking tot de zaken die de heer Secretaris kent en deze volken leren zal, een scholier en leerling zijn, zowel als andere burgers van Mensziel.

Daarom moet gij in alle hoge en bovennatuurlijke dingen tot Hem gaan, om kennis en onderrichting. Hoewel er een geest in de mens is, zo is het nochtans de inblazing van deze Persoon, namelijk de Heilige Geest, die hem verstandig maakt. Gij dan, mijnheer Registreerder, houd u toch nederig en ootmoedig en gedenk dat de Diabolisten die hun eerste bediening niet gehouden, maar hun woonstede verlaten hebben, nu tot gevangenen van de afgrond zijn gemaaakt. Wees derhalve met uw staat tevreden door de Heere ootmoetig te dienen”.

„Ik heb u tot Mijns Vaders stedehouderes op aarde gemaakt in de stad Mehsziel tot behartiging van de zaken die Ik u reeds noemde. Spreek tot Mensziel in kracht en met autoriteit, ja noodzaak de inwoners met slagen en tuchtigingen, zo zij niet gewillig zijn om uw bevelen die recht en redelijk zijn, te volbrengen. Laat u zo maar niet tot zwijgen brengen. Wordt uw mond bij het getuigen voor het goede en tegen het kwade, met hels geweld dicht geschroeid door het gebruik van een brandijzer, weet dan dat de Heere over u zal opstaan om het onrecht u aangedaan te wreken.

Dewijl ge door vele gebreken verzwakt zijt als gevolg van de ellende die Mensziel overkwam vanwege de zonde, hebt ge meer dan ooit kracht van spreken, te weten in het Goddelijk spreken, want dan hebt gij Hem altijd aan uw zijde. Beroep u op de grote dag des gerichts, daar zal het boek van Gods alwetendheid geopend worden, zonder zich te kunnen verontschuldigen. En het roepen tot bergen en heuvelen zal geen bedekking geven”.

De Consciëntie mag tot verlichting van het oog des verstands en tot versterking van het geheugen een beroep doen op des Konings Secretaris om lerend en handelend op te treden in het zo vermaarde Mensziel. De stad heeft er zich in te oefenen, om altijd een oner gelijke Consciëntie te hebben bij God en de mensen.

Toen nu de Vorst van Mensziel de Consciëntie als registreerder met de bediening van leraar in de stad had begiftigd, gelijk hij tevoren was en hij dat met dankbaarheid had aangenomen, zo keerde Immanuël zich in een bijzondere rede tot de stedelingen zelf, zeggende: „Ziet de liefde die Ik u toedraag en de zorg die Ik voor u heb. Tot al de vorige weldaden heb Ik nog deze gedaan, dat Ik u leraars heb gegeven, de Hoge Secretaris, Mijn duur verworven Geest, om u in alle hoge en steile verborgenheden te onderwijzen. En deze heer Mijnheer Consciëntie, om u in alle menselijke en op de dienstbetrekking hebbende zaken te onderrichten, want dat is zijn werk.

Hem is evenwel niet verboden aan Mensziel te verhalen wat hij uit de mond van de Hoge Secretaris gehoord mocht hebben. Echter zal hij ’t niet op zich nemen, deze hoge verborgenheden zelf te openbaren. Want de opening en ontdekking daarvan ligt alleen in de macht, wijsheid en autoriteit van de Hoge Secretaris.

Mijnheer Consciëntie mag er van spreken en dat mogen al de lieden van Mensziel wel doen. Ja, zij mogen als de gelegenheid hun daartoe gunstig denkt, die op elkander aandringen tot voordeel van het algemeen. Deze dingen wil Ik derhalve, dat gij zult waarnemen en doen, want zij zijn uw leven en de verlenging uwer dagen”. „Nog eens Mijn beminde Consciëntie en gij allen die in de stad Mensziel woont, gij moet niet blijven staan op de zaken, die registreerder volgens zijn lastbrief u leren moet, als hoop en verwachting aangaande de toekomende wereld, want Mijn oogmerk is aan Mensziel een andere wereld te geven als deze versleten en voorbij zal zijn. Een wereld waarvan de heer Registreerder met al zijn nauwgezetheid u geen burger kan maken. Het hart kan alleen vernieuwd worden door het Woord des Geestes en niet door de spraak van het geweten.

Mensziel heeft te luisteren naar de prediker van de eerste rang, moet zijn leerling zijn, naar Hem zich schikken om door Hem wijs gemaakt te worden tot zaligheid.

De stad Mensziel heeft naar het bevel van haar Vorst, consciëntieus te leven, en dat komt het geestelijke leven wel ten goede, maar kan het niet in stand houden en nog minder tot wasdom brengen. De beleving van de Waarheid en de volharding daarin is vrucht van de bijzondere werkingen van de Heilige Geest.

Alleen door het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, kan de consciëntie gereinigd worden van dode werken om de levende God te dienen. Wee de mens die met een onverzoende schuld op zijn consciëntie komt te staan voor de poorten der eeuwigheid. Daar waar de worm niet sterft en het vuur niet geblust wordt, is geen verwachting meer om bevrijd te worden.

„Dat hij dan ook wel zorg drage, geen andere leer of enig leerstuk aan te nemen, dat hij aan die Opperleraar niet ontleend heeft, noch iets dat maar alleen door zijn eigen letterlijke kennis bepaald wordt”. „En de Heilige Geest getuigt het ons ook”, dat de mens zoals hij van nature leeft niet volmaakt kan worden dan alleen door de ene offerande van Jezus Christus.Het hart kan alleen door de Heilige Geest geheiligd en dat is vernieuwd worden. Als Hij er Gods heilige wet in schrijft gaat de mens uit liefde tot God de zonden haten en vlieden. De offerande van Jezus Christus wordt hem dierbaar en noodzakelijk, daar het volmaakt zijn in Hem is.

De Heilige Geest getuigt in het hart van de zuivere leer die naar de godzaligheid is. Gesteld onder de zuivere verkondiging van het Woord, worden wij er van dag tot dag toe opgewekt de beleving daarvan biddende te zoeken. Hij wil ons leren bukken, bidden, wenen en geloven om ons met ootmoedigheid te bekleden. In deze reine hemelleer hebben wij ons te verdiepen.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.