+ Meer informatie

Verarmt de geloofsbeleving in de reformatorische kerken?

30 minuten leestijd

1.Thema

Het thema van deze conferentie raakt - niemand zal het ontkennen - een zeer centrale vraag. Indien we haar met „ja” zouden moeten beantwoorden, dan zou daarmee de ernst van de situatie getekend zijn. Geloofsbeleving raakt immers niet de periferie van het kerkelijk bestaan, maar zij heeft onmiddellijk te maken met het geestelijk welzijn, waarvoor ambtsdragers zich verantwoordelijk weten. Het belijden van de kerk kan zuiver zijn, indien de beleving ervan ontbreekt, spreken wij over een dode orthodoxie. De liturgie van de kerk kan naar de eis van de gereformeerde beginselen zijn, wanneer de persoonlijke, levende betrokkenheid daarbij niet gevonden wordt, hebben wij te maken met een vormendienst: Dit volk nadert mij met de lippen, maar het hart is verre van Mij! De kerkelijke orde zou op alle mogelijke manieren verzekerd kunnen zijn, maar de orde van de Geest zou kunnen ontbreken, waar de geloofsbeleving in de gemeenten niet meer op dat peil staat, waarin de vrede van God ervaren wordt. Wij spreken met elkaar over het hart van de zaak, zonder ’t welk een kerk geen missionaire, geen diaconale, geen innige geloofsgemeenschap kan zijn.

Onder geloofsbeleving hebben wij immers te verstaan dié existentiële ervaring, die niet slechts het primaire levensgevoel raakt, maar die zelfs de grondslag en het fundament van het leven zèlf vormt. Wàt ànders is de grond van het léven, dan het geloof, waaruit een christen leeft. Wanneer wij vanmorgen spreken over geloofsbeleving, dan hanteren wij geen subjectief begrip, waarin elke willekeurige religieuze werkelijkheid zich zou kunnen herkennen, ongeacht of het een christelijke, een islamitische, boeddhistische of welke andere religie dan ook zou zijn. Neen, wanneer we spreken over geloofservaring, dan staat ons het leven uit dàt geloof voor ogen, dat in de christelijke kerk beleden wordt als een gave van God, die ons wérkelijk bindt aan Christus en ons uit Hem doet leven.

Wij houden het bij deze benaming: geloofsbeleving, omdat zij kan uitdrukken, wat wij in andere begrippen niet of niet in die mate vinden. Geloofservaring kan niet gemist worden, geloofsbeleving is complexer. Geloofsbevinding duidt voor ons een werkelijkheid aan, die ons vooral voor ogen staat, wanneer het gaat om toeëigening van het heil in het werk van de Geest. Maar de thematiek van vandaag is ruimer, ofschoon zij zeer zeker met de centrale vragen van het geestelijke leven samenhangt. Ook het modernere spreken over „spiritualiteit” zou een associatie kunnen wekken, die aan de breedheid van het geloofsbeleven van elke dag te kort zou kunnen doen. De aanduiding „geloofsbeleving” heeft de accenten van de andere begrippen in zich, die van de persoonlijke ervaring, die van de geestelijke bevinding, die van een geestelijke levenshouding, maar de aanduiding wil fundamenteler zijn, en omvattender, levensinhoud en levensvorm verbindend, innerlijkheid en uiterlijke verschijning in levenseenheid belevend.

Dat we daarbij spreken over geloofsbeleving in de reformatorische kerken, kan ons er aan herinneren, dat wij in de thematiek en problematiek niet alleen staan. Mag dat voor een ogenblik een zekere verademing geven, omdat wij niet de enigen zijn, die voor centrale vragen ons zien geplaatst, we kunnen deze herinnering ook opvatten als een bijzondere reden om ons de vraag te stellen: léven wij op de hoogte van de Reformatie? Het kan niet de bedoeling zijn om vandaag naar àndere reformatorische kerken te kijken. Buurmans leed troost in dit geval niet. Daarom willen wij trachten zicht te krijgen op de hier liggende vragen in verband met de praktische problemen waarmee ambtsdragers in hun verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn van de gemeente vandaag te maken hebben.

2. De situatie binnen de kerken

De vraag van het thema is ingegeven door de situatie binnen de kerken. Dat deze niet te denken is zonder de situatie buiten onze kerken spreekt vanzelf. Onze kerken leven niet op een eiland. Was er voorheen sprake van een zekere vorm van isolement, van een beslotenheid, van een te identificeren en met bewustheid gezocht eigen kerkelijk leven, vandaag is dit niet meer het geval. Zodoende kan, wat zich buiten onze kerken afspeelt, een sterkere invloed hebben binnen onze kerken. Twee zaken vermeld ik opzettelijk: de doorslaande, niets en niemand-ontziende secularisatie, en daarnaast de vermaatschappelijking, socialisering en politisering van de kerken in Nederland.

