+ Meer informatie

Als Christus maar verkondigd wordt

5 minuten leestijd

„Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden". (Filippensen 1:18)

Verblijd als Christus verkondigd wordt, ook als het onder een deksel is? Wat is met dat deksel bedoeld? Paulus bevindt zich in gevangenschap als hij de brief aan de gemeente te Filippi schrijft. Bij de behandeling van zijn zaak, zo zegt hij, is het duidelijk geworden dat hij niet van een (laten we zeggen) gewoon vergrijp of misdrijf, bij voorbeeld diefstal of moord, beschuldigd kon worden. Wie weet wat voor laster de vader der leugenen had rondgestrooid. Het is bekend geworden dat de beschuldigingen alleen de prediking van het Evangelie van Christus betroffen, waarvoor Paulus zich ook bij het onderzoek niet geschaamd heeft. Zo kwam het aan de dag dat zijn banden banden in Christus waren (vs. 13). Dat heeft vele broeders moed gegeven om overvloediger dan tevoren, onbevreesd, het Woord des Heeren te spreken.

Sommigen, zo zegt hij dan, deden dit gelukkig uit goedwilligheid, in toewijding aan en uit liefde voor de zaak des Heeren, met zuivere bedoelingen. Maar van anderen moet hij helaas zeggen dat ze bij hun prediking nogal wat bijbedoelingen hadden. Het door Paulus gepredikte woord wijst op "zoeken van zichzelf', laten we zeggen dat de door de apostel bedoelde predikers tijdens Paulus' gevangenschap de gelegenheid aangrepen om te laten zien dat zij het werk ook wel zonder de apostel (en zeker niet minder dan hij, zo al niet beter) konden doen. Uit de woorden van de apostel (hij spreekt over nijd en twist) is wel duidelijk dat er zoiets als afgunst en naijver in meesprak. Ach, het kan zelfs in de gemeente Gods zo vleselijk toe gaan! Dat is blijkbaar toen ook het geval geweest en dat is het deksel, het bedel^el van bijbedoelingen, dat als een waas over de verkondiging van velen heen ligt, ook al brengt Paulus tegen de inhoud daarvan geen bezwaar in. Dat heeft de apostel ontegenzeggelijk verdriet berokkend en pijn gedaan. Toch laat hij volgen: wat dan? Het komt uit zijn hart: het is alsof hij zeggen wil: „Dat het mij zeer deed en nog doet, is niet zo belangrijk. Het gaat toch niet om mij en mijn roem, het gaat om de Heere en Diens eer. Als Hij maar verkondigd wordt als de Weg, de Waarheid en het Leven, dan verblijd ik mij en ik zal mij, hoe mijn weg ook geleid wordt, daarin blijven verblijden".

Er zijn zeker nog heel wat meer opmerkingen bij dat woord te maken. In dit bestek wil ik het bij twee laten. De eerste is deze: We zijn geneigd te zeggen dat zo'n houding werkelijk groots is. Het is inderdaad groots niet op eigen eer en roem bedacht te zijn, maar alleen Christus te bedoelen en daarom het ook geduldig te kunnen dragen als een ander ons voorbij zoekt te streven. Groots, ja, maar het is meer dan groots. Grootse daden kunnen nog hun verklaring vinden in de geaardheid van de mens. Het is evenwel goddelijke genade als een mens leert zó in het Koninkrijk Gods te arbeiden. Dit geheim van een werkelijkgezegende bediening is genade! Daarom zal het een zaak van gebed moeten zijn voor de prediker. Maar evenzeer een zaak van gebed voor de gemeente. Er wordt wat afgeredeneerd over de prediking en de prediker. Zelfs afgevochten. Maar wordt er wei gebeden voor die „mannetjes uit het stof verrezen", zoals Calvijn hen noemde, die toch geroepen zijn om het Evangelie van de alleen zalige God te verkondigen? Het kon wel eens zijn dat in het gebrek aan biddend, ondersteunend meeleven met de dienst des Woords een van de oorzaken gezocht moet worden van de ingezonkenheid van gemeentelijk en persoonlijk geestelijk leven, waarover (helaas terecht) zo veelvuldig wordt geklaagd.

Mijn tweede opmerking loopt op een vraag uit. Paulus verheugt zich als Christus gepredikt wordt, als is het dan ook onder een waas van bij-oogmerken dat over die verkondiging heenligt. Als die ene Naam, waardoor wij moeten zalig worden, maar gepredikt wordt. Als..., want hoe grootmoedig Paulus zich ook mag opstellen tegenover „een prediking onder een deksel", op het punt van de inhoud van de verkondiging weet hij niet van toegeeflijkheid. „Wie een ander Evangelie verkondigt, buiten hetgeen ik u verkondigd heb, die zij vervloekt" (Galaten 1:8). Het komt Christus toe dat Zijn Evangelie gepredikt wordt en geen ander. Er is geen ander en wij mensen kunnen het voor de eeuwigheid niet met minder of iets anders doen.

Daarom een vraag: Verblijden wij ons met de apostel in een prediking waarin Christus, en niet onze werken of gevoelens, centraal staat als de enige grond der zaligheid? Verblijden we ons daarin omdat we erachter kwamen dat wij met al het onze midden in de dood liggen en daarom onze zaligheid buiten ons zelf alleen in Christus kunnen vinden? Christus door God gegeven, opdat Hij in zichzelf verloren mensen tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid, ja een volkomen verlossing zou zijn.

Ongelukkig, doodongelukkig, als we nog zo van ons zelf en het onze vervuld zijn, dat een Christus verheerlijkende prediking ons niets doet.

Een arme, verslagen ziel, die het leven buiten zich zelf moet zoeken, leeft ervan op; leeft ervan. Want het is de Vader Zelf, Die in die prediking, de bediening der verzoening, op ons toetreedt en zegt „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem, hoop op Hem, sla 't oog naar boven, gij zult God, uw God nog loven".

Ds. H. Harkema, Zeist

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.