+ Meer informatie

“IEDER VOOR ZICH EN…”

20 minuten leestijd

Geestelijke gemeenschap: belemmeringen en beleving

Het is ongetwijfeld geen nieuw probleem. Maar het is wel een probleem, dat steeds sterker gevoeld wordt, ook binnen onze kerkmuren. “leder voor zich en…” O, u kunt het verder wel invullen. De individualisering van de samenleving werkt door in de wijze waarop wij ons geloof en, daarmee samenhangend, ook ons kerk-zijn beleven.

In de maatschappij wordt steeds sterker de nadruk gelegd op de waarde van het individu. Kinderen wordt al vroeg geleerd voor hun eigen mening uit te komen en zich in te zetten voor wat zij zelf belangrijk vinden. Op catechisatie is te merken dat jongeren de vraag stellen: wat heb ik aan het geloof? Wat kan God voor mij betekenen? Als daar geen bevredigend antwoord op komt, heeft het geloof voor ieder persoonlijk snel afgedaan. Precies hetzelfde is te zeggen over de houding tegenover de kerk. Als ik niet iets aan de kerk heb, dan hoeft de kerk van mij ook niet veel te verwachten.

Vanuit een sterke gerichtheid op de individuele behoeften van ieder kerklid komt de beleving van de gemeenschap met elkaar in de gemeente van Christus onder druk te staan. Dat komt niet alleen bij jongeren naar voren, ook bij ouderen is hetzelfde verschijnsel waar te nemen. Wanneer men sterk gericht is op de eigen beleving van het geloof, zal men zoeken naar aansluiting bij anderen die het geloof op dezelfde manier beleven. Soms is het zo, dat hierdoor traditionele vormen waarin het geloof beleefd kan worden, van minder waarde worden geacht. Men gaat b.v. liever naar een kleinere bijbelstudiekring, dan naar een vereniging, waar men minder herkenning denkt te vinden op het vlak van de persoonlijke beleving van het geloof. Het kost soms moeite om mensen te vinden voor taken, die iets van onze tijd en energie vragen in de kerk. En ook over de erediensten op zondag worden verschillende geluiden gehoord. Men zou wel eens iets meer van de eigen beleving van het geloof willen terugvinden. De vorm van de eredienst voldoet niet voor iedereen in dezelfde behoefte. Voor sommigen is dat een reden om er dan ook maar niet meer naar toe te gaan.

Mij is gevraagd iets te schrijven in verband met de bedreiging van de gemeenschap vanuit de individualisering van de samenleving. Me dunkt dat ieder zich daar wet iets bij kan voorstellen vanuit de eigen kerkelijke praktijk. De vraag waar het nu vooral over moet gaan is echter: hoe kunnen we daar nu mee omgaan? Wanneer met een persoonlijke vermaning gewezen wordt op de noodzaak zich in te zetten voor de gemeenschap van de kerk, heeft dat dikwijls een averechts effect. Op die manier komt de gemeenschap zijn normen en waarden voorschrijven en daar zit niemand op te wachten. Dit wordt al gauw gezien als een aantasting van de individuele vrijheid: waar bemoeit die kerkeraad zich mee? Als er niet een echte band met anderen gevoeld wordt, zullen vele aansporingen zich voor de kerkgemeenschap in te zetten meer verzet oproepen dan dat zij het beoogde doel bereiken.

Opzet van dit artikel

Is er vanuit de Bijbel iets te zeggen over deze problematiek? Het zal duidelijk zijn dat de Bijbel zowel over de persoonlijke verhouding met God spreekt als over de gemeenschap die er is met allen die door Christus tot zijn kudde worden geroepen. Hoe is de verhouding tussen dit individuele en dit gemeenschappelijke? En op welke wijze kan de gemeenschap die er is, beter beleefd worden?

De bedoeling van dit artikel is een aantal lijnen vanuit de Bijbel aan te geven met betrekking tot deze vragen. Het zou goed zijn om de teksten die genoemd worden, nader te bezien met een geopende Bijbel, opdat duidelijk wordt dat het niet om een enkel Bijbelgedeelte gaat, maar om een doorgaande boodschap van heel Gods Woord.