De secularisatie zet door. Zij blijkt uit kerkverlating, teruglopende belangstelling voor de Schrift en de belijdenis, de onbekendheid met de inhoud van de bijbel en met primaire noties van het christelijk geloof. Dit alles wordt gevoed door een van de grootste wetenschappelijke omwentelingen van alle tijden, waarin het - zoals uit een bericht van deze week nog uit Amerika bleek - mogelijk werd om octrooi aan te vragen op een schepping uit de hand van een mens: een muis weliswaar. Maar naar de wetten van de evolutie zal de mens volgen: geoctrooieerd. Zo vervangt de mens zelf zijn God. Het is niet mogelijk om de omslag te definiëren, die heeft plaats gevonden in het levensgevoel van de mens aan de vooravond van het jaar 2000. Door en door geseculariseerd. Hoe spelen de kerken daarop in? Ik noemde de vermaatschappelijking, socialisering en politisering van de kerkelijke boodschap, die haar relevantie moet bewijzen ten overstaan van volk en vaderland.

Het kàn niet anders, of déze omstandigheden hebben hun invloed op de gemeenten. Veranderde maatschappelijke opvattingen omtrent huwelijk en gezin, de plaats van man en vrouw, de betekenis van waarden en normen, werken in de gemeenten door. Daar komt een factor bij, waarbij de kerken van binnenuit betrokken zijn. De kerkelijke kaart ziet er totaal anders uit dan voor vijfentwintig jaar. Kerkscheuringen links en rechts veranderden het beeld. Kon men voorheen met recht, althans niet ten onrechte zeggen, dat onze positie er een was tussen de vuren, deze is grondig gewijzigd. Het breukvlak dat de gereformeerde gezindte verdeeld houdt, loopt dwars door onze kerken. Deze vertonen daarmee buiten de Hervormde Kerk hetzelfde beeld als de Gereformeerde Bond binnen deze kerk. Mede daardoor is het grensverkeer bij ons duidelijker registreerbaar. Het kerkelijk besef is danig getaand. Dit heeft vanzelf een heel sterk kerkelijk gevolg, maar het wegvallen van een stevig kerkelijk besef heeft ook zijn consequenties voor de geloofsbeleving binnen onze kerken. Het is geen kerkisme, wanneer men een gezond kerkelijk leven onmisbaar noodzakelijk acht voor de geloofsbeleving. De kerkelijke situatie in Nederland is, gezien de verdeeldheid van de kerk, geenszins bevorderlijk voor een beleven van de menigerlei genade Gods. Onze eigen kerkelijke situatie, geplaagd als we zijn door groepsvorming en individualisme, biedt in vele opzichten voor de geloofsbeleving niet de meest optimale voorwaarden.

3. Verschraling in de geloofsbeleving

We leggen, zoals blijken kan, een nauwe relatie tussen de situatie in de kerken en de verschraling in de geloofsbeleving, die valt op te merken. Deze hangt samen, zoals ik eerder opmerkte, met de omslag in het primaire levensgevoel van de Westeuropese mens. Op zichzelf is het niet noodzakelijk, dat een veranderd levensgevoel verschraling van geloofsbeleving meebrengt. Het christendom is in de wereld gekomen in een tijdperk, waarin binnen de cultuur en daarmee binnen het levensbewustzijn van de omringende wereld een grote verandering plaats greep. Maar het christelijk geloof was het geloof, dat de wereld overwon! De Reformatie greep plaats in een tijd, die als uit de verte vergeleken zou kunnen worden met de onze. De tijd was er rijp voor. En de Reformatie bracht een vernieuwing van geloofsbewustzijn en geloofsbeleven, die ons vandaag nog steeds kan verbazen. Een omslag in het levensgevoel behoeft op zichzelf derhalve, zoals gezegd, geen verschraling in te houden van de geloofsbeleving. Wanneer er een krachtig kerkelijk leven is heeft de kerk niet alleen de functie van een bindende gemeenschap, maar ook die van een moeder der gelovigen. Als de moeder niet al te gezond is, hoe staat het dan met de kinderen? Wanneer de apostel spreekt over wasdom in de genade, over geestelijke groei, over opwassen tot zaligheid en over proeven dat de Here goedertieren is, dan schrijft hij deze middellijkerwijs toe aan de redelijke onvervalste melk van Gods Woord. Dat is - althans bij de apostel - een taak van de moeder, die graag ziet dat haar kind groeit. Zo moet er samenhang zijn tussen de kerk en haar situatie en de geloofsbeleving, zoals deze wordt gezien. Er moet wat aan de kerk mankeren, wanneer de geloofsbeleving niet in orde is.

