+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

5 minuten leestijd

De Gouden Eeuw (1).

1. Zo noemt men de tijd van Frederik Hendrik of liever de 17e eeuw. Groen zegt er van: „het stadhouderschap van Frederik Hendrik is een der meest luistervolle tijden van het Gemenebest geweest."

Dit dienen wij aan te tonen en alzo ons volksleven in die tijd na te gaan.

Maar dit is misschien een gewaagde onnerneming! Allereerst staan wij ver van die tijd af; het volksleven van heden is zo geheel anders. En omdat ieder zijn eigen bril draagt en deze meestal gekleurd is, zien wij dat leven vaak niet zuiver; onderschatten of overschatten het en dreigen idealist of nihilist te worden.

Objectiviteit is een moeilijke zaak; de mens vervalt zo gauw tot subjectivisme en meet het leven af naar zijn maatstaf, hetzij van zichzelf, óf van die van zijn groep.

Als wij het leven van ons volk in die bloeitijd kort willen nagaan, is onder meer onmisbaar onze houding te bepalen ten opzichte van wat men tegenwoordig noemt de cultuur. Men verwarre het begrip cultuur alstublieft niet met wereldgelijkvormigheid. Of het er niet toe leiden kan is een andere zaak. Als in onze kring een artistiek kerkgebouw gebouwd wordt zijn wij bezig met cultuur; maar m.i. is dat nog geen wereldgelijkvormigheid. Cultuur kan goed en slecht zijn. Zeer raden wij daarom aan eens het desbetreffende mooie opstel te lezen van dr. Jonker in de pas versche-

nen bundel: De Zin van het leven, door prof. Severijn e.a.

Cultuur is levensuiting. Als wij het Rijksmuseum te Amsterdam binnenstappen en de afdeling schilderkunst der 17e eeuw van onze hollandse school beschouwen, treft ons niet alleen de grote vakbekwaamheid, maar ook het leven der schilders, dat zich daarin weerspiegelt, het weergeven van personen, stillevens en landschappen; de „copieerlust des dagelijksen levens." Maar op kunst en wetenschap in die tijd komen wij later nog terug.

2. Het heeft vele historieschrijvers ten hoogste verwonderd, dat zo'n klein land van nog geen 2 miljoen zielen zich kon opwerken tot een grote mogendheid, waarin ook handel, visserij, nijverheid, landbouw, kunst en wetenschap tot luistervolle bloei geraakten. Natuurlijk heeft men naar de oorzaken van deze grootheid gezocht; maar de antwoorden bleken verschillend. Men heeft het gezocht in onze volkseigenschappen, ons volkskarakter, in zijn moed, zijn volharding, in zijn calvinistisch volkstype.

En zeker, de menselijke factor mogen wij niet uitschakelen en heeft als 2e oorzaak beslist meegewerkt.

Maar diezelfde mensen toonden in hun levensuitingen vaak droeve beelden, waardoor zij meewerkten om al de luister en voorspoed te doen wegnemen. Hiervan zullen wij nog nader horen. Laten wij in dezen maar instemmen met Ps. 44 : 4: ant zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard en hun arm heeft hun geen heil gegeven, maar Uwe rechterhand en Uw arm en het licht Uws aanschijns, omdat Gij een welbehagen in hen hadt. Zie hier het antwoord, waarbij noodzakelijk gevoegd moet worden, dat de Kerk in dezen een pilaar en vastigheid der Waarheid moet zijn en daarop wijzen. Anders gaan land en kerk te gronde.

3. Opmerkelijk in dit alles is het groot aantal vreemdelingen, die meegewerkt hebben tot de bloei en de luister van deze landen. Wij noemen enkele namen.

Toen in 1585 Antwerpen door Parma veroverd werd, trokken veel grootkooplieden naar onze gewesten: Balthazar de Moucheron, Isaiic Lemaire, Willem Usselincx, Lodewijk de Geer. Voorheen zijn reeds enkele van deze personen genoemd. Van Lodewijk de Geer met Gabriel Marcelis en Elias Trip vermeldt Prof. Blok: „dat zij op grote schaal de bergwerken van Zweden en de deense vetweiderijen exploiteerden; dat zij optreden als leveranciers van de zweedse en deense regeringen voor geschuttroepen, schepen en voorraad van allerlei aard, als bezorgers, van in-en uitvoer, weldra als bankiers dezer regeringen, als haar agenten in moeilijke omstandigheden. De beide noordse mogendheden waren zo van de nederlanders economisch geheel en al afhankelijk." Het spreekt alles boekdelen!

Gomarus, Plancius (de predikant-zeevaartkundige) Bastingius (die een mooie Verklaring van de H. Cat. schreef, uitgegeven in de Bibliotheca Reformata, 1893) waren Zuidnederlanders.

De Elseviers (grootvader en oudste kleinzoon) vestigden zich te Leiden en waren academie drukkers; zij leverden degelijk en artistiek uitgevoerd drukwerk. Simon Stavin was een Bruggenaar, knap wiskundige (hij vond de tiend, breuken uit) vriend en wiskundig adviseur van Prins Maurits.

Frans Hals, de haarlemse portretschilder kwam uit Mechelen en Joost van den Vondel was in Keulen geboren. (1557). Zijn ouders waren echter uit Antwerpen afkomstig.

4. Nederland werd na 1580, toen Alva voor Philips Portugal bezette het toevluchtsoord voor veel spaanse en portugese Joden. Het waren meest Marranen, d.w.z. Joden, die gedwongen rooms waren geworden, maar in 't geheim hun oude geloof uitoefenden. Philips kwam er achter en stuurde de inquisitie er op af. Vandaar hun evacueren.

De meesten vestigden zich in Amsterdam. Zij waren kooplieden op de Levant en de Amerikaanse koloniën en zeer gefortuneerd. Zo werd Amsterdam ook het centrum van de Levanthandel. In 1598 mochten zij daar zelfs een synagoge stichten.

Toch had men het niet erg op hen. Vooral de bekende calvinist Usselincx gaf nu niet een bepaald schoon getuigenis van hen. Hij zei: „Zij zijn een trouweloos volk, aller christenen vijand, dat liever honderdduizend christenen zouden zien omkomen, dan 100 ducaten schade aan zijn goederen lijden." Dat is me toch wat! De grootkoopman sprak zeker uit ervaring. En velen dachten er zo over. Maar ja, zij brachten niet weinig geld in 't laatje en dat was een voornaam artikel!

Tot die portugese Joden heeft ook behoord de bekende wijsgeer Baruch Spinoza. Hier te lande vond hij een rustig verblijf om te werken. In Amsterdam werd hij wegens zijn ketterij uit de synagoge gebannen. Hij hield er een pantheïstisch-monistisch systeem op na. Ds. W. a Brakel noemt hem in zijn Red. Godsdienst een „heilloze Jood." Of nu deze Spinoza ook tot de luister van onze Republiek heeft bijgedragen, daarover zal wel geen eenstemmigheid van gevoelen zijn.

Tegenwoordig vindt men nog te Amsterdam namen vermeld van Joden, die van afkomst Marranen zijn: bijv. da Costa (onze dichter was dus van huis uit ook een portugese Jood), verder Texeira en Pinto.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.