Het persoonlijke niet overslaan

Allereerst is te zeggen, dat de nadruk op het individu in onze tijd niet alleen maar negatief is voor de gemeenschap. De kerk is het volk van God. Dat zul je echter alleen in zijn rijkdom kunnen beleven, als je je persoonlijk ook onderdaan weet van Hern, die je geschapen heeft en nog steeds onderhoudt. De kerk is het lichaam van Christus. Maar dat zul je alleen in zijn rijkdom kunnen beleven, als je weet wat het is lid te zijn van Christus als het Hoofd van je leven. De kerk is de kudde van de Goede Herder, maar de rijkdom daarvan ga je pas zien, als je ook persoonlijk leert naar de stem van de Herder te luisteren. De kerk is de tempel van de Heilige Geest, maar dat kan niet tot zijn recht komen, als ieder persoonlijk niet weet wat het is, dat de Heilige Geest ook in net hart van iedere gelovige zijn werk wil doen. Je kunt de rijkdom van de gemeenschap beleven waar je weet wat het werk van God in je persoonlijk leven betekent. Anders wordt de gemeenschap een uiterlijke vorm, die geen inhoud heeft voor ieder van de leden afzonderlijk. De kerk kan niet om de vragen naar de persoonlijke beleving, en de persoonlijke behoeften daarin, heen. Dat zal tot schade zijn van de inhoud van de gemeenschap.

Dat betekent echter niet, dat de betekenis van de gemeenschap zo ongeveer gelijk staat met de optelsom van ieders persoonlijke behoeften en belevingen. De gemeenschap in de kerk van Christus gaat ver boven die optelsom uit. Ze komt immers uiteindelijk niet tot stand doordat de leden elkaar opzoeken en elkaars beleving proberen aan te voelen of aan te vullen. De echte gemeenschap in de kerk van Christus komt van de andere kant. Christus zelf legt de band tussen de leden van zijn lichaam. Doordat Hij de zijnen roept tot gemeenschap met Hem, ontstaat er een band met elkaar, die wij niet in handen houden.

Prof. Van Genderen concludeert aan het eind van een studie over het begrip “gemeenschap” in het Nieuwe Testament: “De gemeenschap van de christenen onderling komt niet van onderop, maar van bovenaf. Deze gemeenschap wordt niet beheerst door wat zij voor elkaar voelen, maar door wat de Here met hen doet. Anders zou het ook geen blijvende gemeenschap kunnen zijn”.1

Deze conclusie sluit nauw aan bij wat de catechismus onder de gemeenschap van de heiligen verstaat: “ten eerste dat de gelovigen allen tezamen en ieder persoonlijk als leden deel hebben aan de Here Christus en al zijn schatten en gaven. Ten tweede dat ieder zich geroepen moet voelen om zijn gaven tot nut en heil van de andere leden bereidwillig en met vreugde te gebruiken” (Zondag 21, v.a. 55).

Gemeenschap met God de bron

De gemeenschap bestaat dus uit twee elementen. Allereerst het samen delen in het heil. En als tweede het samen leven uit het heil. Deze beide elementen ontstaan niet door activiteit van onderaf maar als werk van Christus door de Heilige Geest.

Het probleem is vaak, naar mijn ervaring, dat we het tweede element als een opdracht aan gemeenteleden denken te kunnen voorhouden, terwijl het eerste element, de basis, niet zo sterk beleefd wordt. Dan wordt zo’n appel inderdaad ervaren als een dwang, die een averechts effect heeft.

We zouden misschien verder komen door te zoeken naar vormen, waardoor we de basis van het gemeente-zijn sterker kunnen beleven. Als het zo is, dat de basis van die gemeenschap ligt in het “allen tezamen en ieder persoonlijk als leden deel hebben aan de Here Christus en al zijn schatten en gaven” dan moeten we vormen zoeken waarin dat “samen delen” ook sterker beleefd kan worden. Zo wordt de werkelijkheid beleefd, dat de gemeenschap met God de bron is voor de gemeenschap met elkaar.

Een bijbelse lijn: het Oude Testament

Het is van belang in dit verband te zien hoe de gemeenschap met God en de gemeenschap met elkaar zich in de Bijbel met elkaar verhouden.