Maar men kan de zaak ook omkeren. Verschraling in de geloofsbeleving kan ook de oorzaak zijn van een niet-optimale kerkelijke situatie. Naar het oordeel van velen zouden onze kerken niet die spanningen en gevaren kennen, die haar de laatste jaren hebben vergezeld, wanneer er diepte en eenheid was in waarachtige beleving van het geloof. De kerk is niet alleen de moeder der gelovigen. Zij is ook de vergadering der gelovigen. Zij kàn er in haar vergaderde toestand, hetzij op de zondag in de eredienst, hetzij op een kerkelijke vergadering om de zoveel tijd, niet anders uitzien dan het totaalbeeld dat door de gelovigen wordt gevormd, te zien geeft. De kerk bestaat niet uit de muren, maar uit de gelovigen. De kwaliteit van de laatsten bepaalt die van de gemeente zelf. De wederzijdse verhouding tussen het kerkelijk gebeuren en de geloofsbeleving is zo evident, dat we van een soort kruisbestuiving kunnen spreken. Waar het geloof krachtig is, daar bloeit de gemeente. Waar het geloof van de gemeenteleden is ingezonken, lijdt de gemeente zelf grote schade. Maar ook omgekeerd: waar de gemeente haar taak verstaat, daar kan zij haar functies vervullen ten opzichte van de gelovigen, daar wast het Woord en daar geldt het getuigenis, dat Paulus geeft van de gemeente in Thessalonica: Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden, onophoudelijk gedachtig aan het werk van uw geloof, de inspanning van uw liefde en de volharding van uw hoop. De apostel meldt deze drie: geloof, hoop en liefde als vruchten van de prediking, d.w.z. als zegen op de arbeid in de gemeente.

4. Symptomen

Wanneer we nu trachten de symptomen van geestelijke verschraling op het spoor te komen, knopen we allereerst aan bij het voorafgaande: de houding ten opzichte van de kerk, haar prediking, sacrament en ambtelijke arbeid. Niemand kan ontkennen dat zich hier een grondige wijziging heeft voltrokken of nog bezig is zich te voltrekken. Kerkbezoek is een deugdelijke graadmeter. Het loopt in verschillende gemeenten op een zorgwekkende manier terug. De tweede kerkdienst wordt op vele plaatsen op een in het oog lopende manier matiger bezocht. Hier en daar hoort men zelfs, dat het een teken van vrij en bewust geloofsleven is, wanneer men éénmaal naar de kerk gaat. De kerk heeft voor velen een centrale plaats gehad: het is verleden tijd. De beoordeling van de prediking is soms heel verschillend. De voorkeur gaat uit naar een uur boeiend entertainment, waarbij de maatstaf voor het al of niet bevallen van een preek gezocht wordt in factoren die bij publiciteitsmedia van doorslaggevende betekenis zijn. Dat de prediking doorwerkt, dat erover gesproken en nagepraat wordt is een vrome gedachte, maar zelden werkelijkheid. De kerkgang heeft iets gedwongens gekregen. Het is een, soms met moeite volbrachte kerkelijke plicht, waardoor men zich voor de rest van de zondag ontslagen acht van die dingen, die het geloofsleven werkelijk kunnen bouwen. Het gehele kerkelijke bedrijf op zondag wordt soms als een éénmansbedrijf ervaren, waarbij de gemeente de maatstaf laat bepalen door bijkomstige zaken. De sacramentsbediening is daarmee ook een andere functie gaan vervullen. In vele gemeenten worden de avond-maalsbedieningen goed bezocht. Maar de middagdienst op dezelfde zondag lijkt daarmee niet in overeenstemming wat de belangstelling betreft. Het oordeel over ambtsdragers is bij tijden zeer onbarmhartig. Predikanten en ouderlingen zijn altijd voorwerpen van tijdvullend gesprek geweest, maar ook dit schijnt niet meer aan de orde te zijn: de ambtsgedachte is tè veel verweven met autoritair denken, dan dat ze nog een kans zou krijgen, kortom alles wat kerk heet, wat kerk werkt is volstrekt van waarde beroofd. Ik zwijg nu nog over kerkelijke vergaderingen, die de pers halen. De belangstelling ervoor bij het gewone gemeentelid, dat plaatselijk het nog niet laat afweten, is zeer matig. Slechts weinigen lopen er ècht warm voor, waarbij het soms ook nog de vraag is of de brandende harten aan het goede vuur zijn ontstoken.

We bezagen de kerkbeleving van één kant. Er is ook een andere: die van de ambtsdragers. De Hebreeënbrief spreekt over de voorgangers, die waken over de zielen. Zij hebben eenmaal rekenschap af te leggen. Maar verrichten zij hun dienst ten volle? Kunnen zij het met vreugde doen of zijn zij al zuchtende bezig? En zijn zij daarom wellicht minder nuttig? (Vgl. Hebr. 13: 17). Hoe staat het met de blijdschap in de dienst? Hoe komt het dat er, niet slechts sporadisch, maar meermalen sprake is van preken, die op werkstukken lijken, tè beschouwelijk, tè afstandelijk, theoretisch? Ontbreekt de bezieling dan inderdaad? Het gegrepen zijn, dat welsprekender maakt dan welke kunst van eloquentia vermag? Is er de voeling met de gemeente, niet alleen op de preekstoel, maar ook in het gewone pastoraat, dat dienstbaar moet zijn aan de prediking, zoals de prediking dienstbaar moet zijn aan het pastoraat? Zo priester, zo volk..... spraken reeds de profeten! Hoe komt het, dat er zo moeilijk ambtsdragers zijn te krijgen? Dat er onder hen zijn, die zeer cynisch over hun broeders kunnen spreken of over broeders in andere gemeenten? Dat er hier en daar huisbezoeken worden afgelegd, waarbij slechts aan het eind de bijbel en het gebed iets laten merken van het karakter van de avond? Het Woord, het Woord Gods, leeft het, werkt het in onze gezinnen? Een onderzoek naar de geloofsbeleving binnen onze gezinnen zou voor ons allen onthullend kunnen zijn. Wat komt er terecht van het gezamenlijk bijbellezen en gebed? Van het persoonlijk bijbelonderzoek en de oefening in het persoonlijk gebed? Waarom leeft soms de gedachte, dat de predikant er is of de onderwijzer om aan de kinderen iets mee te geven van een geestelijke bagage, waartoe de ouders blijkbaar zelf niet in staat zijn?

5. Wezen

Wat is eigenlijk gesproken het wezen van de geestelijke verandering, die zich aan het voltrekken is of die zich reeds voltrokken heeft? Is het terecht, wanneer we spreken over verarming en verschraling? Is het niet mogelijk dat wij in werkelijkheid te maken hebben met een verandering in de geloofsbeleving, die veeleer beschouwd zou mogen worden als een verrijking van het geloof, doordat wij vandaag met àndere problemen in aanraking komen dan men ooit in de geschiedenis heeft kunnen vermoeden. Daarbij denken we aan de geheel andere plaats die aan de mens binnen de geschiedenis niet alleen, maar ook binnen de schepping wordt toegekend. Zou het niet mogelijk zijn, dat wij - om slechts één voorbeeld te noemen - vandaag Psalm 8 beter zouden kunnen verstaan tegen de achtergrond van de gaven die God aan de mens heeft geschonken dan in voorbije tijden mogelijk was?

De vraag of we te doen hebben met een verrijking, dan wel met een verarming van de geloofsbeleving, zullen we alleen kunnen beantwoorden, wanneer we ons een ogenblik afvragen, wat het wezen is van het lèven uit en door het geloof. Een zeer centraal begrip daarbij is de aanduiding, die wij talloos vele malen in het Nieuwe Testament lezen, nl. die van het „in Christus” zijn.

„In Christus”, het is de Paulinische en tegelijk ook de Johanneische samenvatting van het geheim van het nieuwe leven. Christus leeft in ons en wij in Hem: dat is de kern, het wezen van de zaak. Léven in Hem en blijven in Hem, zoals ook de rank in de wijnstok: zo spreekt Johannes over het diepste geheim van het christelijke leven. Voor Paulus liggen de zaken niet anders. We denken slechts aan het geweldige begin van de brief aan Efeze, waarin het „in Christus” wordt betrokken op de verkiezing, op de verzoening door het bloed van Christus, op de voleinding in Christus èn op de verzegeling met de Geest, die wij „in Christus” ontvangen. Vier aspecten laten zich aan dit „in Christus” onderscheiden, die alle vier wezenlijk zijn voor de geloofsbeleving: dat is het juridische aspect, dat van de toerekening. Daarnaast tegelijk het ethische aspect, wanneer er sprake is van een nieuw schepsel in Christus, waarbij het oude is voorbijgegaan en alles nieuw is geworden. In de derde plaats het „ecclesiologische” of kerkelijke of gemeentelijke aspect, dat ons in Christus deel geeft aan de gemeenschap der heiligen. Maar deze drie aspecten zijn nooit los te denken van wat ik het liefst noem het mystieke aspect, nl. dat van de werkelijke geloofsverbondenheid met Christus, waardoor geldt: Ik leef, doch niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij (Gal. 2 : 20). Wanneer wij het geheim van de geloofsbeleving zoeken te verstaan, zonder deze werkelijkheid van het „in Christus” in rekening te brengen, zullen we niet in staat zijn om de vraag te beantwoorden, of wij in de veranderingen die wij doormaken, te doen hebben met een verrijking dan wel met een wezenlijke verarming, verschraling van de geloofsbeleving. Dit „in Christus” moet ons de sleutel leveren bij de beantwoording van de vraag, of de geloofsbeleving in de reformatorische kerken verarmt, ja, dan wel neen!

In Christus Jezus is er geen verdoemenis - dat beslist over alles. We noemden dit het juridische aspect. We zouden kunnen zeggen: wanneer we de rechtvaardiging door het geloof kwijt zijn, zijn we alles kwijt. Bedenkelijk klinkt daarom de leus, dat de moderne mens niet meer vraagt: hoe word ik rechtvaardig voor God, maar: waar is God en wie is God. We noemen dit een oneigenlijke tegenstelling. Want de God die we kwijt zijn is geen andere dan de God die ons rechtvaardigen moet. Middelpunt van het evangelie noemen we daarom dit „in Christus”.

In Christus zijn we een nieuw schepsel - dat is, zoals we zeiden, het ethisch aspect van de geloofsbeleving. Wie de ethiek losmaakt van deze bron, hetzij op macro-, of op micro-ethisch gebied, heeft de kern van het evangelie als geheim van alle ethiek achter zich gelaten. Hij is moreel wellicht niet te berispen. Maar een groot verschil is er tussen wijsgerige en christelijke ethiek. De laatste behoort bij het leven „in Christus”.