In het Oude Testament werd dit element sterk beleefd in de eredienst in de tempel. Daar is de persoonlijke verhouding met God ingebed in de gemeenschap van Gods volk. De geschiedenis van God met Zijn volk, zoals die op de grote feesten in de tempel in gedachtenis wordt gebracht, staat niet buiten het leven van iedere gelovige afzonderlijk. Men ziet daarin wat God ook aan ieder van de gelovigen heeft gedaan.

Het kan zelfs een motivatie zijn voor persoonlijk handelen uit het geloof. Mozes zegt tegen mensen, die zelf de slavemij in Egypte niet hebben meegemaakt: gij zult gedenken, dat gij dienstknechten geweest zijt in Egypte, daarom heeft de HERE ù geboden de sabbatdag te houden (Dtn. 5:15). Op grand van deze en dergelijke teksten is er een Joodse uitspraak die stelt, dat ieder geslacht zichzelf moet beschouwen, alsof het zelf uit Egypte was getrokken. Daarom kan men dit met volle betrokkenheid ieder jaar vieren op het Paasfeest.

Zo werkt de geloofservaring van de gemeenschap in op de geloofsbeleving en het handelen van het individu. Andersom is er ook ruimte in de eredienst voor de persoonlijke ervaring van iedere gelovige, opdat ook anderen daarvan zullen leren. Dikwijls wordt in de psalmen gesproken van individuele geloften, die in het midden van de gemeente betaald zullen worden (b.v. Ps. 116:18). Men liet naar aanleiding van een persoonlijk ervaren uitredding de priester wel een psalm maken om in het midden van de gemeente de dank aan God te brengen opdat ook een volgend geslacht diezelfde geloofservaring zou kunnen meenemen in de lofzang op Gods daden (zoals b.v. blijkt uit Ps. 102:19). Er was plaats voor wat ieder in zijn leven ondervond van Gods heil, ter versterking van de gemeenschapsband en tot meerdere glorie van God: “komt, hoort, en ik wil verteilen, gij allen die God vreest, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel” (Ps. 66:16).

Het Nieuwe Testament

Dit aspect van de beleving van de geloofsgemeenschap komt ook in het Nieuwe Testament sterk naar voren. Christus geeft zelf aan, dat de band met Hem bepalend is voor de gemeenschap met elkaar. Die gemeenschap kan getypeerd worden als een blijven in Zijn liefde (Joh. 15:9). Er kan geen echte band met elkaar zijn, als er niet eerst een liefdeband met Hem is; Hij is de bron voor de liefde en de band met elkaar. Tegelijk is Hij er ook de norm voor: zoals Hij ons heeft liefgehad, behoren ook wij elkaar lief te hebben (Joh. 13:15). Wil onze gemeenschap met elkaar groeien dan zullen we dus met elkaar eerst moeten zien wat die liefde van Hem naar ons toe betekent.

In de eerste christelijke gemeente was dat ook de bron van de gemeenschap: het volharden bij het onderwijs der apostelen die niets anders onderwezen dan het woord waarin Christus in het middelpunt stond (Hand. 2:42). De gemeenschap krijgt gestalte, doordat ieder deelt in de gemeenschap met Christus, uitkomend in de viering van het Heilig Avondmaal en in de gebeden.

De brieven aan de eerste gemeente

In de brieven in het Nieuwe Testament wordt geschreven aan de eerste christelijke gemeenten, waar de eerste vragen naar de aard van de gemeenschap naar voren kornen. In al de brieven wordt gewezen op de noodzaak die gemeenschap niet slechts te zoeken in het leven uit het geloof, maar ook in het beleven van het geloof. In Romeinen 12 wijst Paulus op het gevaar, dat de gemeenteleden de gaven die ze hebben gekregen, op een individualistische manier gaan beleven tot opbouw van zichzelf. Zo moet het niet. De gaven dienen tot opbouw van het éne lichaam. Uit de gaven die Paulus in Rom. 12:6 e.v. noemt, blijkt dat het gaat om de geestelijke versterking van elkaar.