Het geheim van de christelijke gemeente schuilt in haar geloofsverbondenheid met Christus. „In Hem” heeft de gemeente haar bestand. Daarom is de worsteling om gemeente te mogen zijn met elkaar ook van zo grote betekenis. Gemeenschapszin, oog voor elkaar is er, wanneer wij „in Christus” zijn.

Maar dit alles, rechtvaardiging en heiliging en gemeentezijn is ijdel, wanneer het niet opkomt uit en gevoed wordt door de hartelijke en oprechte geloofsverbondenheid met Christus. Dat is een zaak van bekering, wedergeboorte, sterven en opstaan in een nieuw leven door de kracht van de Geest.

6. Gevolgen

Wanneer op dit centrale punt verschraling optreedt wreekt zich dit over de gehele linie. En het is met schroom en in verlegenheid vanwege de zaak waarover het gaat, dat wij nu zeggen, dat op dft punt juist de verarming en verschraling zich voordoet. De gevolgen zijn er ook naar.

Wanneer de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze ons niet meer vermag te boeien, is dit een teken, dat het ons aan tweeërlei kennis is gaan ontbreken. De kennis van God en die van onszelf. Zou het daarvandaan kunnen komen, dat ons spreken en ons preken ook zo beschouwelijk kan overkomen? Theologen kweken is nog iets anders dan hetgeen de profeet als een belofte in het vooruitzicht stelt: en zij zullen niet meer zeggen een iegelijk tot zijn naaste: ken de HERE, want zij allen zullen Mij kennen. Dat is de belofte van het Nieuwe Verbond, de belofte van de Geest. Toch sluit dit de kennis der waarheid niet uit, maar in. Ook daarom valt het te betreuren, dat de meest elementaire waarheden door onze jonge mensen niet meer verstaan worden. Wie aan de jongeren de kennis onthoudt, kweekt een geslacht, dat geen correctief meer bezit tegen allerlei suggestieve denkbeelden, die de ronde doen. Ook een geslacht dat geen tegenwicht meer bezit, waardoor het ongebalanceerde gevoelsuitingen weet te beoordelen.

Gevolgen van een verschraling op dit centrale punt zijn ook waar te nemen op het terrein van de ethiek. Enerzijds is er sprake van een geborneerde wetteloosheid, die het wezen van de christelijke vrijheid miskent. Ook binnen de gemeenten komen situaties voor, die met de Schrift in de hand volstrekt bestreden dienen te worden. Het „gij geheel anders” betekent echter ook geen moralisme. Het moet vrucht zijn van het „in Christus” zijn, waarbij het evangelie nimmer een nieuwe wet kan worden, die kleinschalig in de sfeer brengt van raak niet en smaak niet en roer niet aan. Maar die ons ook niet kan verleiden tot een macro-ethiek, die volstrekt ideologisch is en daarom persoonlijk ongevaarlijk, niet verbonden met een nieuw leven uit Christus. Onze tijd plaatst ons voor ethische vragen, het kan niet ontkend worden. Maar de geloofsbeleving die deze vragen isoleert van het àndere leven, het nieuwe-schepsel-zijn, verschraalt tot een activisme, dat het hart leeglaat, op de duur dodelijk vermoeiend.

Het geheim van alles wat in de kerk gebeurt, van alle ambtelijke dienst, van elke christelijke dienstverlening, of het nu getuigend, diaconaal of missionair is, is gelegen in het „in Christus” zijn. Gemeente-zijn, aan Christus verbonden te wezen, kerk-zijn: wij hebben het, gelijk te vrezen staat, nimmer verstaan. Dat er een ambtelijke dienst functioneert, die niet in mindering wordt gebracht op het priesterschap van alle gelovigen -we hebben het niet verstaan, omdat we dit „in Christus” zijn gingen beschouwen als iets geheel ànders dan het behoren tot deze of die concrete christelijke gereformeerde plaatselijke gemeente.

En culmineert het alles niet in dit éne punt, waarvan alle voorafgaande slechts uitstralingen zijn: dat een mens moet kennen de geloofsgemeenschap, de mystieke unie met Christus, waardoor we zeggen: te leven is mij Christus, en: ons leven is met Christus verborgen in God. Waar wij in dit centrum verarmd en verschraald zijn, zou daar de geloofsbeleving sterk en krachtig kunnen zijn, zou daar de ervaring, de bevinding, de spiritualiteit kunnen bloeien? Zou daar een toekomstverwachting kunnen ontstaan, een verlangen naar de grote dag van de Here Jezus Christus?ls het ook daarom dat de eschatologie een veilig theologisch begrip is geworden, waarvan we de beleving aan buitenkerkelijke groepen - secten noemden we ze vroeger - en bewegingen hebben overgelaten?

7. Aantrekkingskracht van de geloofservaring binnen charismatische gemeenschappen

We spreken hier over charismatische gemeenschappen. Voor het gemak beschouwen we deze aanduiding als een verzamelbegrip van wat in groepsbeweging, pinksterbeweging, evangelische beweging èn charismatische beweging zich aan de kerken presenteert. Er is een zeker recht om ze alle over één kam te scheren, omdat zij met betrekking tot de vraag die ons nu bezig houdt, drie dingen met elkaar gemeen hebben. In de eerste plaats is dit de nadruk op de ervaring. In de tweede plaats de belangstelling voor een zeer persoonlijk appel dat tot de mensen komt. En in de derde plaats is er de gemeenschapsidee die in deze kringen sterk wordt beleefd.