In Korinthe bleek ook een vermaning nodig in verband met een verkeerd beleven van de gemeenschap. Dit kwam naar voren bij de maaltijd des Heren. Daaraan verbonden was een liefdemaaltijd, bedoeld om de gemeenschap te versterken. Deze was echter verworden tot een schranspartij, waarbij de rijken vooraf hun eigen deel opaten en de armen het met de restjes moesten doen. Ieder komt individualistisch voor zijn eigen rechten op. Paulus verwijt deze mensen de gemeente Gods te minachten (1 Kor. 11:22). Hij wijst ook op de weg om hieruit te komen: de beleving van de rechte verhouding met Christus (1 Kor. 11:28). Alleen als de bron weer goed is, kan ook de beleving van de gemeenschap met elkaar weer geheeld worden. Dan zal ieder met zijn of haar genadegave kunnen dienen tot welzijn van allen (1 Kor. 12:7)2.

Ook in de gemeente van de Galaten was er veel mis. Paulus spreekt zelfs van een houding tegenover elkaar, zoals roofdieren tegenover elkaar staan: elkaar bijten en verscheuren (Gal. 5:15). Paulus wijst de oorzaak hiervan aan in een onjuiste beleving van het heil van Christus. De Galaten beseffen niet wat het is om echt vrij te zijn van de wet door het geloof in Christus, die de zijnen loskocht van de vloek van de wet. Omdat ze dat niet zien, gaan zij elkaar weer een slavenjuk opleggen (Gal. 5:1-12). Paulus zegt: als je de besnijdenis als voorwaarde stelt, wordt de mens met zijn individuele prestatie belangrijker dan wat Christus heeft gedaan. Pas als je in de goede verhouding met Christus komt te staan, zul je de echte liefde van God gaan zien, en zul je daarom ook elkaar kunnen liefhebben (Gal. 5:13v.). Wil de gemeenschap met elkaar groeien, dan zal dat moeten beginnen met een gezamenlijk besef van wat het werk van Christus betekent.

In de brief aan de Efeziërs wordt niet apart ingegaan op onenigheid in de gemeente, maar Paulus moet er in deze brief wel heel sterk de nadruk op leggen dat de gemeenteleden de eenheid in Christus zullen bewaren (Ef. 4:1-5). Een hoogtepunt van de vermaningen waarin deze opdracht wordt uitgewerkt is te vinden in Ef. 5:19 e.V.: “en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen…”. Dat is de vorm waarin de gemeenschap gaat groeien, dat is ook de wijze waarop de gemeente vervuld word met de Heilige Geest. De beleving van de gemeenschap met elkaar begint met het uitwisselen met elkaar van datgene, waarin Gods lof gehoord kan worden.

Ook de Filippenzen hadden het nodig gewezen te worden op de gezindheid van Christus, waardoor ieder niet slechts zou letten op zijn eigen belang, maar ook op dat van anderen (Fil. 2:1 e.v.). Het blijkt dat die gezindheid daar groeit, waar men elkaar kan wijzen op die gezindheid van Christus. Op grand daarvan is er “enige bemoediging der liefde en enige gemeenschap des geestes” mogelijk. De beleving van de gezamenlijk verbondenheid met Christus is de basis voor de gemeenschap met elkaar.

In de brief aan de Kolossenzen wijst Paulus op het nieuwe leven dat voor de gemeenteleden een werkelijkheid is in Christus (Kol. 3:2). In Christus zijn zij al als een nieuw mens geschapen. Dat neemt echter niet weg, dat ze de opdracht hebben de oude mens te doden en de nieuwe mens aan te doen (Kol. 3:5,12). Wat reeds in het geloof gegeven is, vraagt om een uitwerking in ons leven. Hoogtepunt van de beschrijving van dat nieuwe leven is niet een indivuaiistische beleving van het geloof in Christus, een opgeheven worden in de hemelse heerlijkheid; nee, de gemeenteleden worden geheel op elkaar aangewezen in de beleving van dit nieuwe mens-zijn. Zij zijn immers in één lichaam geroepen (Kol. 3:15). De beleving daarvan krijgt gestalte in het “elkander leren en terechtwijzen”, en het “met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengen in hun harten” (Kol. 3:16). Zo krijgt het heil van Christus gestalte. Geen individuele beleving los van de gemeenschap. Maar ook geen gemeenschap zonder dat het woord van Christus woont in de harten, hetgeen ook hoorbaar wordt in de lofzang. Daar is ieder van de leden afzonderlijk en persoonlijk bij betrokken; alleen doordat het geestelijke aspect van de verbondenheid met Christus gedeeld wordt, groeit de band met en in het lichaam.