De realiteit van de ervaring, die hier zo veel aandacht ontvangt, kan worden gezien in haar algemeenheid. Er straalt iets van de mensen uit. Ze geven een onmiddellijke indruk van sterke betrokkenheid bij de zaak. Naast deze zeer algemene nadruk op de ervaring treffen we bij sommigen aan de geheel bijzondere ervaring van de doop met de Heilige Geest, die min of meer de grondslag vormt voor de herdoop, waaraan een niet gering aantal christelijk-gereformeerden zich heeft overgegeven: soms openlijk daarvoor uitkomend alsof het om propaganda ging, soms zeer bedekt, alsof men zich ervoor schaamde. Van beide zijn voorbeelden te over binnen onze kerken. Maar in beide gevallen functioneert de volwassendoop als een culminatiepunt van geestelijke ervaringen, waarmee een bepaalde ontwikkeling ten einde kwam en men zich nu voorts ook kan inzetten voor een vernieuwing van de gemeente.

In samenhang met dit ervaringsmoment is er de aandacht voor het persoonlijke geloofsleven: persoonlijk bijbellezen, een stille tijd, een zeer persoonlijke oefening van het geloof, waarbij een grote aandacht voor het individu opvalt. Niemand kan in de massa onderduiken, leder moet te voorschijn komen en een persoonlijke keuze maken. Het groepspastoraat speelt niet alleen een rol, er is ook aandacht voor het individu. Men wordt, zo kan gehoord worden, in de groepen voor vol aangezien en ontvangt de aandacht, die ieder voor zich nodig heeft.

En dit hangt weer samen met een sterke nadruk op de realiteit van de gemeenschap, waarin het individu niet ondergaat, maar tot zijn recht komt. De pinksterbeweging vooral legt nadruk op het samengaan van beide: individu èn gemeenschap. De warmte van het geloofsleven vloeit niet weg in de onpersoonlijke gemeenschap van een gevestigde kerk, maar blijft in haar kracht bewaard en wordt er zelfs in zekere zin in gestimuleerd.

De aantrekkingskracht van de geloofsgemeenschappen buiten de reformatorische kerken ligt voor een niet onbelangrijk deel in deze drie factoren: die van de ervaring, die van de personaliteit en die van de gemeenschapsbeleving, waarin het persoonlijke niet aan de kant gedrukt wordt, maar zich kan ontwikkelen.

8. Opkomst en wezen van de geloofsgemeenschappen

Met een historisch exposé wil ik u vanmorgen niet vermoeien. Maar een herinnering aan een paar feiten kan geen kwaad om de aantrekkingskracht van de geloofsgemeenschappen te verklaren. We staan met deze gemeenschappen niet voor een nieuw verschijnsel uit de kerkgeschiedenis. Er is geen tijdperk in de kerkgeschiedenis geweest, of zij waren er: de montanisten, met hun belangstelling voor de Heilige Geest, die zij in de officiële kerk niet of nauwelijks meenden aan te treffen. In de middeleeuwen: de broeders en zusters van de vrije geest, de begijnen en de begarden, die op soortgelijke manier ten overstaan van een hiërarchisch gelede kerk de enkeling in het vizier hielden. In de tijd van de Reformatie: de dopers, de spiritualisten, die hun gemeente-zijn op een geheel andere manier beleefden dan in de landskerk of in de stedelijke gemeente mogelijk was. Ik voeg erbij de piëtisten, puriteinen, nadere-reformatoren, uit die tijden van onze eigen geschiedenis, die ons tot op heden zo boeien. Iets dergelijks treffen wij aan in onze eigen tijd. Toch doen wij verkeerd, wanneer wij de wortels van deze nieuwe beweging alleen in de geschiedenis leggen. Ze zijn daar zeker te zoeken en dan met name in de grote opwekkingsbeweging van Wesley en Whitefield, in de reveil beweging van de vorige eeuw ook, maar zij hebben tegelijk iets zo eigentijds, dat een historische verklaring niet genoegzaam is. Zij zijn modern, in hun specifieke topics. Ze zijn voor een mens uit de twintigste eeuw, in een tijd vol spanning en gevaar ook aantrekkelijk, omdat de mens niet vermoeid wordt met een ingewikkeld geloofssysteem, maar in een eenvoudige onmiddellijkheid zijn geloof kan beleven. Voor een deel zijn deze bewegingen ook modern, omdat zij expressie weten te geven aan hun geloofsbeleven op een eigentijdse manier, die jonge mensen aanspreekt door de muzikale technieken toe te passen, die op een bepaalde wijze aansluiten bij het moderne levensgevoel. Zij concentreren zich op enkele fundamentele waarheden, die in geur en kleur aan de man worden gebracht.