In de brieven aan de Thessalonicenzen blijkt de liefde die er in de gemeente is. Er zijn echter ook Problemen. Daarom bidt Paulus dat de Here hen nog zal doen toenemen in die liefde, om hun harten te versterken (IThess. 3:12,13). Het blijkt dat de versterking van de harten van de gelovigen samengaat met de groei van de liefde in de gemeente. Daarvoor is het nodig elkaar te wijzen op het woord van Christus. Bij herhaling wekt de apostel de gemeente dan ook op elkaar te vermanen en elkaar op te bouwen (1 Thess. 4:18, 5:11). De opbouw van de gemeenteleden vindt plaats doordat zij elkaar bij het woord van Christus bepalen om zo elkaar wakker te houden. De basis van de liefdesgemeenschap in de gemeente van Christus is het geestelijke gesprek met elkaar, waarin het woord van Christus centraal staat.

De brief aan de Hebreeën heeft de bedoeling de gemeente te bewaren voor het gevaar van afval. Een belangrijk middel daarbij is het dagelijkse gesprek dat de gelovigen met elkaar hebben: “Vermaant elkander dagelijks” (Hebr. 3:12). Laten de ontmoetingen die je met elkaar hebt, doortrokken zijn van het woord van Christus, zodat je voor elkaar een middel kunt zijn te blijven bij het heil.

In dat kader past ook de oproep in deze brief elkaar aan te sporen en de eigen bijeenkomst niet te verzuimen. De belijdenis vasthouden kan geen individuele zaak zijn. Daarvoor heb je elkaar nodig. Dan zal in de ontmoeting met elkaar de uitwisseling van de persoonlijke ervaring met dat woord in ieders (moeilijke) stuatie ook een plaats moeten krijgen. Dan krijgt het “acht geven op elkaar en elkaar aanvuren tot liefde” echte inhoud (Hebr. 10:23-25).

Jacobus schrijft aan een gemeente waar de ergste vorm van verdeeldheid bestaat doordat mensen elkaar voor de rechter slepen. Jacobus wijst dan in zijn brief niet slechts op de noodzaak dat het geloof in Christus ook vruchten zal moeten dragen, maar ook op de bron van de beleving van het geloof met elkaar. Die bestaat daarin, dat gemeenteleden elkaar hun zonden zullen belijden en voor elkaar zullen bidden (Jac. 5:16). Hierin ligt het middel om een individualistische houding die slechts op eigen belangen uit is, tegen te gaan. Hieruit blijkt ook hoe nodig wij elkaar hebben voor de beleving van het heil in Christus.

Petrus roept in zijn brief de gemeente op bestendige liefde te hebben jegens elkander.

De liefde is nodig, om niet stil te blijven staan bij de zonden die er zijn van gemeenteleden om je heen. Waarin komt de liefde uit? In het dienen van elkaar “als goede rentmeesters van de velerlei genade Gods”. Dan gaat het niet alleen om de vruchten uit het geloof, maar ook over de beleving van het geloof. Er zullen woorden gesproken worden, als uit God. Je beseft niet alleen in je daden, maar ook in wat je zegt, dat het Gods genade is waar je samen van leeft. Zo wordt “in alles God verheerlijkt door Jezus Christus” (1 Petr. 4:10,11).

Ook in de brieven van Johannes blijkt de oproep elkaar lief te hebben nauw verbonden te zijn met de bron van die liefde die in God is, en met het belijden daarvan. Het geloof in God kan alleen echt beleefd worden als er liefde is voor de broeders en zusters; en de liefde tot de broeders en zusters kan alleen echt zijn, als daar de basis onder ligt van de liefde van God (1 Joh. 4:11,20). Dat komt mede daarin uit dat het geloof in Christus als de Zoon van God ook beleden wordt (1 Joh. 3:23, 4:15). De liefde is niet kleurloos, maar krijgt gestalte doordat van elkaar duidelijk wordt waaruit we de liefde putten.

Conclusies

Het blijkt dat het in elk geval geen nieuw probleem is, als wij worstelen met de vraag hoe de gemeenschap van de gemeenteleden onderling beter beleefd zou kunnen worden. In de meeste brieven van het Nieuwe Testament blijken op dit punt in die tijd al heel wat vermaningen nodig te zijn.

Het blijkt dat het in dit verband niet voldoende is elkaar te wijzen op de noodzaak iets over te hebben voor elkaar en iets te doen met elkaar. Daar moet een basis onder liggen, anders blijven deze vermaningen in de lucht hangen en kan het er op lijken, dat de gemeenschap pas werkelijkheid wordt doordat wij ons daarvoor gaan inzetten. Er zal gezocht moeten worden naar mogelijkheden om de grond van de gemeenschap, nl. het samen delen in het heil van Christus, op een goede manier met elkaar te beleven. Pas waar dit echt beleefd wordt, zal er ook een basis zijn om deze gemeenschap gestalte te geven in het samenleven uit het geloof. Een nadere bestudering van de verschiliende schriftgedeelten die genoemd zijn, zal een aanzet kunnen zijn om hier in de eigen praktijk handen en voeten aan te geven3.

Het hart van die beleving zal stellig de eredienst moeten zijn. Mogelijk is het goed eens met elkaar door te spreken over de wijze waarop deze dingen in onze erediensten een plaats krijgen en door de gemeenteleden beleefd worden.

Uit de aangehaalde teksten bleek echter ook, dat de bedoelde beleving van de gemeenschap zich verder dient uit te strekken. De vraag mag gesteld worden, of de gemeenschappelijke uitwisseling van de individuele ervaring van het leven met God op de plaatsen waar we elkaar als broeders en zusters ontmoeten, voldoende tot zijn recht komt. Het is goed de vormen die er zijn om de gemeenschap met elkaar te beleven en te versterken, vanuit de boven gegeven bijbelse lijnen te doorlichten. Is er b.v. op een verenigingsavond of een kerkelijke bijeenkomst ruimte om daarover met elkaar in gesprek te zijn? Is er plaats voor het persoonlijk gebed met en voor elkaar? Zijn er vormen waarin het samen delen in het heil ook buiten de kerkdiensten beleefd kan worden? Niet slechts het leven uit het geloof, maar ook het beleven van het geloof zal in de ontmoetingen met elkaar gestalte moeten krijgen, om de geloofsgemeenschap te doen groeien.

De ambtsdragers zijn volgens Ef. 4:11 e.v. de eerst aangewezenen om deze groei van het lichaam en zijn delen te stimuleren. Zij mogen het doen vanuit het besef, dat het uiteindelijk Christus zelf is die Zijn lichaam in stand houdt. De echte gemeenschap bloeit niet van beneden op, maar wordt van boven geschonken. Dat ontslaat ons echter niet van de taak te zoeken naar wegen waarlangs deze geestelijke groei gestalte zal krijgen; opdat we steeds meer mogen worden wat we door het werk van Christus zijn: gemeente van Hem. Zo zal door het lichaam als geheel en door de leden daarvan persoonlijk, God steeds meer lof worden toegebracht voor Zijn genadegaven.

1) Dr. J. van Genderen, De gemeenschap der heiligen, Apeldoornse Studies 22, Kampen 1986, blz. 22.

2) Over de wijze waarop ieder afzonderlijk een plaats zal krijgen binnen net geheel van de gemeente heeft dr. J.P. Versteeg geschreven in Verschiliende publikaties, m.n. in Kijk op de Kerk. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament, Kampen 1985, en in het artikel “Pinksteren: een nieuwe wijze van samenleven”, in De Geest schrijft wegen in de tijd, Kampen 1984, blz. 18-27. Daar is de betekenis van de eenheid met behoud van de verscheidenheid van iedere gelovige duidelijk uitgewerkt.

3) Een goed overzicht van de Bijbelse gegevens over de gemeenschap der heiligen is te vinden in het boekje van T. Brienen, Onderlinge dienst, schets van gemeenschapsbeleving in de gemeente van Christus, dat al in 1969 verscheen als uitgave van de Christelijke Gereformeerde Lectuur-stichting “ds. H. Janssen”. Verder is de Studie van dr. J.P. Versteeg Oog voor elkaar. Het gebruik van het woord “elkaar” in het Nieuwe Testament met betrekking tot de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente (Kampen 1980) van grote blijvende waarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.