Maar dit alles is beslist onvoldoende om de opkomst en het wezen van de moderne geloofsgemeenschappen van charismatische signatuur te verklaren. Er zijn zeker wortels in het verleden, die niet te loochenen zijn; er zijn ook aanknopingspunten bij hedendaagse ontwikkelingen in het levensgevoel van de mens tegen de 21e eeuw aan. Maar wat de doorslag geeft, is de overtuiging, die zonder enige terughouding wordt verbreid, dat wij in deze charismatische beweging te maken hebben met het tijdperk van de Geest. De vroege kerk heeft het dogma van de Vader vastgelegd. De Reformatie betekende een glansrijke belijdenis van de rijkdom van Christus. Aan onze eeuw is het voorbehouden om een krachtige openbaring van de Geest te beleven, zoals nimmer te voren.

Het zou interessant zijn, om deze overtuiging theologisch door te meten. De tijd en de plaats leent zich daar niet voor, maar het is voldoende om in deze constatering een verklaring te vinden van de geheel eigensoortige werfkracht van deze bewegingen. Zij dragen de gewisse overtuiging uit, dat het om een klare en duidelijke uiting van de Geest gaat. De Geest is niet te stuiten, niet door de dikste kerkmuren als die van Rome, niet door de kleine schotjes, die reformatorische kerken hebben opgetrokken. Hij is onwederstandelijk. Ik meen, dat deze fundamentele overtuiging, de stimulans vormt, voor al die activiteiten die zo velen boeien.

9. Wat boeit er dan in feite

Op zichzelf moet er van een zekere affiniteit sprake zijn, zal men door iets geboeid worden. Welke grenzen zijn het, die een zekere mate van persoonlijk en geestelijke verkeer mogelijk maken?

Ik denk hier en nu sterk aan datgene wat voor ons de kern uitmaakt van het gereformeerd belijden, voor die geloofsbeleving die binnen onze kerken bekend, vertrouwd en geliefd was. Niet voor niets was daar aandacht voor de Geest en zijn werk, voor de ervaring, voor het persoonlijke en voor de warmte van een eigen geestelijk en kerkelijk leven. Altijd hebben deze factoren een rol gespeeld. Zij zijn onmisbaar voor het geestelijk welzijn van de christen. En zij vormen de karakteristieken van het geloof en zijn beleving. Dat er juist in onze kerken aantrekkingskracht gevoeld wordt vanuit de geloofsgemeenschappen, behoeft ons, gezien de belangstelling die er vanouds voor deze wezenlijke zaken was, niet te verbazen.

Maar er is één ding veranderd. Het is de persoonlijke betrokkenheid bij het kerkelijke leven. En het is de kennis van Schrift en belijdenis. Die betrokkenheid bij het kerkelijke leven was er in het verleden. Zij is afgenomen. Maar dit hangt samen met het verlies van de kennis, die als een regulerende factor functioneert, zodat onevenwichtigheden gecorrigeerd kunnen worden.

En wanneer wij dit opvatten in de bijbelse zin: ik bedoel de kennis, dan zullen we moeten vaststellen, dat daarmee de ondergang is ingeluid. Mijn volk gaat verloren, omdat het geen kennis heeft: het was niet slechts een herinnering, die opgeld moest doen in Hosea’s dagen. Zij dient ons ook aan te spreken. Dit alles betekent op geen enkele manier, dat er niet een gebouw van prachtige orthodoxe waarheden in stand kan worden gehouden, met sierlijke gevels, die aan de toerist genot kunnen verschaffen. Een deel van onze gemeenten laboreert aan zulke museumtoestanden: niet omdat de vertoonde stukken niet goed en degelijk zouden zijn, maar zij worden niet gebruikt. Zij functioneren niet. Ze bekleden in de geloofsbeleving geen plaats. Zij bevatten geen heilzame, geen schokkende en geen genezende waarheid meer. Wee degene, die er een vinger naar durft uit te steken! Dit zou ervaren worden als een messteek in een Rembrandt. Maar ook de Rembrandt, de geestelijke Rembrandt is een schilderij geworden. Uit het leven gegrepen. Maar het leven is er ook uit-gegrepen. Het is welbeschouwd een speculatieve aangelegenheid geworden, zonder leven.

En laat er dan een persoonlijk appel gedaan worden, laat er dan een stuk authentieke ervaring voor de dag komen, laat er dan een beleving zijn binnen een levende, warme, kleine groep: dan slaat de vonk over. En de voorbeelden zijn er, dat men al zijn gereformeerde opvattingen inruilde voor dit éne moment, dat men zèlf beleefde en dat als echt, wezenlijk werd aangevoeld: dan is verklaard, wat de mensen, ook uit dit type gemeenten, boeide.

10. Een appel?

Hebben wij derhalve de geloofsbeleving binnen allerlei geloofsgemeenschappen niet op te vatten als een sterk en krachtig appel dat op ons wordt gedaan? Mogelijk zelfs een normatief appel? Ons antwoord is hier: ja, zonder neen. Ofschoon we dit ja willen omschrijven.

Ja, zeggen we: hier is een appel op de kerken. Zou God ons niet iets te zeggen hebben, ons die de dingen zó goed hebben geweten en die de dingen zo weinig in praktijk hebben gebracht?

Zou er geen appel tot ons komen, dat ons herinnert aan zulke diepe en aangrijpende woorden als: Dit heb ik tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten? Of dit: omdat ge nòch koud, noch heet zijt, zal Ik u uit mijn mond spugen?

Een appel komt er tot ons, dat ons herinnert aan de normen die God stelt voor het werkelijke geloofsbeleven: dat het zijn diepste geheim vindt in de gemeenschap met Christus, zodat we „in Hem” zijn, en uit Hem leven.

Een appel om onze werkelijke armoede aan geloofsbeleving te belijden, onze wèrkelijke armoede. Onze armoede voor Gòd, zodat we elkaar dáár werkelijk vinden, waar we inderdaad niet solitair maar solidair zijn, misschien tegen wil en dank: in onze schuld.

Een appel komt er tot ons, om de werkelijke situatie onder ogen te zien. En deze is zodanig, dat wij ons werkelijk in geen enkel opzicht hebben te verheffen. Wat betekent het concreet, wanneer God zegt dat een mens, dat een gemeente rijk en verrijkt is. Het is een tekst, waarover men zelfs boeiend zou kunnen preken. Maar wat betekent het concreet? Zijn wij mogelijk degenen geweest, die zich verbeeldden dat onze kerken in Nederland nog eens lieten zien wat een kerk voorstelde? God is bij machte om uit stenen voor Abraham kinderen te verwekken. Heeft Hij ons nodig voor een reveil in Nederland? Meenden wij dit misschien heimelijk? En miste Hij mogelijk bij ons het levende besef: Mijn genade is u genoeg?

Een appel komt er tot ons, ook al zijn wij in staat om de spiritualiteit binnen deze geloofsgemeenschappen kritisch te onderzoeken. Dat onderzoek zou aan het licht kunnen brengen, dat wij te zeer de noties van ambt, kerk, verbond, kinderdoop, genadige verkiezing enz. bij hen missen. En dat we bij hen te veel aantreffen een openlijk of verkapt arminianisme, dat de weg barricadeert naar het volle zicht op rijke, diepe, eeuwige genade. Dat er te veel verwacht wordt van de vrije wil van een mens, alsof deze op het laatste moment zélf een beslissing zou kunnen nemen. Maar tot zulk een onderzoek hebt u mij vandaag niet uitgenodigd. Wanneer God een ezel kan laten spreken, appellerend, of van stenen mensen kan maken, zouden wij dan zeggen: het is maar een ezel of het zijn slechts stenen?

De vraag is slechts waartoe een appel tot ons komt. Waartoe worden wij opgeroepen? Ik zou eenvoudig kunnen zeggen: wij worden met kracht eraan herinnerd, dat het de hoogste tijd wordt, om ons af te vragen of wij bereid zijn tot inkeer en omkeer. Dikwijls hebben we gezegd, dat de secten - een woord dat volkomen in onbruik is geraakt -de onbetaalde rekening van de kerk zijn. Zij herinneren ons aan ons tekort. We zouden zelfs dit niet durven zeggen, omdat al datgene waarin een appel naar ons uitgaat, ons geenszins onbekend is, maar behoort tot de rijkste zaken uit Schrift en belijdenis. Ervaring, opbouw in het geloof, persoonlijke betrokkenheid bij de gemeente en haar werk, opbouw van de gemeente, mede door de inzet van het priesterschap van de gelovigen: het zijn evenzovele onderwerpen, die onder ons afdoende besproken zijn en in de belangstelling aangedrongen. We zouden zelfs kunnen zeggen: we hebben alles in huis! We weten ervan. Maar tekent juist dit niet onze diepe nood, dat we alles in huis hebben, en dat we er niets van kunnen gebruiken? Dat we het niet wéten te gebruiken.

Dat we het verleerd zijn om het te gebruiken? Dat we - ik zeg het met grote aarzelingons soms schamen om zulke ouderwetse zaken om samen te zingen, samen te bidden en samen te spreken over de dingen van Gods koninkrijk in het uitwisselen van ervaringen, te beoefenen?

We zouden ons moeten oefenen in twee dingen: in ootmoed èn in verwachting. De eerste is ons tegelijk met de tweede gaan ontbreken.

Augustinus was de theoloog van de genade. Hij was tevens de theoloog van de peregrinatio, van de vreemdelingschap. Niet voor niets wordt in de brief aan de Hebreeën déze levenshouding als de eigenlijke kern van de geloofsbeleving getekend. Gasten en vreemdelingen: dat was de belijdenis en het was voldoende. Onze confessionele schat is aanzienlijk uitgebreid. Maar dit eerste, dit fundamentele mag nimmer ontbreken, zal ons de waarde van de grote schat der kerk niet ontgaan.

Alles hebben we in huis. Maar we weten het niet te gebruiken.

Het beste zou kunnen zijn, dat we alle potten en pannen leeg maken. God giet zijn genade in een leeg vat van het geloof, zei Calvijn. Hoe meer leegte, hoe meer de Here wil geven, om onze armoede weg te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.